© Ontworpen door Undercover
 

De Deventer moordzaak
Door Stan de Jong

 
 

Hoofdstuk IV. Een mes, een paraplu en de hond die blafte

Deventer, juli 2002.

Aan de Zwolseweg staan fraaie huizen. Als je het ‘gemaakt’ hebt in het leven, kun je hier gaan wonen, zeggen oude Deventenaren wel eens tegen elkaar. Makelaars en accountants hebben er hun kantoren, tandartsen en fysiotherapeuten houden er praktijk aan huis. Het is vandaag donderdag – net als toen – en het is blousjesweer. Keurige vrouwen fietsen voorbij op keurige rijwielen. Keurige kinderen spelen in al even keurig aangeharkte tuinen.

Op nummer 157, de vroegere woning van de Wittenbergs, is niemand thuis. Het huis wordt tijdelijk bewoond door een jong stel. De twee vinden het helemaal niet eng wat zich bijna drie jaar geleden in dit huis heeft afgespeeld, vertelt een passant die ‘ze wel kent’. Het heeft ook z’n leuke kanten. Peter R. de Vries is al eens langs geweest, hetgeen een diepe indruk heeft achtergelaten. En een crew van Netwerk was in de straat komen filmen. De passant tikt op zijn hoed en loopt door.

Een deur verderop, of beter gezegd: een deur terug, op nummer 155 dus, woont de familie Jorna. “We zijn hele gewone mensen, hoor”, zegt mevrouw Jorna, die vriendelijk de deur opendoet en best wil vertellen wat zij er allemaal van vindt. Binnen zit meneer Jorna in een bruine leren fauteuil. Voor hem op de grond ligt een stapel bidprentjes. Een hobby, vertelt hij. Meneer Jorna werkt voor de Franciskaner beweging in Nederland en is ‘import’. Mevrouw Jorna komt van origine wel uit Deventer. Ze is uitvaartverzorgster.

Met mevrouw Wittenberg hadden de twee niet veel contact, vertellen ze. Ze waren gewoon goede buren. De keren dat ze elkaar zagen informeerde Jaqueline altijd naar hun drie kinderen, die uit huis zijn. “Ze winkelde in Diepenveen, een deftig dorp in de buurt”, weet mevrouw Jorna nog te vertellen. “En ze zat op golf.”

Op de avond van de moord waren meneer en mevrouw Jorna niet thuis. Dochter Irene, die biologie studeerde in Utrecht, wel. En laat die er nou toevallig ook vandaag zijn. “Ik heb die avond helemaal niets gezien of gehoord”, vertelt Irene. “Ik zat te studeren en had waarschijnlijk ook muziek op staan.”

“Mevrouw Wittenberg sloop altijd door de woning”, vult mevrouw Jorna aan. “Je hoorde eigenlijk nooit iets.”

“Behalve als ze groenten stond te snijden in de keuken”, zegt meneer Jorna, die even opkijkt van zijn bidprentjes. “Dan ging het van hak-hak-hak.”

Tegenover de politie heeft Irene het allemaal verteld. Een rechercheur zei later nog: “U wilt niet weten hoe ze eruit ziet.” Vooral mevrouw Jorna is de zaak altijd blijven intrigeren. Ze heeft alle krantenknipsels bewaard. Dat er een meneer uit Lelystad voor de moord vastzit, weet ze dus ook. Om de een of andere reden heeft ze daar een ‘vreemd gevoel’ bij.

“Nou ja, er worden er hier zoveel vermoord”, zegt dochter Irene nuchter. “Deventer is een behoorlijk criminele stad.” Een week na de moord op hun buurvrouw werd een man gevonden op het Vogeleiland, een stadsparkje vlakbij het historisch centrum, op een voormalig bastion aan de Buitengracht. Het zou een afrekening onder woonwagenbewoners hebben betroffen. “Kampersvolk, noemen wij dat hier”, licht mevrouw Jorna toe. “Of kampachtige mensen.”

Zelfs op de keurige Zwolseweg heb je rare vogels. “Twee randfiguren lopen hier elke dag voorbij”, zegt Irene. “Een vent van een jaar of vijftig en een wat jongere man.”

“We willen daarmee niks suggereren, hoor”, zegt mevrouw Jorna.

“Nee, hèhè”, zegt Irene. “Het ís toch gewoon zo.”

Mevrouw Jorna vond het vreemd dat de poltie het echtpaar nooit heeft ondervraagd. Of eens een kijkje is gaan nemen bij hen in de tuin. “Wilt u het achteren even zien?”, vraagt ze. Irene zucht hoorbaar. “Mà-hàm….” Kennelijk heeft moeder Jorna wel vaker mensen gevraagd of die het ‘achteren’ willen zien.

We lopen naar de tuin. Normaal gesproken kun je vanaf hier de slaapkamer van mevrouw Wittenberg goed zien. Nu is het een beetje verwilderd. Mevrouw Jorna wijst op een plas water. Ze noemt het een ‘vijvertje’. Het water is troebel, je kunt niets zien, maar er schijnen vissen in te zitten. “Soms vraag ik me wel eens af, hè...”, zegt ze. “Zou de moordenaar hier het mes niet in hebben gegooid? Ik heb er wel eens over gedacht om het uit te baggeren.”

“Goh”, zeg ik. “Maar het mes is toch ergens anders gevonden? In een portiekje in de buurt?”

“Tsja….”, zegt mevrouw Jorna. “Ik weet het niet, hoor. U moet daar straks zelf maar eens gaan kijken.”

