Hoofdstuk III. De Deventer moordzaak
Het is zaterdag 25 september 1999. Om half elf 's ochtends heeft de 60-jarige Jaqueline Wittenberg-Willemen een afspraak bij La Coupe Kappers in Deventer. De goed gesoigneerde weduwe laat hier elke week haar haar watergolven. Als zij na een half uur niet is komen opdagen, belt een medewerkster naar haar huis. Mevrouw Wittenberg staat er om bekend dat zij punctueel is, en zal niet zomaar zonder af te zeggen wegblijven. Wanneer er niet wordt opgenomen, schakelt de kapster een buurvrouw in, die zij vraagt een kijkje te nemen bij de woning. De buurvrouw belt aan. Niemand doet open. De gordijnen van het huis zijn gesloten. Binnen brandt licht.
Even later rijdt een surveillancewagen van de Deventer politie de oprijlaan van de Zwolseweg 157 op. De agenten tikken aan de achterzijde, bij de keuken, een raampje in, en verschaffen zich zo toegang tot de woning. Voor de open haard in de woonkamer, recht onder het portret van haar overleden echtgenoot, de zenuwarts Willem Wittenberg, vinden ze het lichaam van de weduwe. In haar blouse zitten gestolde bloedvlekken. De details zijn gruwelijk. De moordenaar heeft haar gewurgd (haar strottenhoofd is gebroken) en vijf maal dermate hard met een mes in haar borst gestoken dat haar ribben zijn gebroken. Ook heeft het slachtoffer een forse hoofdwond. Het moordwapen wordt niet aangetroffen.
Omdat er geen sporen van braak zijn, concludeert de politie dat de dader is binnengelaten of een sleutel bezat. De al wat oudere weduwe was een voorzichtige vrouw. Jaqueline vergrendelde haar deur met een hele reeks sloten – ze zou sinds enige tijd ook een alarminstallatie bezitten - en zou ‘s avonds nooit een onbekende binnenlaten. De dader moet haast wel een bekende van het slachtoffer zijn geweest. De voordeur zat niet op het nachtslot, niet op de grendel en niet op de ketting, en was vermoedelijk achter iemand dichtgetrokken.
Aan de hand van een aantal ‘stille getuigen’ meent de politie dat zij donderdagavond 23 september, dus twee dagen voordat het lijk wordt gevonden, is overleden. Op de leestafel in de serre ligt het Deventer Dagblad (een avondkrant) van donderdag 23 september en een TV-gids die is opengeslagen op donderdag. Op de deurmat onder de brievenbus vindt men De Telegraaf van vrijdagochtend 24 september. Uit haar agenda blijkt dat ze vrijdag om 10.00 uur een afspraak had met haar schoonheidsspecialist in Zutphen, waar zij niet is verschenen.
Kennelijk verwachtte zij die bewuste donderdagavond bezoek. Op een tafel staat een ontkurkte maar niet aangebroken fles rode wijn en een vol glas sinaasappelsap. Na het avondeten dronk Jaqueline nooit koffie, liever een sapje. Voor zichzelf zou ze, zo menen kennissen, niet snel een fles wijn open trekken. Anderen verklaren overigens dat zij dit wel eens deed.
De recherche meent nu een goed beeld te hebben van hoe de laatste avond is verlopen. Jaqueline heeft gegeten, de afwas gedaan - haar keukenschort hangt aan een stoel in de serre - en naar het NOS Journaal gekeken. Omdat zij normaal gesproken haar schort opborg als zij visite kreeg, denkt de politie dat het bezoek zich pas die avond heeft aangekondigd. Om half negen voert Jaqueline een laatste telefoongesprek. Kort daarna laat zij haar moordenaar binnen.
