Hoofdstuk IX. De politieman
Op een donderdag in september van het jaar 2002 zit ik in de trein naar Deventer. Tegenover mij trekt Gerard Mulder tevreden aan een sigaar. “We moeten het laatste treinstel pakken”, had de adjunct-hoofdredacteur van HP/De Tijd gezegd. “Daarin zit de enige eerste klas-rokerscoupé.” Gerard kent het spoorboekje uit zijn hoofd en weet precies welke treinstellen waar op het perron stoppen. “Breeduit zitten en nors kijken”, had Mulder de verdere strategie uitgestippeld. “Dan komt er niemand bij. Pottenkijkers kunnen we nu niet gebruiken.”
Het is op de kop af drie jaar en drie dagen nadat Jaqueline Wittenberg is vermoord. Over enkele uren zullen we een man ontmoeten die misschien een nieuw licht op deze zaak kan werpen. We reizen eerste klas, want het mag iets kosten. Ik had Mulder gevraagd mee te gaan, want hij weet alles van de Deventer moordzaak en kan intelligente vragen stellen. Bovendien is Gerard breed en sterk en kan hij, zo had ik bedacht, als menselijk schild dienen. Je wist het maar nooit.
We lezen de informatie die ik heb verzameld nog eens door. Veel is het niet. De man die we gaan ontmoeten, is een vijftiger genaamd Henk R.. Net als Michael de J. betreft het een ex-patiënt van dokter Wittenberg en een goede bekende van de weduwe Wittenberg. Dat staat vast. Uit de verklaringen in het strafdossier kunnen we voorts opmaken dat hij haar geregeld belde. Ook zou hij haar gedichtjes hebben geschreven.
Af en toe bracht Henk R. samen met zijn vrouw onaangekondigd een bezoekje aan mevrouw Wittenberg op de Zwolseweg. In één getuigenverklaring lezen we hoe dat in zijn werk ging. Mevrouw R. belde dan aan en Henk stelde zich verdekt op in het struikgewas. Om te controleren of de rijke weduwe wel de nodige voorzorgsmaatregelen in acht nam. Henk R. weet namelijk alles van veiligheidsvraagstukken. Hij is politieman.
Uit het dossier komen we met moeite iets meer te weten over Henk R.. Kennissen van mevrouw Wittenberg vertellen dat ‘een agent’ Jaqueline wel eens met raad en daad ter zijde stond als zij zich bedreigd voelde. Voorjaar 1999 was er zoiets voorgevallen. Twee mannen hadden voor haar huis heen en weer gereden en foto’s gemaakt van de woning. Toen ze uitstapten, had Jaqueline gevraagd wat ze deden. De mannen zeiden dat hun oude moedertje daar vroeger had gewoond. Ze lag nu op sterven en wilde nog graag een ‘aandenken’. Of ze ook binnen een kiekje mochten maken? Mevrouw Wittenberg had het maar een raar verhaal gevonden en geweigerd. Een oplettende buurvrouw had het kenteken opgeschreven. Daarop had Jaqueline een bevriende agent gevraagd dit te controleren. De politieman had het uitgezocht; er bleek niets aan de hand.
Alleen is het dus onduidelijk of deze agent nu Henk R. is. Sommige getuigen spreken van een politieman die in Hengelo woont; anderen hebben het over iemand in Enschede, weer anderen over een bevriende inspecteur van politie in Heemstede of een agent in Almere.
Verwarrend.
Wat wèl vast staat, is dat Henk R. close is met Michael de J. Dat bleek uit een uitzending die Peter R. de Vries in mei 2000 aan de zaak-Ernest L. wijdde. De kijker zag het tweetal broederlijk over de katholieke begraafplaats in Deventer sjokken. Ze werden voorgesteld als ‘vrienden van de familie Wittenberg’ en ze wisten desgevraagd dondersgoed wie de moordenaar van de weduwe was: Ernest L. De Vries leek het daarmee eens te zijn. Een beetje gek was wel dat hij Michael nauwelijks aan de tand voelde. Had de misdaadverslaggever tegen zijn gewoonte in het dossier niet zo goed bestudeerd? Normaal wist hij toch wel raad met dergelijke rabauwen. Wie Henk R. was, kwam de kijker al helemaal niet te weten.