Vlakbij de woning aan de Zwolseweg ligt de T.G. Gibsonstraat 15F, de plek waar het moordwapen is gevonden. Tenminste, volgens de Deventer politie, het Openbaar Ministerie en de raadsheren van het hof in Arnhem die L. veroordeelden, is het ‘vlakbij’. In werkelijkheid ligt het anderhalve kilometer verderop. Met een redelijk tempo toch al snel tien minuten tot een kwartiertje lopen. Aan je linkerhand passeer je dan de Heilig Hart-kerk, waar mevrouw Wittenberg op zondagen naar toe ging. Aan het eind van de Zwolseweg kom je op een rotonde, loop je onder een spoorwegviaduct door, waar aan weerszijden plantsoenen en vijvers liggen. Ideale plekken om het corpus delicti te lozen, zou je zeggen.

Maar zo gemakzuchtig maakt Ernest L. zich er niet vanaf. De ‘koelbloedige moordenaar’ steekt, als we de politie mogen geloven, schuin rechts de T.G. Gibsonstraat in. Hij passeert een eetcafé, loopt met zijn mes (en paraplu) door de drukke winkelstraat, slaat rechts een piepklein steegje in, waar hij uitkomt op de binnenplaats van de appartementencomplexen van de T.G. Gisonstraat 15 F.

Recht voor hem ziet hij nu een portiek dat met een trapje naar beneden loopt. Hier bevinden zich de bergruimten waar de bewoners van de ‘hoge nummers’ hun fietsen kunnen stallen. Niks voor Ernest. Hij mag dan zojuist iemand hebben vermoord, haast om het moordwapen te lozen, heeft hij duidelijk niet. Hij dwaalt even rond, loopt een stukje naar rechts, waar hij een identiek portiekje - voor de ‘lage nummers’ - ontwaart. Dit nu staat hem blijkbaar meer aan. Hij gooit of legt het mes en de paraplu beneden neer, loopt het hofje uit, pakt ergens zijn stationwagon (in de nabijgelegen parkeergarage soms?) en tuft richting Lelystad waar hij, alsof er niets gebeurd is, op de driezits bij Anneke ploft.

Niemand die hem die drukke donderdagavond in het centrum van Deventer heeft gezien.

Een nogal ongeloofwaardig verhaal.

Dat vindt ook een mevrouw die, met een kilozak aardappelen onder haar arm, net het hofje op komt lopen. Ze heeft wit haar en sproeten en woont in hetzelfde gebouw als de vinder van het moordwapen. “De moordenaar zou vanaf de Zwolseweg hiernaartoe zijn gelopen om zijn mes te lozen? Ja, da-hag!”

Volgens de officier van justitie komt bijna nooit iemand op dit hofje. Waarmee gezegd is: Ernest kon het moordwapen hier die bewuste donderdagvond ongemerkt neer leggen. Maar ik tref het dan maar weer. Binnen vijf minuten staat er nu ook een man met een guitig gezicht voor mijn neus. Hij zwaait met een sleutelbos. “Dat hele verhaal van dat mes. Daar geloof ik niks van”, zegt hij. “Waarom zou hij dat nou uitgerekend in ons portiekje komen leggen? Hij woonde toch in Lelystad? Daar liggen toch enorme plassen water? Voor mijn part had hij het ergens in de polder begráven! Maar hier?”

De twee bewoners vinden het ‘eigenaardig’ dat het moordwapen al enige dagen in hun portiek zou hebben gelegen voordat de politie het in beslag nam. Ze komen er elke dag. “Een mes? Nooit gezien!”, zegt de man. “En ik pak elke dag de fiets hier beneden.” Ook als het regent, zoals in die dagen? “Jazeker”. Hij knipoogt. “Goed, hè?”

Op donderdag is het altijd druk in de achter het hof gelegen straat, vertellen ze. Ook na negen uur, als de winkels gesloten zijn. “Er wonen in Deventer studenten”, zegt de vrouw met de sproeten betekenisvol. Dat niemand L. hier heeft zien rondscharrelen, is dan ook merkwaardig.

Al even curieus vinden ze het dat bij het hofje nooit een buurtonderzoek is gehouden door de politie. “Ons is nooit iets gevraagd”, roepen de man en de vrouw in koor. Dat was dus wel nuttig geweest. Ook gezien het feit dat de getuigenis van de man die het mes vond, ene meneer Massink, nogal zot is. Zo verklaarde hij tegenover de politie dat hij het mes met de mouw van zijn slobbertrui had opgepakt en het in de kelder achter de gesloten deur had gelegd, omdat het hem ‘gevaarlijk’ leek. Maar op de dag dat hij het mes vond, op zaterdagmiddag 25 september 1999, was hem nog helemaal niets bekend van een moord. Daarover las hij pas ‘s zondags 26 september op de kabelkrant, nadat hij van ‘het voetbal’ terug was gekomen.

“Ik zag toen dat er in Deventer aan de Zwolseweg een vrouw was vermoord”, verklaart Massink op 11 november 1999. “Ik zag dat de vrouw door messteken om het leven was gebracht. Mij schoot toen het mes te binnen. Ik heb toen mijn schoonmoeder gebeld en haar gevraagd wat ik moest doen. Zij adivseerde mij de politie te bellen - hetgeen ik dan ook heb gedaan. Die avond kwam er politiepersoneel en deze namen het mes en de paraplu mee.”

Waar Massink zich die zondag plotseling realiseerde dat het mes (“een soort vleesmes”, “circa dertig centimeter lang”, met “een chroomkleurig lemmet”) wel iets met de moord te maken kon hebben, dacht hij aanvankelijk dat het voorwerp misschien wel bij een verhuizing kon zijn achterlaten. Samen met die paraplu dus. “Op dat moment had ik het idee dat het mes en de paraplu uit een doos of iets dergelijks gevallen waren”, verklaart hij. Maar de enige die bewoners in die dagen met dozen in de kelderboxen hebben zien slepen, zo blijkt uit een onderzoek door het particulier recherchebureau De Rijk, in opdracht van Ernest L., was Massink zèlf. En waarom zou het mes achter de toegangsdeur van de bergingsruimten trouwens minder ‘gevaarlijk’ zijn dan ervoor? “Nadat hij het mes en de paraplu had gevonden, heeft hij het aan de andere kant van de toegangsdeur tot de kelderbox neergelegd”, schrijft bureau De Rijk. “Niet in zijn eigen kelderbox dus. Iedereen die vanaf dat moment in die ruimte is geweest kon het mes dus zien of aanraken.”

