© Ontworpen door Undercover
 

De Deventer moordzaak
Door Stan de Jong

 
 

Hoofdstuk II. De Pil

Voor de toegangspoort van de Penitentiaire Inrichting Lelystad, onder de vaste cliëntèle beter bekend als De Pil, staat een kunstwerk. Het zijn twee katten op sokkels. De ene kat houdt een sleutel vast; de andere probeert daar zijn poot door te wurmen. De symboliek zal wel zijn dat vrijheid niet te koop is, of zoiets. Wie de kunstenaar is, is onbekend. Vermoedelijk zal het de 432 gedetineerden een zorg zijn.

De Pil bestaat uit twee koepelgevangenissen – een huis van bewaring en een ‘echte’ gevangenis – en een noodgebouw. Een koepel is verdeeld in vier blokken die alfabetisch zijn genummerd. Een blok bestaat weer uit twee cellengalerijen met elk 24 cellen. Iedere cel is drieëneenhalf bij twee meter. In cel E08 zit gedetineerde nummer 1994681.

Zojuist is nummer 1994681 via een trap naar boven gegaan en de bezoekersruimte binnen gelopen. Hij is aan een rustig tafeltje gaan zitten en heeft zijn bril afgenomen. Zijn ogen liggen diep in de kassen. Hij draagt een groene broek en een blauw shirt en is bijna kaal. Aan zijn vinger zit een trouwring. Zijn echtgenote en twee kinderen wonen trouwens ook in Lelystad - recht tegenover de bajes.

Voor je rust moet je hier niet gaan zitten. Overdag is het een klereherrie in De Pil. De gedetineerden lopen te joelen, hun ghettoblasters staan op stand-snoeihard. Gevangene 1994681 ergert zich daaraan. Zelfs als hij zijn oordopjes indoet – en dat doet hij overdag regelmatig – kan hij het geluid van de dreunende bassen niet buiten houden. “Die zijn het ergste”, klaagt hij. “Je hele lichaam gaat ervan trillen. Wat wil je ook? Het is hier allemaal beton.” Zijn vorige verblijfplaats, het huis van bewaring te Zwolle, kon ook niet bepaald een kuuroord worden genoemd. Maar daar hielden de bewakers – of zoals ze liever genoemd willen worden: penitentiaire inrichtingswerkers - er nog enig toezicht op dat het kabaal niet te erg werd. Maar hier…

Terwijl het toch zo duidelijk in het handboek met ‘leefregels’ staat dat elke gedetineerde ter beschikking is gesteld. Geen overlast veroorzaken! Gevangene 1994681 heeft het handboek goed bestudeerd, zo is hij wel. “Maar als je het personeel erop aanspreekt, halen ze hun schouders op. Je kunt nog beter tegen een lantaarnpaal praten.”

Rust, reinheid en regelmaat – het schijnt louterend te werken. Maar het adagium geldt niet in De Pil. Drugsgebruik is hier bijvoorbeeld heel normaal Af en toe houden de gedetineerden een ‘feestje’ en wordt het hele spul bij elkaar gelegd. Iedereen doet mee – uitgezonderd gevangene 1994681. De directie kent het probleem, maar ziet het oogluikend toe. “Een penitentiaire inrichting is”, zegt men in het geval iemand ernaar vraagt, “een afspiegeling van de samenleving.” Men spreek ook wel van ‘een snelkookpan’. Op snelkookpannen staat veel druk. Enfin, wil men het drugsgebruik ‘elimineren’, dan betekent dit dat het bezoek voortaan achter glas moet, er niet langer artikelen van buiten mogen worden gegeven en gevangenen geen eigen kleding mogen dragen. Een repressief regime, kortom, en daar is de Nederlandse samenleving niet aan toe. Dan kookt de boel over. Zegt de directie van De Pil.

Gevangene 1994681 denkt er het zijne van. Niet dat hij veel last heeft van zijn stonede medebewoners – als ze hebben gebruikt, zijn ze zeker twee dagen kalm.