Gezien de brute wijze waarop zij is gedood, zou de moord een emotionele achtergrond kunnen hebben. Een kort buurtonderzoek levert weinig op. Niemand heeft die donderdagavond iets gezien of gehoord. Wel wordt er een verfrommeld briefje in de tuin gevonden, vol met taal- en spelfouten, waarvan de afzender onbekend is:
Hierbij wil ik mijn exuus aanbieden. Want ik durf niet zomaar bij u aan te bellen. Want ik weet dat U kwaad bent op mij en mij vriend. Maar toch wil ik u mijn exuus aanbieden, dus doe ik het op deze manier. Want ik weet dat u voor de spullen die ik en mijn vriend hebben gestolen hard gewerkt hebben. Dus ik kan me voor stellen dat u kwaad bent. Nu zal u wat denken dat ik deze brief moest schrijven. Maar dat hoefte ik niet maar ik doe het toch. En ik hoop dat u mijn exuus aanvaard.
In eerste instantie vormt dit briefje het belangrijkste aanknopingspunt voor de politie, zo blijkt ook uit het programma Opsporing verzocht van 19 oktober. Er komen tips binnen. Enkele dagen voor haar dood zou een onguur type met lange haren en een ketting met een groot kruis om zijn hals hebben rondgescharreld bij haar garage. De weduwe zou gevraagd hebben wat hij daar te zoeken had – de man kwam met een vaag verhaal dat hij een brommer zocht - en hem hebben weggestuurd. Vermoedelijk ging het om een drugsverslaafde.
Ook gaan er verhalen over (voormalige) psychiatrische patiënten, die wel eens aan de deur kwamen. De onbekende auteur van het briefje lijkt de Wittenbergs in elk geval goed gekend te hebben, want de weduwe sprak tegenover anderen vaak over hoe zij en en haar man ‘hard gewerkt’ hadden voor de ‘spullen’ die zij bezaten. Maar het lukt de politie niet de verdachte briefjesschrijver en zijn kornuit te vinden.
Van roof lijkt ook geen sprake te zijn. Wel is er in de praktijkkamer, op de eerste verdieping van de woning aan de straatkant, een braadslee gevonden, die de weduwe op zolder bewaarde. Zij zou die pan gebruikt hebben om er sieraden en geld in te stoppen. Het deksel van de pan lag nog op zolder. Volgens de schoonmaakster, die op donderdagochtend is geweest, was er niets uit genomen. Later wordt gesproken over een bedrag van zestigduizend gulden. Het blijft onduidelijk.
Jaqueline Wittenberg-Willemen was een rijke vrouw. Haar vermogen wordt geschat op vier miljoen gulden. Tien dagen voor haar dood heeft zij een nieuw testament laten opmaken. De erfenis gaat, conform de wil van haar overleden echtgenoot Willem, vrijwel geheel naar een nog op te richten Dokter Wittenberg Stichting, die zich moet inzetten voor de hulp aan (uitbehandelde) psychiatrische patiënten. De familie Willemen, met wie zij gebrouilleerd was, krijgt niets. Wel heeft zij enkele (bescheiden) bedragen gelegateerd aan haar schoonzus en enkele neven aan de kant van de Wittenbergs.
Het nieuwe testament verschilt ingrijpend van het vorige. In het oude testament was nog geen sprake van een Dokter Wittenberg Stichting, maar waren de voornaamste begunstigden van het miljoenenvermogen de vrouw en dochter van een huisvriend, genaamd Pieter ter Velde. Opvallend, want het is diezelfde Pieter ter Velde die als executeur-testamentair dit voor hem en zijn familie zo gunstige testament zou moeten gaan uitvoeren. De politie denkt dan ook een motief in handen te hebben. Maar Ter Velde heeft een alibi.
Vanwege de schokkende details, het feit dat Deventer de laatste jaren vaker is geplaagd door (onopgeloste) zware misdaden en misschien ook wel door de omstandigheid dat het hier een respectabele, wat chique familie betreft, krijgt de zaak topprioriteit van de Deventer politie. De burgemeester, tevens korpsbeheerder, vraag steun in de nabij gelegen districten en er wordt een regionaal recherchebijstandsteam gevormd. De hoogste baas, de korpschef van de regiopolitie IJsselland, Jan Wilzing, bemoeit zich persoonlijk met het onderzoek. De moord op Jaqueline Wittenberg moet koste wat kost worden opgelost.