Eigenaardig is ook dat de vinder op de terechtzitting van het hof in Arnhem, waar hij als getuige optrad, verklaarde dat in de twaalf appartementen ‘ook studenten wonen’, maar dat die ‘geen gebruik maken van de kelder’. Hoe Massink dit zo stellig wist, is vers één, maar erg logisch is het niet. Je zou denken dat studenten ook wel eens hun fiets uit de kelderbox halen. Of zijn Deventer studenten anders dan studenten in de rest van Nederland? Verplaatsen ze zich alleen te voet, of per taxi?

Zou buurman Massink het hele verhaal soms uit zijn duim hebben gezogen?

“Remon? Neuh”, zegt de man met het guitige gezicht. Hij steekt een duim op. “Hele normale vent. Klaagde wel wat veel over geluidsoverlast.” Ik besluit toch maar eens bij Massink aan te bellen. “O. Dat heeft geen zin. Die is kort geleden verhuisd.”

Dat Massink zelf met ‘de hele gang van zaken rond de affaire’, zoals hij het zelf omschreef, in zijn maag heeft gezeten, blijkt wanneer de onderzoekers van bureau De Rijk hem in 2001 spreken. “De heer Massink had nadrukkelijk tegen de poltie gezegd dat hij overal buiten wilde blijven en dat zijn naam niet bekend mocht worden”, schrijven ze in hun rapport. “Vervolgens werd zijn naam volledig vermeld in de krant en werd hij zelfs op het gemeentehuis door een ambtenaar aangesproken op het voorval. Dit alles heeft enorm veel kwaad bloed bij hem gezet.”

Overigens is het niet eens zeker of het mes al niet vóór de donderdagavond van de moord in het portiek lag. De vinder was, zo verklaarde hij, op de zaterdag dat hij het aantrof al twee dagen (dus op vrijdag en donderdag) niet meer beneden geweest. De twee buurbewoners die ik spreek, schudden het hoofd. “Het is wel zielig voor die meneer die nu in de gevangenis zit”, meent de man. “Kijk, of hij het gedaan heeft, weten we natuurlijk niet”, zegt de vrouw. “Maar dat mes… daar klopt iets niet aan. Vreemd.”

En het kan nog gekker. Het is sterk de vraag of het mes überhaupt wel iets met de moord van doen heeft. Niet alleen werden op het hagelnieuwe keukenmes van het merk Maître – rostfrei solingen geen dactyloscopische sporen (vingerafdrukken) of bloedsporen aangetroffen – het volledig verwijderen van bloedsporen is zonder chemische reiniging vrijwel onmogelijk – het mes líjkt niet eens op het moordwapen. Dat schrijven meneer en mevrouw Waisvisz in hun rapport, dat in november 2001 het licht ziet. Een conclusie die door twee deskundingen van TNO is bevestigd.

Na bestudering van een bloedafdruk van het lemmet op de blouse van het slachtoffer toont bureau Waisvisz aan dat het moordwapen een mes met een haaientandvorm moet zijn geweest. Daarentegen is het in het portiek gevonden mes een rechttoe-rechtaan keukenmes. Aan één zijde van de vijf snijgaten in de blouse zijn bovendien rafels te zien (een stukje stof ontbrak zelfs) die erop kunnen duiden dat het mes in de blouse is blijven haken, bijvoorbeeld door een inkeping in het lemmet, zoals men bij bepaalde koksmessen ziet. Ook dit gegeven komt niet overeen met een simpel vleesmes. Maar het meest tot de verbeelding sprekende bewijs dat het mes niet het moordwapen is, is dat het een lemmet van bijna achttieneneenhalve centimeter heeft. Terwijl er vijf bijna exact tien centimeter diepe steekkanalen in de borst van het slachtoffer zaten. Krijg dat maar eens voor elkaar...

Nee, als er al een mes is gevonden in de T.G. Gibsonstraat, dan had het vermoedelijk niets met de moord te maken. Misschien vond de Deventer politie dat uiteindelijk zelf ook. Vier maanden na de vondst van het eerste mes dook ineens een ander mes ‘in de buurt’ op, dat naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Rijswijk werd opgestuurd voor onderzoek in deze zaak. “Of gebeurt dat soms met elk mes dat in de omgeving van Deventer wordt gevonden?”, schrijft Bureau Waisvisz. “Geen wonder dat de politie zo overbelast is”, voegt mevrouw Waisvisz er snedig aan toe. Overigens zitten ook op het tweede mes geen vingerafdrukken van Ernest L., bevat het geen bloedsporen en komt het qua vorm niet overeen met de bloedafdruk op de blouse van Jaqueline Wittenberg.

Goed. Maar hoe zit het dan met de geursorteerproef? Politiehond Spike had toch duidelijk geroken dat het mes ‘geurovereenkomst’ met Ernest L. vertoonde? Dan moet die het toch in elk geval hebben beetgepakt?

Laat ik beginnen met vast te stellen dat een geursorteer- of geuridentificatieproef geen onomstreden bewijsmiddel is. Sommige lezers zullen zich de Zaanse paskamermoord herinneren. In 1984 werd Sandra van Raalten vermoord in een boetiek in Zaandam. Gekneveld met repen gordijn was ze in een pashok gevonden. Na twee jaar vergeefs speuren viel de verdenking op fietsenhandelaar Rob van Zaane, die wel van een pittig potje sm-seks hield. Politiehond Tim snuffelde aan een buisje met geur van de verdachte, kwispelde dat het een lieve lust was en de rijwielhouder werd door de Haarlemse rechtbank veroordeeld tot twaalf jaar.