Gevange 1994681 is anders dan de rest. Hij denkt en schrijft liever dan dat hij herrie maakt. Elke dag weer, honderden pagina's nu al bij elkaar. Een spannend jongensboek heeft hij al af. Diamanten uit Burrestown heet het. Er is nog geen uitgever voor gevonden. “Ze krijgen natuurlijk honderden van die boekies”, vermoedt hij. En ja, een boek voor de jeugd geschreven door iemand die voor moord is veroordeeld, ligt misschien iets minder goed in de markt.

Daarnaast is hij bezig met een misdaadroman. Het gaat over een man – zo’n type brave oppassende burger - die ten onrechte wordt verdacht van de moord op een rijke weduwe in een provincieplaatsje. Door allerlei machinaties van politie en justitie krijgt hij twaalf jaar cel. Eigenlijk is het een naar verhaal. Met een ongewisse afloop.

Ja, gevangene 1994681 is anders dan de rest. Waar de overige gedetineerden nauwelijks meer opleiding hebben genoten dan lagere school, heeft hij een academische studie afgerond. Daar kunnen ook de bewakers - pardon: penitentiaire inrichtingswerkers - niet aan tippen. Veel meer dan een interne opleiding hebben die niet gehad. Ze leren tijdens die opleiding ‘conflicten hanteren’ en ‘overwicht houden’. Het is belangrijk dat ze ‘stevig in hun schoenen staan’. Ach, de meesten zijn best aardig. Bijna allemaal kennen ze zijn zaak. Laatst kwam er een medewerker van vakantie terug en vroeg: “Goh, zit je hier nu nog?” Hij klonk oprecht verbaasd.

Met zijn medebewoners heeft 1994681 weinig contact. Veelal zijn het kleine criminelen, die via de draaideur in en uit gaan. Ze vinden het reuze gezellig hun maten in De Pil weer eens te zien, of doen in elk geval alsof als ze binnenkomen. En als ze weg mogen, levert dat soms eigenaardige taferelen op. Neem die toestand met Jan vorige week. Zat als een kind te janken toen hij werd vrijgelaten. Ging bewakers omarmen alsof het familie was. Nu ja, Jan is junk - die hoeft zich geen zorgen te maken, die komt wel weer terug.

Nee, dan gaat gevangene 1994681 nog liever om met de ‘grote jongens’, zoals de drugshandelaars. Die zijn minder opgefokt en zitten, net als hij, tenminste wat langer. Hoewel bijna niemand zo lang moet zitten als nummer 1994681: twaalf jaar.

Vanaf december 2000 verblijft Ernest L., want zo heet gevangene 1994681, in De Pil. Eerst in het huis van bewaring, daarna, toen zijn zaak netjes was afgehandeld, in de gevangenis. Een koepel verderop. Het is nu juli 2002. Ruim vijfhonderdzestig dagen bij elkaar. En dan telt hij het voorarrest niet eens mee.

De tijd kruipt hier langzaam voort. Alle dagen lijken op elkaar. ‘s Ochtends om zeven uur wordt de celdeur ontgrendeld. Dan is het van ‘Goedemorgen Ernest’. Ernest zegt altijd goedemorgen terug, want in zijn oude metier was hij gewend beleefd te zijn. Meestal is hij dan al wakker, want hij slaapt licht. De gevangene wast zich met een plens koud water of neemt een douche – er zijn er drie per galerij – en eet een paar boterhammen. De dag ervoor, rond vier uur ’s middags, heeft elke gedetineerde een half brood, een pak melk en twee plakkies kaas en worst gekregen. Voor culinaire specialiteiten, zoals pindakaas of jam, moet je in de gevangeniswinkel zijn.