Ongeveer twintig rechercheurs worden op de zaak gezet. In de kring van familie, vrienden en bekenden van mevrouw Wittenberg horen zij tal van getuigen. Maar dit geeft blijkbaar geen enkele keer aanleiding tot een arrestatie over te gaan. Het is bijna twee maanden na de moord. De recherche IJsselland lijkt op een dood spoor te zitten. Dan wordt, op 19 november, de fiscaal jurist Ernest L. aangehouden.
Op de dag van zijn arrestatie is Ernest L. 46 jaar. Een intelligente, maar eenvoudige man. De Amsterdammer groeit op in de buurt van het Amstel Station. Zijn vrouw, Anneke - ook een geboren Amsterdamse, maar afkomstig uit ‘Oost’ - ontmoet hij op een plaatstelijke danssschool. In 1982 trouwt Ernest met zijn jeugdliefde; het stel woont dan al een jaar of zes samen in Lelystad. Ze krijgen twee kinderen: dochter Sabine en zoon Jasper. Hoewel Anneke sinds haar achttiende last heeft van depressieve buien, waarvoor ze af en toe medicijnen slikt, omschrijven de echtelieden hun huwelijk als ‘heel gelukkig’.
Na zijn HBS-A studeert Ernest korte tijd psychologie aan de universiteit en later rechten. Beide studies zal hij niet afmaken. Ondertussen werkt hij, onder meer, tien jaar lang bij de PTT. Later zal hij in de avonduren alsnog zijn studie (fiscaal) recht voltooien.
In september 1999 is L. al weer een jaar of zes in dienst van de Vereniging van Artsen Assuradeurs (VVAA) in Zwolle. De vereniging regelt voor medici en paramedici schade- en levensverzekeringen, belastingzaken, de boekhouding, en er is zelfs een reisbureau bij de vereniging aangesloten. Ernest werkt op het belastingadvieskantoor. Hij heeft tweehonderd klanten voor wie hij de jaarrekeningen opstelt en de belastingaangiften verzorgt.
Voor zijn werkgever maakt L. lange dagen. Soms werkt hij zestig tot zeventig uur in de week. Hij is veel op pad met zijn stationwagen, een Volkswagen Passat. Het is gebruikelijk dat de artsen, die verspreid over het land wonen, aan huis worden bezocht. Vaak gebeurt dat ‘s avonds. Geen punt. Ernest mag graag autorijden en benut de reistijd om, zoals hij het zelf altijd wat plechtstatig uitdrukt, ‘over beroepsmatige zaken na te denken’.
Op zijn werk staat L. bekend als een evenwichtige, hardwerkende man. Vrienden en bekenden noemen hem nuchter, serieus, ‘op zich geen jolige broek’, en rustig. Eigenlijk is Ernest L. een beetje een saaie piet. Hij rookt niet en drinkt geen druppel (vindt hij niet lekker), is geen gokker en gaat elk jaar met de caravan op vakantie naar dezelfde streek in Zuid-Frankrijk en Spanje.
Maar Ernest L. is óók sinds enige tijd de nieuwe executeur-testamentair van mevrouw Wittenberg en de eerste voorzitter van de Dokter Wittenberg Stichting. Bovendien is het laatste telefoongesprek dat de weduwe rond half negen ‘s avonds voert van hem afkomstig. Wie wel eens een detective leest, weet hoe dit tot de verbeeldingskracht van inspecteurs kan spreken. Het ‘laatste telefoontje’ zal ook de Deventer politie buitengewoon gaan intrigeren.
De contacten tussen Ernest L. en de Wittenbergs stammen van enige jaren daarvoor. Via een collega van de VVAA is de fiscalist in aanraking gekomen met de psychiater-in-ruste Willem Wittenberg, die hem vraagt zijn belastingaangifte te verzorgen. Een eenvoudig en dus profijtelijk klusje, waarvoor L. eens per jaar het echtpaar bezoekt, dat enigszins op stand leeft in Deventer. Na Willems overlijden in 1996 komt hij iets vaker langs. Er moet gewoon even wat meer geregeld worden, zoals de afdracht van de successierechten. Volgens L. blijft het contact met Jaqueline al die tijd strikt zakelijk. Aanwijzingen van het tegendeel zijn nooit gebleken.