Maar in hoger beroep liet advocaat mr. P.H. Doedens geen spaan heel van het bewijsmateriaal en van de geurproef. De verdachte, die trouwens minder van ‘s’ dan van ‘m’ bleek te houden, werd vrijgesproken. Nu kunnen juristen recht praten wat krom is, zeker iemand van het kaliber Doedens. Maar de geachte confrère bleek het ditmaal niet alleen op formeel-juridische gronden bij het rechte eind te hebben. Begin 2002 werd met behulp van DNA-onderzoek de werkelijke moordenaar gevonden. Die was overigens al enige tijd daarvoor overleden. Een typisch geval van ‘de dader ligt op het kerkhof’. Het stond nu vast: Tim had te vroeg geblaft en Van Zaane was onschuldig.

Over de zin en onzin van geursorteerproeven valt veel te vertellen. Zeker is dat het een populaire methode is. Jaarlijks vinden ongeveer 1500 proeven plaats, veelal met speciaal voor dit doel getrainde herders van speurhondenscholen. Zeker is óók dat het wel vaker mis gaat. De liefhebbers verwijs ik naar het boek ‘Dubieuze zaken. De psychologie van strafrechtelijk bewijs’ (uitgeverij Contact, 1992) van H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen en W.A. Wagenaar, waarin enkele saillante gevallen staan beschreven.

Aan de tenuitvoerlegging van een geurproef worden dan ook terecht nogal wat eisen gesteld. Ten eerste moet natuurlijk het voorwerp waarvan het vermoeden bestaat dat de geur van een dader eraan is blijven hangen goed worden veiliggesteld. Meestal zal dit op de plaats delict gebeuren. Het voorwerp dient met een steriele tang te worden opgepakt en in een speciale plastic zak te worden bewaard. Wat ook kan, is dat er een geprepareerde doek op het voorwerp wordt gelegd, die de geursporen overneemt. Dit laatste gebeurde met het in de T.G. Gibsonstraat gevonden mes.

Hoe gaat zo’n geursorteerproef verder in zijn werk? Een verdachte krijgt twee roestvrij stalen buizen in zijn handen. Hij moet die enkele minuten vasthouden. Tot er voldoende lichaamslucht op is achtergebleven. Vijf ‘figuranten’ of ‘bijleggers’ en een controlepersoon doen hetzelfde. Er moet nu eenmaal iets te kiezen vallen - vergelijk het met een line up van verdachten ofwel, zoals die in het jargon heet, een Oslo-confrontatie. De buizen met lichaamsgeur worden gestopt in steriele glazen potten, afgesloten met een deksel en gewaarmerkt met een nummer. Vervolgens worden de veertien ‘geurdragers’ op twee ‘identificatiecatiebanken’ gelegd. Op elke rij dus zeven stuks.

Eerst vindt er op elke rij een testproef met de controlepersoon en een controlevoorwerp plaats. Als die testen tot tevredenheid zijn verlopen – de hond heeft de geur van controlevoorwerp (template) en controlepersoon (target) aan elkaar gelinkt (match) en mag dus met recht een uitstekend snuffelaar worden genoemd – kunnen die twee buisjes weg en kan de echte proef van start. Een hondengeleider laat de hond aan het corpus delicti - in dit geval dus de doek met geursporen van het mes – ruiken en het dier gaat op de rij met de overgebleven zes buisjes lichaamslucht zoeken. Als de hond bij een buisje springt en kwispelt, laat een ‘gecertificeerd helper’ het beest los en mag de hond het buisje apporteren. De proef wordt herhaald op de andere rij.

Wanneer tweemaal het buisje van de verdachte wordt geapporteerd, klinkt er vermoedelijk een triomfantelijk gejuich op bij de hondenbegeleider en zijn helper. Dan is het bingo. Van de hele sessie wordt een proces-verbaal opgemaakt. Of daarin staat wat er werkelijk is gebeurd, weet natuurlijk niemand (of er wel eens video-opnamen van het spektakel worden gemaakt is mij niet helemaal duidelijk), behalve dan weer de begeleider, zijn helper – alle twee politiemensen - en eventueel Tim of Spike. Alleen zullen die laatsten nooit van het tegendeel kunnen getuigen. En zullen die eersten daar wellicht geen behoefte aan hebben.

Nu worden niet alleen strenge eisen gesteld aan de wijze waaróp de proef gebeurt, maar ook aan de voorwaarden waarónder die mag plaatsvinden. Je kunt nu eenmaal niet zomaar elk voorwerp onder de neus van Tim of Spike wrijven - hoe goed afgericht deze Mechelse herders ook zijn.

Op dit punt nu lijkt bij Ernest L. alles mis te zijn gegaan wat mis kon gaan. Ten eerste was het mes al dagen aan weer en wind blootgesteld in het portiek. Het had eind september hard geregend en het was modderig in het hofje van de Gibsonstraat. De bestrating was nog niet eens klaar. Ten tweede had een andere persoon dan de verdachte, meneer Massink, het voorwerp vastgepakt. Met zijn slobbertrui weliswaar, maar de kans dat de geur van de verdachte geheel of gedeeltelijk was verdwenen of was vermengd met andere geuren was aanzienlijk. Onder dergelijke omstandigheden wordt het hoogst onverstandig gevonden nog een geursorteerproef te doen.

Daar komt nog iets bij.