Een dagdeel werken is in de gevangenis verplicht. Je kunt kiezen voor de ochtend of de middag. Er is een houtafdeling, een metaalafdeling, een textielafdeling. Bestemd voor de gedetineerden die een vak beheersen. Een minderheid dus. De rest houdt zich bezig met ‘diverse activiteiten’, zoals dat heet. Keilbouten in elkaar draaien, stickers plakken, zakjes mest vullen, stopcontactjes maken.

“Doffe ellende is het daar”, zegt de fiscaal jurist. “Geestdodend.” Het ergste is nog niet eens het werk zelf. “De sfeer is beroerd, vinnig, en je verstaat de mensen niet.” Groepjes gedetineerden klitten per nationaliteit of afkomst bij elkaar. De Surinamers bij de Surinamers, de Turken bij de Turken, de Marokkanen bij de Marokkanen. “De blanken trekken ook naar elkaar toe.” Met Onno heeft hij nog het meeste contact. “Een vrij redelijke knaap. Ondanks die misstap die hij heeft begaan.” Onno werd met een groot aantal kilo’s op Schiphol gepakt. Hij kreeg vier jaar. Vroeger had hij een café-restaurant in Den Helder.

Gevangene 1994681 heeft een baantje als reiniger op de onderwijsafdeling weten te bemachtigen. Asbakken legen, plee schoonmaken. Dat werk. Rond twaalf uur is er dan warm eten. Aardappelen of rijst, sperzieboontjes, een slavink. Soms bami of nasi. Ach, hij is altijd ‘een simpele eter’ geweest. Voor hem geen ‘liflafjes’. Na het eten gaat hij weer naar de onderwijsafdeling. Om te schrijven. Of te denken. Over de toestand waarin hij is verzeild geraakt.

Wanneer Ernest L. over zijn zaak spreekt, blijkt dat hij een uitstekend geheugen heeft. Helder, tot op de kleinste details, kan hij erover vertellen. Maar er zijn ook momenten dat hij emotioneel wordt. Zijn Amsterdamse accent wordt dan sterker. Het zijn de momenten waarop de paranoia lijkt toe te slaan en hij schijnbaar onsamenhandende taal uitslaat. Zoals: “Er was die dag een operatie aan het basisstation. De cell-ID verschilt maar één cijfer. Dat kan toch geen toeval zijn?”

Of: “Die rechters waren oudere, ervaren juristen? Als er met de paraplu is gerotzooid, met die geurproef, dan kun je toch wel nagaan dat de rest ook niet klopt. Dan ga je toch vérder zoeken!”

De cell-ID, de geurproef, de paraplu – het zijn slechts enkele intrigerende onderdelen van wat inmiddels de Deventer moordzaak is gaan heten. Een zaak waarvoor Ernest L. beweert onschuldig vast te zitten. Zijn laatste hoop is gevestigd op de Hoge Raad, die zich momenteel buigt over een verzoek tot herziening. Wanneer het verzoek wordt toegewezen, moet een ander gerechtshof opnieuw zijn zaak behandelen. Misschien dat dit alsnog tot een vrijspraak kan leiden. Net zoals in de Puttense moordzaak.

“Weet u”, zegt Ernest en tuurt naar zijn schoenen. “Als meneer en mevrouw Waisvisz zich niet met mijn zaak waren gaan bezighouden, had geen enkele instantie zich nog om mij bekommerd. Eigenlijk te gek voor woorden. Twee particulieren...” Dan plotseling fel: “Ik heb met die hele zaak geen snars te maken!”

Is Ernest L. het slachtoffer van een reeks misverstanden, blunders en manipulaties door politie en justitie die de verbeeldingskracht van Franz Kafka te boven gaat? Zoals hij zelf beweert? Of is hij de koelbloedige moordenaar die de autoriteiten in hem zien? Laten we niet op de zaken vooruit lopen. Eerst maar eens terug naar die, ook voor hem, fatale dag, nu bijna drie jaar geleden.

 

Lees over de twijfels in de Deventer moordzaak!