Wanneer Ernest in het voorjaar van 1999 mevrouw Wittenberg bezoekt om de jaarlijkse belastingaangifte te verzorgen, brengt de weduwe voor het eerst haar testament ter sprake, waarover zij ontevreden is. Zij wil dat na haar overlijden het geld wordt ingezet voor de hulp aan psychiatrische patiënten. Ze vraagt Ernest om advies. Hoewel hij weinig ervaring heeft met de materie (hij moet er de Elsevier-gids Schenken & Erven op naslaan) wil de fiscalist wel een handje helpen. Mevrouw Wittenberg blijkt haast te hebben, want die zomer wordt hij er op zijn vakantieadres nog over gebeld. Bij een volgende bezoek vraagt zij of hij na haar dood de erfenis wil afwikkelen. Aldus wordt Ernest L. benoemd tot executeur-testamentair en tevens tot eerste voorzitter van de dan nog op te richten Dokter Wittenberg Stichting.
Op 27 september 1999 – de maandag nadat het lijk is gevonden - hoort L. naar eigen zeggen voor het eerst dat mevrouw Wittenberg is overleden. In het weekend was hij samen met zijn vrouw in Antwerpen voor een feest van zijn werkgever. Als de politie hem van de moord op de hoogte stelt, is hij even geschokt, maar denkt hij al snel aan de ‘toestanden’ die hem te wachten staan. Er moet van alles geregeld worden, en hij heeft het al zo druk. Bovendien is dit de eerste keer dat hij zoiets doet.
Niettemin gaat L. voortvarend aan de slag met de afwikkeling van het testament. Hij schrijft brieven aan legatarissen, laat het antiek waarderen en haalt geld en sieraden uit haar kluis. Voor de tegoeden die vrijkomen opent hij een bankrekening. Twee collega’s van de VVAA assisteren hem bij zijn werkzaamheden: secretaresse Sabine Daenen en boekhouder John Balk, die respectievelijk secretaris en penningmeester van de stichting worden. Van een afstand volgt hij het politieonderzoek waar maar geen schot in lijkt te komen.
Althans, dat is de versie die L. van de gebeurtenissen geeft. Laat ik nog even in Ernests ‘hoofd’ blijven.
Op vrijdagmiddag 19 november 1999 verlaat Ernest L. kort voor drie uur het chique kantoorpand van de VVAA aan de Burgemeester van Roijensingel in Zwolle. Hij stapt in zijn stationwagon en rijdt naar het politiebureau in Deventer. De dag ervoor is hij door een agent gebeld met de vraag of hij even langs wil komen. Hij veronderstelt dat er ergens nieuwe tegoeden van mevrouw Wittenberg zijn gevonden. Daarvoor kwam hij wel vaker langs.
Om half vier parkeert hij zijn Volkswagen naast het politiebureau in het centrum van Deventer – foutgeparkeerd, maar hij vermoedt dat het wel mag. Hierna moet hij weer snel weg, want hij heeft nog een afspraak met een cliënt in Harderwijk. Daarna kan het weekend beginnen. Maar de afspraak in Harderwijk zal Ernest niet halen. Na even op het bureau te hebben moeten wachten, wordt hij gevraagd naar boven te gaan. In een kamer zit een vriendelijk ogende oudere man met een witte snor. De man vertelt dat hij verdacht wordt van de moord op Jaqueline Wittenberg. Het blijkt inspecteur (tevens hulpofficier van justitie) Jaap Visscher te zijn.
Wat Ernests reactie is, kan hij zich ook zelf niet meer herinneren. Misschien heeft hij iets gezegd in de trant van: “U begaat een ernstige vergissing.” Of: “Ik heb met die hele zaak geen snars te maken.” Misschien heeft hij wel helemaal niets gezegd. Het antwoord van de hulpofficier van justitie weet hij nog wel. Die zegt koeltjes: “Wij houden u niet zomaar aan, wij hebben sterke aanwijzingen op grond waarvan wij u verdenken.” Ernest mag nog één telefoontje plegen. Naar Anneke.