Een beruchte zwakke stee in de geurproef vormt de groep van ‘figuranten’ of ‘bijleggers’. Wanneer de vijf bijleggers om de een of andere reden allen meer naar elkaar ruiken dan naar de verdachte, zou alleen al om die reden een hond kunnen aanslaan. Vandaar dat sterk wordt afgeraden een homogene groep bijleggers te gebruiken. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Stel, de verdachte is een Hindoestaan die graag en veel knoflook eet. De vijf bijleggers zijn Hollanders die van boerenkool met worst houden. Een speurhond snuffelt aan (de geurdoek van) het voorwerp, wordt langs de zes buisjes met lucht geleid en blaft bij het buisje met de lichaamsgeur van de verdachte Hindoestaan. Het beest heeft feilloos de enige knoflooketer eruit gehaald.

Bij de geurproef die zo’n fatale gevolgen had voor Ernest L. was er ook zo’n homogene groep bijleggers. Alle figuranten waren voor zover bekend politieagenten. Misschien roken die wel naar hetzelfde stoffige politiebureau, hadden ze dezelfde deurklink vastgepakt of alle zes hun handen vantevoren met Fa gewassen – en alleen Ernest met een zeepje Zwitsal.

Een geharnast tegenstander van de geursorteerproef is experimenteel psycholoog en smaak- en geurdeskundige dr. J.E.R.F. Frijters. Volgens hem is een hondenproef met bijleggers een soort Russische roulette. “Zo’n beest wordt helemaal in verwarring gebracht”, zegt Frijters. Waarom zou je, zo redeneert hij, als je wilt kijken of de geur van een ‘verdacht’ voorwerp (corpus delicti) bij de geur van een ‘verdacht’ persoon hoort, een hond aan de geur van vijf ándere personen laten snuffelen “Stel, het gaat niet om het vergelijken van geuren, maar om het vergelijken van rokken. En ik wil uitzoeken of een bepaalde rok van uw vrouw is of van uw buurvrouw. Dan ga ik toch ook niet alle rokken in het winkelcentrum bij u in de buurt verzamelen?”

Een (valse) veronderstelling die aan de geurproef ten grondslag ligt, is dat ieder mens een unieke lichaamsgeur heeft en dat speurhonden die kunnen herkennen. “Quatsch”, vindt Frijters. “Iemands voeten ruiken heel anders dan iemands handen, oksels of benen. Dat ieder mens een onderliggende ‘grondgeur’ heeft, die bestaat uit bepaalde vetzuren, zoals wel wordt beweerd, is nooit aangetoond.”

Een gegeven dat te meer wringt, gezien het feit dat bij de geurproef de lucht van de handen allesbepalend is, terwijl de geur op het corpus delicti wel eens een heel andere herkomst kan hebben. Om bij de Deventer moordzaak te blijven: misschien had de dader het (vermeende) moordwapen wel na de moord in zijn schoen of onderbroek gestopt, en was de dominante geur op het mes afkomstig van zijn voeten of genitaliën.

In de praktijk kan het nog doller, weet Frijters. Zo had hij als getuige-deskundige eens te maken met een zaak waarin iemand van een serie ramkraken van geldtransportwagens werd verdacht. Er werd een geurproef gehouden met als geurmonster een doek die was genomen van de zitting van een shovel waarmee de kraak zou zijn gezet. Die werd vergeleken met de handgeur van de verdachte. Terwijl diens zitvlak toch meer voor de hand had gelegen.

Twijfelachtig is het ook of honden de ‘grondgeur’ van individuen – voor zover die al bestaat – kunnen onderscheiden. Amerikaans onderzoek wees uit dat honden de geur van de hand van hun baasje niet konden herkennen aan de geur van de (kromming van de) elleboog. Sterker, de handgeur van de baas werd eerder geassocieerd met de handgeur van een andere persoon. Ergo: kennelijk vertonen dezelfde lichaamsdelen van verschillende personen meer ‘geurovereenkomst’ dan de verschillende lichaamsdelen van dezelfde persoon. Daarbij komt nog dat de lichaamsgeur van een verdachte geen statisch gegeven is. “Een persoon kan anders zijn gaan eten en drinken, bepaalde ziekten hebben gekregen of in een andere omgeving zijn gaan werken. Allemaal factoren die zijn lichaamsgeur beïnvloeden”, legt Frijters uit. Dat geurproeven weken, maanden, ja soms zelfs jaren na het misdrijf worden uitgevoerd, is in dit licht bezien geen geruststellend gegeven.

Een fundamenteel bezwaar tegen de geursorteerproef is dat er niet wordt gemeten, maar geschat. In vonnissen wordt niet voor niets de bezwerende formule gebruikt: “Er is geurovereenkomst geconstateerd met…” Een geur is in feite een subjectieve gewaarwording. In fysische zin moeten we eigenlijk van geurstoffen spreken, zegt Frijters. Dit zijn complexe mengsels van verschilllende moleculen in de lucht. Voor zover het al mogelijk is die te meten, wordt in de fysica gebruik gemaakt van verfijnde instrumenten als gaschromatografen. Even wat nauwkeuriger dan de koude natte neus van een herdershond.

Een geursorteerproef is dan ook geen identificatiemiddel, maar een selectiemiddel, betoogt Frijters. Omdat de speurhond is geconditioneerd een buisje te apporteren - en daarvoor wordt beloond – zal hij geneigd zijn een keuze te maken uit de hem voorgelegde handmonsters, zelfs al zou er weinig of geen geur aan het corpus delicti zitten. Daarbij zoekt het beest naar het geringste verschil tussen het aangeboden voorwerp en de zes geurmonsters, waaronder die ene van de verdachte. Maar dit verschil is relatief, want afhankelijk van de bijleggers.

