© Ontworpen door Undercover
 

De Deventer moordzaak
Door Stan de Jong

 
 

De Deventer Moordzaak – De omstreden veroordeling van Ernest L.

Stan de Jong


Hoofdstuk I. Een hoekhuis in Almere-Buiten

Het was maandagmiddag 1 juli 2002. Er was heel wat belangwekkends aan de hand in de wereld. Mat Herben maakte zich kwaad over baantjesjagers binnen de LPF, de partij van de vermoorde Pim Fortuyn. Een redacteur zag op teletekst dat de kabinetsformatie voorspoedig verliep. En een andere redacteur las in de krant dat de abortusboot de overtijdpil mocht geven. Met zijn allen lazen we dat LPF’er Ferry Hoogendijk nu zelfs ‘op ramkoers’ met zijn tegenstanders in de partij bleek te zitten.

Het was op deze zelfde maandagmiddag dat Gerard Mulder de kamer binnen kwam. De adjunct-hoofdredacteur van HP/De Tijd had een dun sigaartje tussen de lippen geklemd. Daar kon hij trouwens prima mee spreken.

“Ik krijg net een fax binnen. Het gaat over een man die heet...” Mulder checkte het blaadje in zijn hand. “Die heet L. Hij zou een moord hebben gepleegd. Althans, daar zit hij voor vast. Twee mensen heb ik gesproken, die menen dat dit uh... volkomen ten onrechte is. Het zou belangwekkend kunnen zijn!”

Voor zijn doen was Mulder kort van stof. Maar ja, wat wilde je ook met al dat gerommel binnen de LPF. Het was vlak voor de deadline. “Kijk maar wat je ermee doet. O ja, misschien kun jij dan in elk geval die mensen even bellen? Ik bedoel: wat je ook beslist, hoor.”

“Goed”, zei ik.

“Dus dat hebben we dan nu afgesproken? Mooi.” En weg was Mulder.

De fax was een kunstwerk op zich. Het briefhoofd vermeldde: Algemeen Schriftkundig Bureau E.&W. Waisvisz. Daaronder in kleine lettertjes: Gedipl. Schriftkundigen en erkend/beëdigd schrift-experts. Er was ook een logo: een weegschaal en schuin eronder een kroontjespen met een veertje erin. Daarboven stond: verba volant scripta manent. Wat dit betekende, wist ik niet precies.

Het geheel was geadresseerd aan ‘de Weled.heer Gerard Mulder’. Ook de rest van de brief, die niet op een computer maar op een schrijfmachine was getikt, ademde de sfeer uit van iemand die gewend was zich in formalistische bewoordingen te richten tot de allerhoogste instanties.

“Zeer geachte heer Mulder”, zo begon het. “Naar aanleiding van ons telefoongesprek dd. heden zenden wij U bijgaand een tweetal kranten-artikelen inzake de onterecht vastzittende verdachte L.Wij beschikken over het gehele strafdosier, alsmede een bandopname van het programma Netwerk. Wij vervaardigden een rapport van ca. 120 pagina’s dat van het gebezigde bewijs niets heel liet. Betrokkene is werkelijk ONSCHULDIG en het is een schande dat Justitie er moeite mee heeft het toe te geven. De heer L. dreigt gegijzeld te worden door het rechtssysteem.”

De schrijver maakte meer gebruik van het in kapitalen zetten van woorden. Ik las verder: “Een rapport van ons diende als basis voor het herzieningsverzoek dat 21 december 2001 werd ingediend. Het antwoord van de Hoge Raad laat VEEL TE LANG op zich wachten. Men geeft voorrang aan uitgeprocedeerde asielzoekers. Natuurlijk moeten ook die mensen geholpen worden, maar het is onaanvaardbaar dat een Nederlander, een heel hard werkende keurige man, al 22 maanden vastzit voor een moord welke hij beslist niet heeft gepleegd.”

Het briefje eindigde met een uitnodiging aan Mulder het rapport persoonlijk te komen inzien in Almere-Buiten, waar het bureau kennelijk kantoor aan huis hield. De bedoeling was tevens daar ‘veel te vernemen’. “Wij hopen dat U wilt helpen in deze zaak, welke langzamerhand onmenselijke vormen gaat aannamen. Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting, E. & W. Waisvisz.”