Waar de recherche IJsselland even heeft gedacht aan een moord met een emotionele achtergrond, is men er nu van overtuigd geraakt dat financiële beweegredenen in het spel zijn. Als voorzitter van de Dokter Wittenberg Stichting kan Ernest, zo redeneert men, na de dood van de weduwe eenvoudig de miljoenen uit de nalatenschap achterover drukken. Hij heeft dus een motief. Volgens de politie is hij die avond in Deventer geweest. Er is een vingerafdruk van hem in de woning van mevrouw Wittenberg – op de deur van de woonkamer - gevonden. En dan is er nog dat laatste telefoontje…
Gevraagd naar waar hij die bewuste donderdagavond 23 september 1999 is geweest, reconstrueert Ernest L. voor zichzelf nogmaals de dag.
Om half negen ‘s ochtends is Ernest vertrokken naar zijn kantoor in Zwolle. Een half uur later stapt hij alweer in zijn wagen, zet koers richting Deventer, waar hij om half tien een bezoek brengt aan mevrouw Wittenberg. De straat is opgebroken, aan de overkant van de woning zijn arbeiders bezig op hoge ladders. In de woning ruikt het naar spiritus, herinnert hij zich later. De fiscaal jurist verkrijgt van mevrouw Wittenberg, zoals de avond ervoor is afgesproken, een document over de grafrechten en Ernest wil alweer weg, als de weduwe vraagt of hij even wil gaan zitten. Dan vraagt zij L. welk belastingvrij bedrag zij kan doneren aan de Sint Jan, de kathedraal in Den Bosch waar zij is gehuwd. De fiscalist zegt het uit te zoeken en haar daarover later op de dag terug te bellen, springt in zijn stationwagen en rijdt naar Schalkhaar, een dorp nabij Deventer, waar hij een afspraak met een cliënt heeft.
Ja, Ernest heeft het maar druk die dag. Hij bezoekt diverse klanten.‘s Middags om drie uur luncht hij thuis. Hij smeert een paar boterhammen voor de avond. Dan weer op pad. Zijn laatste afspraak is om vijf uur in Amersfoort. Dat komt goed uit, want dit ligt op de route naar Utrecht, waar hij om zeven uur moet zijn voor een verplichte bijeenkomst van de Federatie van Belastingadviseurs. Even voor zevenen parkeert hij zijn auto in de buurt van De Jaarbeurs. Hij stapt de zaal binnen, tekent in voor de lezing, maar vindt het programma niet interessant en vertrekt. ‘Studiepuntjes scoren’, noemt hij dat.
Na een lange werkdag zit L. rond kwart over zeven in de auto en rijdt vanaf de Jaarbeurs over de A28 via Amersfoort en Harderwijk naar zijn woning in Lelystad. Hij kan een gedetailleerde beschijving geven van wat hij onderweg tegenkomt. Het is extreem druk op de weg, zelfs voor een donderdagavond. Voor de afslag Flevopolder, bij het viaduct te Harderwijk, loopt het verkeer helemaal vast. De weggebruikers worden gemaand op de rechter weghelft te blijven. Louwes ergert zich dat sommige automobilisten zo lang mogelijk links blijven rijden om dan op het laatste moment rechts in te voegen, en hij doet mee aan het bumper aan bumper rijden om dit te voorkomen. Dat zal ze leren!
Maar Ernest gaat zo op in het spel op de snelweg dat hij de afslag Harderwijk mist. Hij besluit de volgende afslag, bij ‘t Harde, te nemen. Via Elburg over de N302 kan hij dan het Veluwemeer oversteken. Hij kent de route op zijn duimpje, want als hij vanaf zijn kantoor in Zwolle naar huis rijdt, neemt hij ook altijd deze weg. Dan, het zal rond half negen zijn geweest, herinnert hij zich plotseling dat hij mevrouw Wittenberg nog moet bellen.
Om 20.36 uur belt hij vanuit de auto met zijn mobiele telefoon naar Deventer. Hij geeft de weduwe het bedrag door dat zij belastingvrij kan doneren aan de Sint Jan: het gaat om een bedrag van 1750 gulden. De belastingdeskundige geeft nog een flinke dot gas en ploft rond negen uur op de bank bij zijn Anneke. In Deventer is hij die avond niet geweest. Zijn vingerafdruk op de deur zal wel van het bezoek die ochtend zijn geweest. Zegt Ernest L.