“Stel”, verduidelijkt Frijters, “dat het hier niet gaat om het vergelijken van geuren, maar van kleuren. Een proefpersoon zal de kleur van een paarse tulp als meer gelijk aan die van een rode tulp beoordelen, wanneer die paarse tulp zich bevindt temidden van vijf tulpen met elk een schakering van de kleur geel. Maar wanneer die paarse tulp tussen vijf tulpen met een paarse kleurschakering staat, wordt de kans op gelijkenis met de rode tulp een stuk kleiner.” Kortom, een verdachte kan geluk of pech hebben met de relatieve geurverschillen tussen de zes buisjes met lucht.

Een andere onzekere variabele in de geuridentificatieproef is de kwaliteit van de hond. Evenals het reukvermogen van mensen kan verschillen, is de ene Mechelse herder de andere niet. Over de individuele prestaties van speurhonden zijn echter geen gegevens bekend. Duidelijk is wel dat in een groot aantal gevallen de speurhond niet door de controletesten komt. In dat geval wordt het brave beest weliswaar gediswalificeerd voor de betreffende proef, maar het verdwijnt niet voorgoed in een dierenasiel – de hond wordt weer ingezet bij volgende geurproeven.

“Waarmee er nog een kanselement wordt toegevoegd”, zegt Frijters hoofdschuddend. “Als je toevallig Spike ontmoet, kun je het als verdachte wel schudden. Of kom je als dader misschien juist goed weg. Want dat is natuurlijk de andere kant van de medaille.”

Ook de rol van de hondenbegeleider mag niet uit het oog worden verloren; die zou het proces weleens kunnen sturen. In het huidige protocol – ten tijde van de Zaanse paskamermoord was dit nog anders – is dan wel voorgeschreven dat de begeleider niet weet welke van de zes buisjes op de identificatiebalk die van de verdachte is. Maar hij weet wel dát er een verdachte is, en waarvan die wordt beschuldigd. Aan onderzoek dat niet onder dubbelblind-condities plaatsvindt, wordt in de wetenschap doorgaans weinig waarde gehecht. “Want je kunt je voorstellen hoe het er op zo’n politiebureau aan toe kan gaan”, zegt Frijters. “Een rechercheur zegt tegen die hondenbegeleider: heb je gehoord wat voor een smeerlap deze verdachte is? Laten we Rex er maar opzetten; die is de laatste tijd goed in vorm.”

Een gokje wagen is een leuk tijdverdrijf. Maar een rechtszaal is geen casino. Hoe vaak zou het voorkomen dat iemand op grond van een geuridentificatieproef ten onrechte wordt veroordeeld? Niemand die het weet. Wat men wel weet, is dat simulatie-proeven geen hoopgevende uitkomsten geven over de betrouwbaarheid van de geuridentificatie. Uit een zo’n simulatie bleek bijvoorbeeld dat speurhonden, wanneer ze een keuze maakten uit zes handmonsters en het zeker was dat het buisje met lichaamsgeur van de verdachte er niet tussen zat, de dieren in tien procent van de gevallen de verdachte toch konden ‘identificeren’. En in een test waarbij het luchtmonster van de verdachte er wel tussenzat, en de hond een keuze maakte uit de zes monsters, werd in 56,6 procent van de gevallen het verkeerde buisje geapporteerd. Aangezien deze simulaties onder ideale omstandigheden werden uitgevoerd, zal de betrouwbaarheid in de praktijk nog wel eeen stuk lager uitvallen. “Maar ach, wat heeft een verdachte aan percentages”, zegt Frijters. “Voor hem geldt alleen de uitkomst van de proef, en die is binair: hij heeft het corpus delicti aangeraakt, of niet.”

Volgens dr. Frijters zou de geuridentificatieproef dan ook zo snel mogelijk als bewijsmiddel in strafzaken van tafel moeten. Andere deskundigen gaan minder ver. Maar ze wijzen er wel op dat een minimale voorwaarde is dat de proef wordt uitgevoerd met voorwerpen die een direct verband houden met het gepleegde misdrijf. Bij voorkeur zouden ze op de plaats delict moeten zijn aangetroffen - juist omdát honden fouten maken.

Ook op dit punt is het echter behoorlijk mis gegaan bij Ernest L. Het ‘verdachte’ voorwerp betrof immers een willekeurig mes dat slechts een vage gelijkenis vertoonde met het moordwapen en op anderhalve kilometer van de woning van mevrouw Wittenberg werd aangetroffen. De vraag is nu of de getuige-deskundige die voor het Hof in Arnhem braaf getuigde dat de geurproef rechtmatig was verlopen, dr. G.A.A. Schoon, dit allemaal wist. Een vraag die verderop in dit boek nog een belangrijke rol gaat spelen.

Om een lang verhaal kort te maken: de geuridentificatieproef met het keukenmes had onder deze omstandigheden nooit gehouden mogen worden. Dat vindt ook de bekende rechtspsycholoog prof. P.J. van Koppen, die als een expert geldt.

We hebben het nog niet eens gehad over de gevonden paraplu. De verdachte zou die, zo meende de recherche, wellicht kunnen hebben gebruikt om het mes in te verbergen. Daarom werd op zondag 26 september 1999, de dag dat de politie het mes in het hofje in beslag nam, ook de paraplu veiliggesteld. Er werden geursporen met een doek vanaf genomen, waarmee later een geursorteerproef werd gehouden. Dit maal mocht Rex snuffelen.

Uiteraard moest de paraplu zelf keurig in een speciale plastic tas naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Rijswijk worden gebracht. Net als het mes zou het voorwerp immers moeten worden onderzocht op DNA-materiaal, bloedsporen en vingerafdrukken.

Maar hier hopen de kafkaëske toestanden zich helemaal op.