Achteraf moet ik bekennen dat ik nog nooit van de heer L. had gehoord. Noch van een schriftkundig Bureau Waisvisz – wat dat ook mocht zijn. De aan de brief geniete krantenartikelen maakten me ook niet veel wijzer, behalve dan dat het een zaak in Deventer betrof, dat iemand was vermoord met een mes, dat het ging om een ‘schatrijke weduwe’, dat er nieuw onderzoek was gedaan, en dat er een ‘kleiner krommer mes’ was gevonden dat het moordwapen zou zijn. En dat die arme mijnheer L. er dus allemaal niets mee te maken had.

Net als waarschijnlijk de meeste mensen ging ik er van uit dat als een verdachte na twee rechterlijke beslissingen was veroordeeld, dit doorgaans wel terecht zou zijn. In dat geval had ik weinig medelijden met zo’n persoon, of hij nu een hardwerkende keurige vaderlander was of niet.

Met misdaadverslaggeving had ik daarnaast niet zo veel op. In de drie jaar dat ik bij HP/De Tijd werkte, kon ik me niet herinneren dat op dit specifieke terrein veel was gepubliceerd. Wel hoorde je soms verhalen uit een glorierijk verleden. Zo was er Ton van Dijk, die nog wel eens de burelen bezocht en dan grappige anekdotes over zware jongens uit zijn Haagse Post-tijd opdiste. Je had Annejet van der Zijl, die mooie reconstructies had geschreven. En natuurlijk het roemruchte duo Barkman-Hage dat gespecialiseerd was in het in verre buitenlanden traceren van diverse coke- en hasjaanvoerroutes - onderwerpen waar het duo om de een of andere reden een speciale belangstelling voor had ontwikkeld.

Ik legde de brief tussen twee halflege bekertjes koffie. Niet van zins er veel aandacht aan te besteden.

Een week later zat ik in de trein op weg naar Almere-Buiten. Ik passeerde het station Diemen-Zuid en liet de woorden die hoofredacteur Henk Steenhuis op de dinsdagvergadering had gesproken nog eens op me inwerken.

“We hebben een traditie hoog te houden in de misdaadjournalistiek”, sprak Steenhuis. “Wat denk je? Kan het iets zijn?”

“Ik denk het wel.”

“Nou”, zei Steenhuis, “een echte ‘Van der Zijl’ – dat zou mooi zijn. Doe je best!”

De afspraak was telefonisch geregeld. Het had iets weg van een militaire operatie. Om klokslag drie over half twee zou ik bij de telefooncel, onder het stationsgebouw, staan. Daar zou meneer Waisvisz me ophalen. We zouden naar het kantoor rijden, waar ik het rapport mocht inzien en daar tevens ‘veel vernemen’ – wat de impact van die laatste twee woorden was, kon ik op dat moment niet bevroeden. Anders was ik er waarschijnlijk nooit aan begonnen.

Meneer Waisvisz was precies op tijd. Hij droeg een snor en een bril en had vriendelijke blauwe ogen. Hij had de reclamecampagne van HP/De Tijd op televisie gezien, vertelde hij. Dat had indruk gemaakt. “Alleen deze week – alleen in HP/De Tijd”, deed hij na. “Precies wat we nodig hebben. Dit zou een doorbraak kunnen forceren. We hebben een team van journalisten om ons heen verzameld!”

In de auto hingen foto’s van huisdieren. Meneer Waisvisz drukte op het gaspedaal. Het was een klein stukje rijden. We kwamen aan bij een hoekhuis in een keurige straat. Op de deur was een bord geschroefd met daarop het inmiddels al wat meer vertrouwde ‘Algemeen Schriftkundig Bureau E. & W. Waisvisz’. E. stond voor Ed. W. voor Wanda.

Binnen zat mevrouw Waisvisz al met de koffie. De twee konden nauwelijks wachten met over de zaak te vertellen, waar ze al anderhalf jaar dag en nacht ‘vooralsnog geheel belangeloos’ mee bezig waren. Vooral Wanda, een in prachtige volzinnen sprekende dame met lang witgrijs haar, leek zich als een moderne Miss Marple op de zaak te hebben gestort.

(Daarmee is niets denigrerends gezegd. Miss Marple heeft, zoals bekend, heel wat misdaden opgelost, en het rapport dat ik in handen kreeg zag er bepaald indrukwekkend uit en zou, zo merkte ik later, vele interessante openingen bieden in deze intrigerende moordzaak. Maar ja, dat was allemaal later...)

Wat me onmiddellijk trof was de gedrevenheid waarmee het echtpaar sprak. “Het gaat ons niet om juridische haarkloverijen”, legde Wanda uit. “Als meneer L. het gedaan zou hebben, dan had hij voor mijn part levenslang mogen krijgen. Het betreft hier immers een van de gruwelijkste misdrijven die er bestaan – een misdrijf tegen het leven gericht. Maar deze stumper is werkelijk onschuldig!”