Maar de rechercheurs betwijfelen of hij de waarheid spreekt. Het mobiele telefoongesprek dat Ernest om 20.36 uur vanaf de snelweg bij ‘t Harde zegt te hebben gevoerd, wordt niet aangeklikt door het dichtstbijzijnde basisstation in Wezep, maar door een station in Deventer. Ongeveer 22 kilometer verderop. Volgens de recherche, die een KPN-deskundige heeft ingeschakeld, is het vrijwel onmogelijk dat een mobiel signaal over zo’n afstand een basisstation kan aanstralen. Tussen ‘t Harde en Deventer staan ook diverse andere KPN-opstelpunten. Waarom zijn die niet aangeklikt?
Het laatste telefoongesprek dat mevrouw Wittenberg voert, duurt bovendien slechts zestien seconden. Zo kort, dat het niet voor de hand ligt dat allerlei informatie is uitgewisseld over een fiscaal bedrag, vindt de recherche. Logischer is het dat de verdachte iets heeft gezegd in de trant van ‘Ik kom er nu aan’ of ‘Ik parkeer even de auto’.
Kortom, Ernest L. moet op 23 september 1999 rond half negen ‘s avonds ‘in of in de onmiddellijke omgeving’ van Deventer zijn geweest. Kort daarna is de weduwe vermoord.
Ondertussen is op het politiebureau te Lelystad Anneke L. ondervraagd. De lezingen van de echtgenoten blijken aanmerkelijk te verschillen. Anneke denkt dat haar man niet om negen uur ‘s avonds, maar ergens tusssen tien en half elf is thuisgekomen. In dat geval heeft L., zo meent de politie, tijd genoeg gehad om iets na half negen de moord te plegen. Kortom: Ernest jokt, zijn zogenaamde alibi klopt niet.
Justitie heeft meer ijzers in het vuur. Bij de afwikkeling van het testament is L. hoogst eigenaardig te werk gegaan. In plaats van een rekening te openen op naam van de Dokter Wittenberg Stichting opent hij een ‘privé-rekening’. Er stond reeds allerlei geld op, dat uit de boedel was vrijgekomen. En daarmee houden de verdenkingen niet op. Ernests collega John Balk, die tevens penningmeester van de stichting is, verklaart dat L. de laatste tijd wel opvallend vaak over een leuk piéd-à-terre op Malta had gesproken. De politie vindt folders met aanbiedingen van vakantiehuisjes in de woning en in de auto van de verdachte. Blijkbaar had de executeur-testamentair al helemaal zijn zinnen gezet op de miljoenen uit de nalatenschap van mevrouw Wittenberg.
Maar het klapstuk van het recherchewerk moet dan nog komen.
Op 29 november wordt L. gevraagd of hij buisjes met lichaamsgeur wil afstaan voor een zogenaamde geuridentificatieproef. Een dag later stormt tijdens het verhoor een brigadier binnen. “Hebbes!”, roept die. De lichaamsgeur van de verdachte, zo heeft politiehond Spike aangetoond, komt overeen met de geur van een mes dat samen met een paraplu is gevonden in een portiekje vlakbij de woning van mevrouw Wittenberg. Dit mes zou het wapen zijn waarmee de weduwe is vermoord. Het komt qua vorm en lengte overeen met een bloedafdruk van het lemmet van een mes dat op de blouse van het slachtoffer is achtergebleven, meent de recherche. In de paraplu zou L. wel het moordwapen hebben willen verbergen, vermoedt justitie.
Na enige dagen op het politiebureau in Deventer te hebben doorgebracht, wordt Ernest L. overgeplaatst naar het huis van bewaring in Hoogeveen. Op last van de officier van justitie, mevrouw E.E.G. Duijts, verlengt de raadkamer van de Zwolse rechtbank tot tweemaal toe zijn gevangenhouding met dertig dagen. Er moet, zo is het argument, nog ‘verder worden gerechercheerd’ met het moordwapen en de blouse. Ruim honderd dagen brengt L. in voorlopige hechtenis door. Dan denkt het Openbaar Ministerie de zaak rond te hebben. De officier van justitie eist een gevangenisstraf van vijftien jaar wegens moord.