Ik zocht er weinig achter. Althans, niet op dát moment.
We hebben met Henk R. afgesproken in restaurant-grandcafé De Keizerskroon op de Stromarkt in Deventer. Tijdens het telefonisch onderhoud de avond ervoor heeft hij gezegd dat hij nog even zal kijken of hij zijn ‘vriend’ Michael zal meenemen. Dit blijkt het geval te zijn. Aan een tafel bij de ingang zitten Michael, die een bril met groengetinte glazen draagt en donker, zo te zien geverfd haar heeft, diens vriendin Meike, een wat ‘muizig’ type, en een man die dus Henk R moet zijn. De drie zijn duidelijk het gesprek aan het voorbereiden. Als we – veel te vroeg – binnenkomen, praten ze over zaken als ‘verklaringen afleggen’. Tenminste, Henk praat. De andere twee luisteren. Henk moet wel een man met natuurlijk gezag zijn, concluderen Gerard en ik.
In elk geval is Henk vrij fors en heeft hij een gebruind gelaat. Hij spreekt met een accent dat we ergens in het oosten van Nederland plaatsen. Inderdaad, Henk komt uit Hengelo, vertelt hij als we onze identiteit bekend hebben gemaakt en aan een tafeltje plaatsnemen. En jawel, hij is politie-agent, bij de regio Twente.
Tot onze verrassing is Henk R. buitengewoon spraakzaam. In de anderhalf uur die volgen zal hij namens het gezelschap het woord voeren. Dat de politieman bevriend is met Michael de J., een verdachte in een grote moordzaak, die er ook verder een nogal bedenkelijke reputatie op nahoudt, lijkt hij heel normaal te vinden. Misschien komt dat door het volgende: Henk zit hier als gewone burger. Dat wil hij ‘even voorop stellen’. Dus niet als politie-agent in functie. Dat zou maar toestanden geven met zijn werkgever. En bij Henk staat ‘een stukje integriteit’ altijd voorop.
Maar ja. Het valt niet weg te poetsen dat Henk al vele jaren diender is. Ruim twintig jaar werkt hij nu voor de regiopolitie Twente. Hij heeft zedenzaken gedaan en recherchewerk, was jeugdagent en zat in de drugsvoorlichting. Sinds kort is hij geparkeerd op een bureaufunctie. Maar dat heeft - hij vindt het vreemd dat we dit opperen - niets te maken met zijn vriendschap met Michael of de gang van zaken rond de Deventer moordzaak.
Een carrièretijger zouden we Henk niet snel noemen. Na al die jaren trouwe dienst is hij nog altijd blijven steken bij de rang van brigadier. In die functie heeft hij de weduwe wel eens geholpen met ‘veiligheidsaangelegenheden’, bevestigt hij. Henk kan zich het akkefietje met de auto die voor haar woning op en neer reed nog goed herinneren. “Jaqueline belde me op. Ze had het kenteken van de wagen”, vertelt hij. “Ik zei: rustig maar Jaqueline, ik zoek het wel een keer uit. Kijk, ik had het druk in die tijd, want ik zat op een grote zedenzaak. Maar Jaqueline was een vasthoudende vrouw...”
Dus had Henk spoedig daarna actie ondernomen. “Het hele verhaal klopte. De foto’s waren bedoeld voor de ouders van het stel. Ik had het kenteken gecheckt.”
“Het kenteken gecheckt?”
“Ja, gewoon bij de rijksdienst voor het wegverkeer. Dat kunnen jullie ook doen.”
“Maar dan wist u toch nog niet of het verhaal klopte?”
“Nee, maar daar heb je als agent natuurlijk zo je eh... methoden voor”, legt Henk uit. “Als het duistere figuren zijn… Ik kon het in elk geval allemaal goed herleiden. Het stel had louter en alleen goede intenties.”
“Het stel?”