Wanneer ik in december 2002 het dossier nog eens doorneem, stuit ik op het verhoor van de schoonmaakster van Jaqueline Wittenberg, mevrouw Koerhuis. Op 27 september 1999 – de maandag na de moord - werd mevrouw Koerhuis rond half acht ‘s avonds op het bureau van de politie te Deventer ondervraagd. Vlak daarvoor had zij samen met een agent een kijkje genomen in de woning van het slachtoffer op de Zwolseweg. Uit het proces-verbaal: “Tevens werd haar de gevonden paraplu getoond.”

Een intrigerend zinnetje. Men zou hebben verwacht dat de paraplu net als het mes die middag naar het NFI in Rijswijk was gebracht. Maar hoe kan het dan dat de huishoudster het ‘s avonds te zien kreeg? Ik besluit mevrouw Koerhuis maar eens te bellen.

“Wat was het voor paraplu, mevrouw Koerhuis?”

“Nou, zo’n inklapbare, ik geloof dat er spikkels op zaten.”

“Herkende u het ding?”

“Dat vroeg die agent ook al… ik ben er vrij zeker van dat de paraplu niet van mevrouw Wittenberg was.”

“Heeft u de paraplu in uw handen gehad?”

“Nee, alsjeblieft zeg, het was te vies om aan te pakken”

“Te vies om aan te pakken?”

“Er zat modder en vuil op.”

“Maar het zat toch in een speciale plastic zak?”

“Nee hoor, de paraplu lag gewoon open en bloot achterin de kofferbak van de agent.”

“Dank u.”

Twee maanden later lees ik in de krant dat rechercheurs in Enschede met een sportbroekje op hun kop door het plaatselijke politiebureau hosten. Het broekje was afkomstig van de verdachte van de vuurwerkramp, André de V., die later werd vrijgesproken. Er zouden kruitsporen op zijn aangetroffen.

Tja. Wie zich wel eens afvraagt waarom er soms criminelen op vormfouten worden vrijgesproken, weet nu waarom: de klunzigheid van de recherche is soms onthutsend. Want hoe kon de paraplu eventueel nog als bewijsmiddel worden gebruikt tegen Ernest L. als de agenten er zo slordig mee om waren gesprongen? De kans dat er na de vondst nog sporen op terecht waren gekomen, was aanzienlijk. Moest niet de hoogste zorgvuldigheid in acht worden genomen als het ging om het veiligstellen en bewaren van voorwerpen in het opsporingsonderzoek? Was er anders geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs? Een Spong, een Doedens, een Moszkowicz – ze hadden er ongetwijfeld gehakt van gemaakt. Maar ja, Ernest hád geen Spong, Doedens of Moszkowicz, hij had een onervaren jonge pro-deo advocate voor wie dit haar eerste grote strafzaak was.

Alleen... was dit alles nog wel klungeligheid? Of is er gemanipuleerd door politie en justitie? Is Ernest L. minder paranoïde dan we aanvankelijk dachten en is de verdachte er ‘ingeluisd’, zoals hij zelf beweert? Eerlijk gezegd: het lijkt er sterk op.

Hoe is het de paraplu namelijk verder vergaan? Terwijl het mes op maandag 27 september 1999 als onderzoeksmateriaal in ontvangst werd genomen door het NFI, kwam de paraplu pas op 3 december (sic!) in Rijswijk aan. Het ding werd samen met Ernests pantalon door de technische recherche IJsselland gebracht. ‘Van de verdachte Ernest L.’ staat er bij de beschrijving van het onderzoeksmateriaal. Nogal voorbarig, want het was maar helemaal de vraag of de paraplu van L. was. Relevanter was de vraag of hij het ding de avond van de moord in handen had gehad – en dát moest nog worden uitgezocht middels een geurproef.

(Dat het bij elkaar stoppen van materiaal dat op of nabij een plaats delict is gevonden en materiaal dat in beslag is genomen bij een verdachte nogal een riskante manier van opereren is, is een kwestie die verderop in dit boek aan de orde zal komen.)

Op 6 december 1999 vond in Apeldoorn dan eindelijk de geuridentificatieproef met de (geurdoek van de) paraplu plaats. Rijkelijk laat – het was een week nadat in een politiebureau te Deventer de handmonsters van Ernest waren afgenomen – maar vooruit. Speurhond Rex haalde diep adem, snuffelde en rook… geen Ernest-odeur. Dat is opmerkelijk, zou je zeggen. Als er geur van de verdachte op het mes zat, had die toch ook op de paraplu moeten zitten, waarin hij het vermeende moordwapen zou hebben getransporteerd? Bij het Arnhemse gerechtshof gingen zeker alle alarmbellen af?

Nee, hoor. De resultaten van de geurproef met de paraplu werden door de drie raadsheren van het hof simpelweg buiten beschouwing gelaten. Dat móesten zij achteraf gezien trouwens ook wel, want er kón helemaal geen geursorteerproef met de paraplu hebben plaatsgevonden, stelt Ernest. Volgens L. waren slechts twee buisjes met lucht van hem afgenomen en die waren al voor de proef met het mes gebruikt. Hergebruik is uit den boze.

Op het verweer van L.’s advocaat dat sprake was van onrechtmatig verkregen bewijs, stelde het hof Arnhem echter het volgende:

In het midden kan blijven of van verdachte twee dan wel vier buisjes met menselijke lucht zijn afgenomen nu vast staat dat er twee buisjes die zijn afgenomen voor het vergelijkend geuronderzoek van het mes zijn gebruikt en de enkele mogelijkheid dat die buisjes later eveneens zijn gebruikt voor het vergelijkend geuronderzoek van de paraplu niet relevant is, nu het hof de resultaten van het onderzoek van de paraplu niet voor het bewijs zal bezigen.