In eerste instantie lijkt het erop dat zij haar hand heeft overspeeld. Op 9 maart 2000 spreekt de rechtbank in Zwolle L. vrij wegens gebrek aan bewijs. Als hij op zijn werk terugkeert, staat er een groot boeket bloemen voor hem klaar. Het Openbaar Ministerie laat het er niet bij zitten en gaat in hoger beroep bij het gerechtshof in Arnhem. Een 'collegiale toetsing', legt Ernests advocate mevrouw mr. J.A. van der Lem, van het kantoor Kiers & Van der Lem in Deventer, haar cliënt uit. Dat zou wel vaker gebeuren bij misdrijven die de gemeenschap danig hebben geschokt. Ofwel: Ernest hoeft zich geen zorgen te maken.
Niettemin heef het appèl een onprettig gevolg. Wanner L.’s werkgever hoort dat er nu ook nog een hoger beroepsprocedure komt, wordt de belastingadviseur ontslagen. Middels een civiele procedure door de familie van mevrouw Wittenberg is hij enige tijd daarvoor al afgezet als executeur-testamentair en uit zijn functie van voorzitter van de Dokter Wittenberg Stichting geheven. Na een poos zonder werk te hebben gezeten, vindt de jurist een nieuwe betrekking op een accountantskantoor in Amsterdam. Hij verzwijgt dat er nog een rechtszaak boven zijn hoofd hangt, bang als hij is om ook deze baan te verliezen.
Eind 2000 is het hoger beroep in volle gang. Er zijn twee zittingen op een maandag, waarvoor L. een long weekend opneemt. De rechtszaak moet nu eenmaal geheim blijven voor zijn nieuwe werkgever. Hoewel hij gaandeweg het vertrouwen verliest in zijn advocate, die in de civiele advocatuur weliswaar ervaring heeft, maar op het gebied van strafrecht nog in haar stageperiode zit en voor wie dit haar eerste grote strafzaak is, maakt hij zich niet al te druk.
Achteraf gezien is het verbijsterend, maar op de dag van de uitspraak - vrijdagochtend 22 december 2000 - gaat Ernest L. ‘s morgens gewoon naar zijn werk. De kerstdagen staan voor de deur en hij heeft geen zin weer een volle dag vrijaf te nemen. Hij hoort het allemaal wel. Wanneer hij op het eind van de ochtend naar Lelystad rijdt, heeft hij iets anders aan zijn hoofd. Om half één schuift hij thuis achter de computer en begint aan een lange brief. Nadat hij naar zijn stellige overtuiging in hoger beroep zal worden vrijgesproken, wil hij een aantal personen, onder wie de officier van justitie, aanklagen wegens het manipuleren van het onderzoek en frauduleus handelen.
Een ernstige misrekening.
Kort na één uur wordt hij gebeld door een vriend, die wel bij het uitspreken van het vonnis in Arnhem aanwezig is geweest. Dan hoort hij dat het gerechtshof hem heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar. Een half uur later rijden twee auto’s, waaronder een polootje - L’s buurman is politieagent en heeft verzocht de arrestatie low profile te houden – voor de woning van het echtpaar L. aan De Peel in Lelystad. Ernest heeft zijn spullen al gepakt. Hij weet dat het opnieuw een eenzame kerst gaat worden. In de gevangenis krijgt Ernest een nieuwe advocaat toegewezen. Het is mr. Jan Boksem van het bekende kantoor van de tweelingbroers Hans en Wim Anker in Leeuwarden. Hoewel twee rechterlijke instanties op grond van dezelfde bewijsmiddelen tot een volstrekt uiteenlopend oordeel in deze strafzaak zijn gekomen, wordt het cassatieverzoek door de Hoge Raad op 20 november 2001 zonder motivering verworpen. Alle normale rechtsmiddelen zijn nu uitgeput.
Case closed, zo lijkt het.