“Mijn echtgenote was daar vrij snel van overtuigd”, knikte Ed. “Ik was aanvankelijk sceptischer. Nu zeg ik: de herziening laat te lang op zich wachten. Er moet een strafonderbreking komen – dat spreekt.”

“Ken je het oude talmoedische gezegde: wie één mens heeft gered, heeft de wereld gered?”, vroeg Wanda.

“Nee”, antwoordde ik. “Bent u wellicht Joods?”

“Er bestaan enige aanwijzingen voor”, zei ze. “Mijn man wel.”

Je zou het echtpaar Waisvisz licht excentriek kunnen noemen. Het tweetal kwam nauwelijks de deur uit en om vakantie gaf het al helemaal niet. Ed groeide op in Nederlands-Indië, vertelde hij, waar hij als jongen in een Jappenkamp had gezeten. Hij had gevaren, was hoofredacteur/oprichter geweest van ‘de voorloper van Intermediair’, en was ook nog eens amateur-uitvinder. Zijn belangrijkste ontdekking: een soort meervoudige schroevendraaier. Ed liet het zien. Het zat in een doos met fraaie linten. Het technische hoogstandje was nooit in ontwikkeling genomen, maar er was wel octrooi voor bemachtigd in Nederland en Amerika.

Wanda was al even apart. Ze schreef in haar vrije tijd religieuze gedichten. Over Vietnam, of gewoon over de liefde en de lente. “Een bijzondere vrouw met veel talenten”, vertelde Ed toen we een uur later in de tuin stonden, waar ik een sigaretje mocht roken. “Vroeger was mijn echtgenote echt een stuk, zoals ze dat tegenwoordig zeggen. Ze is zeer intelligent en kan prachtig zingen.”

Vanuit de keuken klonk operagezang.

Hun grote passie was het grafologisch en schriftkundig onderzoek, waarmee de zestigers nu zo’n twintig jaar hun brood verdienden. Ze lieten een dossiermap zien met opdrachten van politie en justitie. Boven in de werkkamer lag nog veel meer. Er kwamen nu ook krantenknipsels te voorschijn waaruit bleek dat ze door middel van ‘contra-expertises’ allerlei vreemde zaken hadden opgelost. Dit overigens niet tot ieders vreugde. De Waisviszen leefden, zo vertelden ze, al jaren in onmin met de stuk of vijf andere grafologen die Nederland rijk was.

(De portee van die opmerking kon ik toen nog niet inschatten. Net zomin als ik op dat moment kon weten dat ik hier, in dit hoekhuis in Almere-Buiten, heel wat vegetarische hamburgers zou eten, dat ik ‘dankzij’ de Waisviszen een hoogoplopende ruzie met de bekendste misdaadverslaggever van het land zou krijgen, en dat die hele Deventer moordzaak me driekwartjaar van mijn leven zou kosten. Dat kwam allemaal later…)

Ondertussen vertelde mevrouw Waisvisz allerlei details over de zaak. Er bleek niet alleen iets te zijn met een ‘kleiner krommer mes’, maar ook met een raar gsm-gesprek en met een snuffelhond die Spike heette. Na het afspelen van de videoband van Netwerk, die meneer Waisvisz om de paar minuten op still zette om commentaar te geven, duizelde het me. Het was een razend gecompliceerde toestand.

“De zaak ligt dus eenvoudig”, concludeerde Ed. “Dat is het bizarre eraan.”

“Wat denk je?’, vroeg Wanda. “Komt het op de cover?”

“Tja, het is een bijzonder verhaal”, zei ik. “Maar ik moet het natuurlijk wel checken. In elk geval heb ik het rapport nodig.”

“Het is mijn enige exemplaar”, zei Wanda. “Ik geef het niet zomaar mee. Laten we eerst nog wat praten.”

Drie uur later bracht meneer Waisvisz me naar het station. Op het perron lagen lange schaduwen. Het was een warme dag geweest. “Als het allemaal achter de rug is, organiseer ik een diner voor iedereen die zich voor de zaak heeft ingespannen”, zei Ed. “Een restaurant heb ik al besproken.” Hij kneep in mijn arm: “Je houdt toch wel van Indisch eten?”

Ik knikte van ja en klemde het rapport stevig onder mijn arm.

 

Lees over de twijfels in de Deventer moordzaak!