“Ja ja. Een man en een vrouw.”
“O.”
We houden ons een beetje van de domme. Maar vreemd vinden we het verhaal wel. Alle getuigen spreken namelijk van twee mannen. Dat mevrouw Wittenberg zich zou hebben vergist, is niet waarschijnlijk. Ze was een pietje precies in die dingen. En trouwens, hoe kun je aan de hand van een kenteken, eventueel gecombineerd met politieregisters, nu concluderen dat het ging om ‘goede intenties’? Het zal niet de enige keer zijn dat we ons deze middag afvragen of Henk R. niet wat al te creatief met de waarheid omspringt.
We bestellen nog een rondje en willen wel eens weten hoe Henk met de familie Wittenberg in contact was gekomen. Welnu, dat is alsvolgt gegaan. Van 1974 tot 1979 was Henk geuniformeerd agent bij de politie in Deventer, waar hij toendertijd woonde. “In mijn werk kwam ik nogal eens psychiatrische gevallen tegen. Dan sprak je daarmee, en soms verwees je ze door. Dokter Wittenberg had natuurlijk een gewéldige reputatie in Deventer!”
Gerard en ik knikken.
“Vooral op gebied van depressies”, gaat Henk verder. “Tja, zo leerden we elkaar dus kennen.”
Rond 1978 werd Henk zelf depressief. Zijn vrouw was ziek, er waren enkele overlijdensgevallen in de familie- en kennissenkring. Daar kwam bij dat het politiewerk hem niet in de kouwe kleren was gaan zitten. “Weet je”, zegt Henk, en nipt van zijn drankje. “Er zijn veel agenten depressief. Een op de drie collega's heeft last van trauma’s en dergelijke. In de lagere regionen noemen ze dat een depressie. Bij het hoger personeel heet het ineens burn out. Ha!”
Natuurlijk ging Henk bij Willem Wittenberg in therapie. In diens praktijk aan huis was het een ‘komen en gaan’ van patiënten, vertelt hij. We constateren dat Henk zijn vriend Michael dus al heel lang moet kennen... Die was immers kind aan huis bij de familie, en eveneens onder behandeling. “O nee hoor”, zegt Michael, die zich voor het eerst in het gesprek mengt. “De dokter hield dat erg gescheiden.” Ja, ook Willem had ‘een stukje integriteit’ hoog in het vaandel staan, valt Henk hem terstond bij. Kijk, de twee wisten wel van elkaars bestaan af, maar door de Wittenbergs werden ze altijd aangeduid als ‘de klusjesman’ en ‘de politieman’.
Dokter Willem bleek inderdaad een duivelskunstenaar. Na een half jaar was Henk volledig genezen van zijn depressie. Kort daarna verhuisde hij naar Hengelo, omdat zijn vrouw heimwee had naar de streek waar ze vandaan kwam. Nadat de dokter overleed - in december 1996 werd hij dood aangetroffen in de badkamer - ontmoette Henk naar eigen zeggen Michael voor de eerste keer in levende lijve. Op Willems begrafenis. Dus vanaf die tijd was het natuurlijk dikke mik tussen de twee.
“Nee nee”, zegt Henk beslist. Michael knikt ook van nee. Ondanks hun ‘gezamenlijk verdriet’ en hun ‘vriendschap met Jaqueline’ hadden ze daarna nooit meer contact. Het enige verschil was dat Jaqueline in het vervolg niet meer over hen sprak in termen van ‘de klusjesman’ en ‘de politieman’; het was nu gewoon Henk en Michael.
Pas na Jaquelines overlijden in september 1999 zouden de twee bevriend zijn geraakt. Eigenlijk exact na 1 oktober, de dag dat mevrouw Wittenberg ter aarde werd besteld. Wellicht kwam dat doordat ze spoedig daarna nog iets gemeenschappelijks hadden: Henk werd, zo blijkt, ook van de moord op mevrouw Wittenberg verdacht.