In het midden blijven... Niet relevant... Dat was dan wel pech voor de verdachte, aangezien de uitslag van de geurproef met de paraplu, zoals gezegd, juist zo gúnstig voor hem had uitgepakt: Rex slaagde er niet in een match te maken. Zo kwam de hypothese van het OM dat de verdachte na de moord het mes slinks in de plu had verborgen en er op een koopdonderdagavond vanaf de Zwolseweg onopgemerkt mee naar het hofje was gelopen op losse schroeven te staan.

Bovendien: hoe irrelevant is het eigenlijk voor een rechter om te weten of er twee buisjes met lucht (versie Ernest) of vier buisjes met lucht (versie Openbaar Ministerie) van de verdachte waren afgenomen? Ik zou zeggen: dat is hóógst relevant. Indien er namelijk slechts twee buisjes met lucht waren afgenomen, dan had a) de politie gelogen en b) de geuridentificatieproef met de paraplu helemaal nooit mogen plaatsvinden. Ja, als er iets terzake doend is, is het wel de vraag of politie en justitie gerommeld hebben met bewijsmateriaal.

Enfn. Aan wiens oordeel moet nu het meeste geloof worden gehecht? Heeft Ernest gelijk en is de geurproef met de (vieze) paraplu een verzinsel van de recherche IJsselland geweest? Of spreekt justitie de waarheid? Twee buisjes, vier buisjes? Honderd procent hard kan ik het niet maken, maar ik ben geneigd Ernest te geloven. Ten eerste omdat hij, de talloze malen dat we elkaar hebben gesproken, nooit tegen mij heeft gelogen en zijn verhaal altijd consistent is gebleven. Ten tweede omdat L. geen andere reden kan hebben gehad de geldigheid van de geurproef met de paraplu te betwisten dan het dienen van de waarheid. De uitkomst van de proef was immers gunstig voor hem! Ten derde omdat aan het proces-verbaal van de geuridentificatieproef met de paraplu tal van eigenaardigheden kleven. Zo staat er een datum van 6-11-1999 op, terwijl de proef pas een maand later, dus op 6-12-1999, zou hebben plaatsgevonden. Een zogenaamd BPS-nummer (Bedrijfs Proces Systeem-nummer, naar een computerprogramma dat de politie gebruikt en dat feilloos het jaartal en het nummer van een zaak op het proces-verbaal weergeeft) ontbreekt zelfs geheel. Ten vierde lijkt het wel heel onwaarschijnlijk dat, als de rechercheurs hun werk serieus hadden genomen, een geurproef met de paraplu was voorbereid. Die was immers ‘te vies om aan te pakken’ volgens de huidhoudster. Zo’n proef had in elk geval niet mógen plaatsvinden.

Hoe dit ook zij, wie er ook de waarheid heeft gesproken, Ernest of de politie, zeker is dat de beslissing van het Hof Arnhem om de discussie over het al dan niet houden van de proef met de paraplu als ‘niet relevant’ terzijde te schuiven, wel buitengewoon nadelig uitpakte voor de verdachte. Het was the worst of both worlds. Wanneer het hof nader onderzoek had verricht en had besloten dat er wel degelijk vier buisjes met lucht door de verdachte waren afgegeven, had de voor Ernest positieve uitkomst van de geurproef als ontlastend bewijs moeten worden meegewogen in de uitspraak. Als het hof had gevonden dat er geen vier buisjes waren afgegeven, kon de proef niet zijn gehouden, had de politie gelogen en was er met de proces-verbalen gefraudeerd.

De suggestie dat er in deze zaak sprake is geweest van ‘fabricage’ van bewijsmateriaal wordt versterkt door het late tijdstip waarop ineens over een mes werd gesproken. Ofschoon het keukenmes al de zondag na de moord (op 26 september) zou zijn veiliggesteld, werd er in Opsporing verzocht (19 oktober) noch in enig ander politiebericht over gerept. Pas op 30 november ’s avonds hoorde de verdachte tijdens zijn verhoor voor het eerst dat er een mes was gevonden en dat de speurhond een match had gemaakt met de handmonsters. Toevallig net de avond voordat hij voor het eerst door de raadkamer van de Zwolse rechtbank, die moest beslissen of hij in bewaring zou worden gesteld, werd gehoord. Hebbes!

Bevreemdend is ook dat in het proces-verbaal dat de onderzoeksleider, inspecteur J.W. van Veen, op 30 november opstelde, staat dat de geurproef met het mes op maandag 29 november werd gehouden. Dit proces-verbaal bevatte de belangrijkste bevindingen uit het recherchewerk tot dan toe en was van cruciaal belang voor de beslissing van de raadkamer van de Zwolse rechtbank L. in voorlopige hechtenis te houden. Maar in het testverslag dat speurhondenafrichter J.H. de Haas en zijn helper, brigadier P.G.J.M. Martijn, schreven en ondertekenden, staat dat de proef met het mes op dinsdag 30 november acht uur ‘s ochtends plaatsvond. Een dag later.

Laat ik de verleiding weerstaan in dit boek alle onnauwkeurigheden (verwisselde data en BPS-nummers) en verdachte handelingen (weggeradeerde stukken tekst) rondom de twee geursorteerproeven op te noemen. Slechts één detail wil ik de lezer niet onthouden. Op de dag dat Ernest L. toesteming gaf voor een geursorteerproef (29 november) had hem formeel moeten worden meegedeeld dat zijn lichaamslucht voor onderzoek naar een mes en een paraplu zou worden gebruikt. Volgens justitie was dit ook keurig gebeurd. Volgens Ernest L. niet. Aangezien er elke dag video-opnamen van zijn verhoor werden gemaakt, viel dit nare misverstand gelukkig eenvoudig op te lossen. Maar toen L.’s advocaat de videobanden bij het Openbaar Ministerie opvroeg, bleken nou net de opnamen van 29 november spoorloos te zijn.

 

Lees over de twijfels in de Deventer moordzaak!