Aanvankelijk vertelt Henk R. ons dat hij rond zeventien oktober 1999 voor het eerst door de Deventer politie werd gehoord. Het zou voor hem een verbijsterende ervaring zijn geweest. Stel je voor: hij, Henk, Jaquelines steun en toeverlaat, die wel eens gedichtjes voor haar schreef. Zijn vingerafdrukken werden zelfs afgenomen. We mogen best weten: Henk was er kapot van. De agent kweekte die dag zelfs enig begrip voor ‘mensen aan de andere kant van de politietafel’.
Gevraagd naar zijn alibi op 23 september verklaarde Henk tegenover de recherche dat hij op de avond van de moord met zijn echtgenote aanwezig was bij opnames van het SBS6-programma Weekend Miljonairs in Hilversum. Henk was VIP-gast. Het festijn begon om zes uur, en duurde tot bijna middernacht. Met zijn vrouw reed hij daarna over de A1 naar Hengelo. Nee, hij nam niet de afslag Deventer. Maar het was wel frappant dat zijn vrouw nog tegen hem zei: zou het wel goed gaan met Jaqueline? Henk: “Ze had een unheimisch gevoel.”
Maar de recherche IJselland was blijkbaar niet zo onder de indruk van Henk R.’s verhaal en diens alibi. Tijdens het verhoor, zo vertelt hij, werd hem de ‘cautie’ voorgelezen. Hij hoefde niet meer te antwoorden op vragen, omdat hij zichzelf kon belasten. “Ik vroeg: ben ik nu verdachte of zo? Want ik weet natuurlijk dondersgoed hoe het werkt. O nee, hoor, zeiden ze. Ik zei: ja ja, dit is nog goed, maar als jullie verder gaan, haal ik mijn advocaat erbij.”
En dit verhoor vond omstreeks zeventien oktober 1999 plaats?
“Zeventien of achttien oktober”, beaamt Henk.
Dat is dan wel vreemd, zeggen we. Getuigen hebben verklaard, zo blijkt uit het dossier, dat ‘de bevriende agent’, die dus nu Henk R. blijkt te zijn, al op 1 oktober - op de begrafenis van Jaqueline - vertelde dat hij door de politie was verhoord. Twee weken eerder dus. Laat Henks geheugen hem misschien in de steek?
“Goh”, peinst Henk. “Dat is misschien wel zo. Ja, nu jullie het zeggen: dat klopt!” En zijn vingerafdrukken - waren die toen ook al afgenomen? Ja, verdomd, dat is waar ook, herinnert Henk zich plotseling weer alles.
Zouden politiemannen zo gewend zijn aan verhoren dat ze die niet meer allemaal uit elkaar kunnen houden. Zelfs als ze zèlf verdachte zijn geweest? Het zou kunnen. Maar het kan ook dat Henk een goede reden heeft om zich niet meer de exacte data voor de geest te halen.
Laten we eens teruggaan naar die cruciale eerste dag van oktober 1999, de dag dat Jaqueline Wittenberg wordt begraven. We hebben inmiddels persoonlijk ondervonden dat Henk graag babbelt. Zo ook deze dag. Nadat het rouwende gezelschap zich heeft verplaatst van de begraafplaats in Deventer naar de koffietafel in het naburige Schalkaar dist Henk het ene na het andere sappige detail over de moord op. Niet alle gasten vinden dat even smaakvol. Een enkeling verlaat zelfs zijn tafel om ergens anders te gaan zitten. Henk draaft maar door. Nee, Jaqueline zou er wel niet fraai bijliggen, vermoedt hij. Met die wurgplekken en al die messteken. Wat dacht je dan! Henk weet zelfs met enige trots te vertellen wat de precieze plek is, waar zij thuis werd gevonden - namelijk recht onder het portret van haar geliefde Willem.
Maar hoe weet Henk dit toch allemaal? Dat intrigeert ook de recherche IJsselland. De details die Henk op de begrafenis prijsgeeft zijn namelijk alleen bij het recherchebijstandsteam bekend. En natuurlijk bij de dader zelf. “Ja, de politie dacht dat ik daderwetenschap had”, geeft Henk nu ruiterlijk toe. Vandaar dat hij een tweede keer werd verhoord en de politie hem de cautie voorlas, waardoor hij van getuige verdachte werd. “Ik heb me toen vergaloppeerd. Een blunder. Ik dacht dat de informatie algemeen bekend was.”
Maar dat was het dus niet. Blijft de vraag: hoe kwam Henk aan al die geheime informatie? Nou, zegt Henk, we hoeven ons in elk geval geen zorgen te maken dat hij iets met de moord te maken heeft. Er is een simpele verklaring: zijn voormalige collega's bij de Deventer politie hadden hem alles verteld.
“Werken die agenten er nog steeds?”, willen we weten.
“Welnee”, zegt Henk. “Al lang niet meer. Het waren vutters.”
“U bedoelt dat de agenten toen al in de vut zaten?”
“Klopt”, zegt Henk.
We proberen ons even te verplaatsen in het Deventer politiekorps. Wie daar ooit heeft gewerkt, laat het werk natuurlijk nooit meer los. Eenmaal in de vut beland, nemen de ex-agenten dan ook niet achter de geraniums de bladenmap met de Aktueel en de Panorama door, zoals gewone vutters doen. Nee, ze lezen gezellig de openstaande dossiers. Die staan vrij tot hun beschikking. En als ze dan in zo'n spannend dossier zien dat een maat in de problemen komt, helpen ze hem natuurlijk. Dienders onder elkaar.
Voor ons is allemaal nieuw. Maar Henk zegt dat de recherche, die hem dus rond achttien oktober voor de tweede keer ondervroeg, heel tevreden was met deze uitleg. “Ik zei: jongens, als jullie in zo'n zaak verzeild raken, ga je toch ook eens bij collega's informeren? Laten we elkaar geen mietje noemen! Nou, het waren een beetje broekies, maar hier hadden ze alle begrip voor.” Volgens Henk is dit dan ook de reden dat het onderzoek naar hem werd gesloten. Plus natuurlijk dat hij een keihard alibi had. Overigens gebeurde dat in dezelfde tijd als het stopzetten van het onderzoek naar zijn vriend Michael de J.
Lekkende vutters - het klinkt wat onsmakelijk. En eerlijk gezegd: we weten niet zeker of we Henk moeten geloven. Dat het Deventer politiekorps niet uitblinkt in het bewaken van gevoelige informatie nemen we voetstoots aan. Uit het justitie-dossier is daar een ander geval van bekend. Een vriendin van Michael de J. heeft ooit informatie verkregen door haar vriendje, die bij de politie werkte, uit te horen. Ondanks diens nadrukkelijke verzoek dit geheim te houden, speelde ze de details door aan Michael. Helemaal comme il faut was dat trouwens niet, want toen de leiding ervan vernam, kreeg de jongen een reprimande. Inmiddels heeft hij min of meer gedwongen de politie verlaten.
Nee, onze argwaan betreft nog iets anders. Het toeval wil dat wij weten dat Henk tegen anderen – namelijk twee journalisten van de Wegener-pers - heeft verteld dat hij op een heel andere manier aan de voor hem zo belastende informatie, aan zijn daderwetenschap dus, was gekomen. Namelijk via een neef die bij de recherche IJsselland zou werken. Henk zou toch niet tegen ons jokken?
“O, jullie doelen op de neef van mijn zwager?”, zegt Henk achteloos. “Gerrit! Neu, Gerrit kwam ik pas tegen op de rechtszitting in Zwolle. Hij zat vlak achter me. Ik zei: wat doe jij hier nou? Bleek-ie onderzoek te hebben gedaan naar de moord op Jaqueline.”
Het is toch allemaal toevallig. En dat terwijl de familie R. volgens Henk, zo vaak bij elkaar een bakkie doet. “Luister”, fluistert Henk, en buigt voorover. “Als ik had geweten dat Gerrit erbij zat, ja, dan had ik die jongen wel gebeld. Geef ik eerlijk toe. Wat dacht je dan!” In elk geval is Henk blij dat alles ‘heel integer is afgehandeld’. Daar hecht hij nu eenmaal aan.
Als Mulder en ik weer in de trein naar Amsterdam zitten, concluderen we dat het wel een klucht leek. Je zou toch bijna gaan vergeten dat het hier een buitengewoon serieuze zaak betreft. We besluiten alles nog eens rustig op een rijtje te zetten. We hebben dus zoëven met een politieman gesproken, die verdacht werd van moord, en die met een andere verdachte van deze moord, nota bene een man die het verder niet zo nauw neemt met de wet, een nauwe vriendschap onderhoudt. Op zich al voldoende reden voor een forse ‘douw’, zouden we denken. En dan hebben we het niet over degradatie tot procesverbaaltjes tikken.
Het verhaal van Henk R. rammelt ook nog eens aan alle kanten. Eerst kan hij zich niet herinneren dat hij vlak na de moord is gehoord. Hij beweert stellig dat het pas rond zeventien oktober was. Pas nadat we zijn geheugen hebben opgefrist komt het allemaal naar boven. Dan blijkt hij zelfs twee keer te zijn verhoord: de eerste maal vrijwel direct nadat het lichaam van de weduwe is gevonden en de tweede keer dus rond zeventien oktober. De eerste keer werden al vingerafdrukken van hem genomen, waarvan we vermoeden dat dit niet snel gebeurt zonder bepaalde verdenkingen. De tweede keer wordt hem zelfs de cautie voorgelezen. Dan is Henk van getuige tot verdachte gepromoveerd. Want hij heeft op de begrafenis zittten keuvelen over de moord, waaruit bleek dat hij over daderwetenschap beschikte.
Vervolgens geeft Henk twee verschillende bronnen aan, die moeten verklaren hoe hij aan deze voor hem zo belastende informatie over de moord was gekomen. Zijn achterneef Gerrit, die bij het onderzoek in de zaak betrokken was (vertelde hij tegen de journalisten van de Wegener-pers) en de vuttende oud-collega's (vertelde hij tegen ons). En daarna beweert Henk dan dat die laatste versie afdoende was voor de recherche om hem verder met rust te laten.
Wat daarvan nu weer te denken? Vonden de rechercheurs die Henk verhoorden het verhaal over de nijvere vutters werkelijk een goede verklaring voor zijn daderwetenschap? We staan in deze zaak inmiddels nergens meer versteld van. Maar als het waar is, als dit de normale gang van zaken op politiebureaus is, mag je toch stellen dat er om mindere redenen parlementaire enquêtes in dit land worden gehouden.
Wat ook nog kan, zo bedenken we, is dat Henk het verhaal van de vuttende ex-collega’s tegen ons heeft verzonnen om zijn verre neef Gerrit uit de wind te houden. Op zich kun je je voorstellen dat hij zijn familie probeert te dekken. Alleen blijft dan de vraag waarom hij dit wel openlijk tegen twee andere journalisten had verteld. En die parlementaire enquête is er, indien agent Gerrrit het ‘lek’ is, natuurlijk niet minder relevant door geworden.
(Een voormalige politieman van het Deventer korps bevestigt overigens later dat Gerrit, wiens volledige achternaam bij mij bekend is, deel uitmaakte van het onderzoeksteam van de regionale recherche IJsselland.)
Er is natuurlijk ook nog een andere mogelijkheid voor Henks daderwetenschap. Eigenlijk is die veel plausibeler: Henk had wel degelijk van of via de dader details over de moord gehoord. Wellicht dus via Michael. Ten eerste zou dat verklaren waarom hij jokt over zijn bronnen. En ten tweede waarom hij alles in het werk stelt om zijn vriendschap met Michael, die door velen als de mogelijke dader wordt gezien, na de datum van 1 oktober te plaatsen. Indien hij ons kan doen geloven dat die contacten van ná Jaquelines begrafenis stammen, kan hij de daderwetenschap waarvan hij die dag blijk gaf immers niet van Michael hebben gekregen.
Maar ja, gelóven we hem? Het illustere duo had elkaar al sinds midden jaren zeventig tegen het lijf kunnen lopen. Gezien de losse omgangsvormen in de praktijk van dokter Wittenberg ligt dat zelfs voor de hand. Een bekende van Michael heeft ons bovendien verteld dat de twee al jarenlang gezamenlijk optrokken, hoewel daarvoor hard bewijs ontbreekt.
Tenslotte is er een derde verklaring mogelijk. De politieman uit Hengelo was zèlf op enigerlei wijze betrokken bij de moord op Jaqueline Wittenberg. We hebben gepoogd Henks alibi te checken. Een medewerkster van John de Mol Producties, dat het programma Weekend Miljonairs produceert, vertelt dat op de gastenlijst van donderdag 23 september 1999 ene R. inderdaad voorkomt. Zijn naam is op de lijst afgevinkt. Hoe het met mevrouw R. zat, weet zij niet.
Maar zegt dat allemaal iets?
Eerlijk gezegd: we komen er niet helemaal uit. Zeker niet als we ons proberen voor te stellen hoe het dan verder in zijn werk zou zijn gegaan. Want dat blijft natuurlijk de ultieme vraag: waarom stopte plotsklaps het onderzoek naar zowel Michael als Henk en werd het spoor zo drastisch omgebogen in de richting van Ernest L.? Had Henk daar via zijn neef of zijn oud-collega’s bij de Deventer politie invloed op kunnen uitoefenen? Had hij het onderzoek kunnen manipuleren?
Erg logisch lijkt dat nu ook weer niet. Henk is ongetwijfeld een gezellige peer, maar of de leiding van het recherchebijstandsteam IJsselland voor deze wat aan lager politiewal geraakte collega zijn vingers in het vuur zou steken? En één ding is toch wel zeker: de beslissing het onderzoek naar Michael en Henk te staken, moet van hogerhand zijn gekomen. Vrijwel alle rechercheurs die op de zaak zaten waren er van overtuigd dat Michael de belangrijkste kandidaat voor de moord was, zo is ons bevestigd.
Of heeft Henk toch een kwalijke vinger in de pap gehad? Wanneer ik maanden later opnieuw het dossier doorploeg, komt me één detail ineens frappant voor. Het gaat over de geuridentificatieproef met de gevonden paraplu, die de moordenaar zou hebben gebruikt om het moordwapen in te verbergen. Een proef die waarschijnlijk nooit gehouden kon zijn, omdat Ernest L. slechts twee buisjes met lucht had gegeven, die beide voor de geurproef met het mes waren gebruikt. De indruk dat er was gesjoemeld wordt versterkt doordat op het proces-verbaal van de geurproef vreemde data staan. Dat had ik al verteld. Wat ik niet had verteld, was dat het proces-verbaal is gedrukt op briefpapier van ‘regiopolitie Twente, divisie technische recherche’. Hetzelfde politiekorps als waar Henk R. deel van uitmaakt. Wat die met de zaak in Deventer te maken heeft, is raadselachtig.
Wat betekent dit alles nu voor Ernest L.? Het aantal bizarriteiten, onvolkomenheden en blunders in zijn zaak wás al enorm. Op bijna maniakale wijze werd alle schuld in zijn schoenen geschoven. Nu duidelijk is geworden dat twee andere verdachten om miraculeuze redenen de dans ontsprongen, krijgt het vermoeden van een ‘setup’ toch wel extra voeding. Zeker gezien het feit dat een van die verdachten een politieman is.
In hoofdstuk XII zal ik alsnog een poging wagen een verklaring voor dit alles te geven. Maar de lezer die nog altijd gelooft dat dit alles zuiver toeval is, en blijft uitgaan van de goede trouw van politie en justitie, wil ik het volgende vast niet onthouden. De processen-verbaal van de twee verhoren van Henk R., die meer duidelijkheid hadden kunnen verschaffen over zijn en/of Michaels aandeel in deze zaak, hebben nimmer in het procesdossier gezeten. De raadsheren van het hof in Arnhem, die L. achter slot en grendel zetten, hebben de stukken nooit onder ogen gehad. Tenminste, dat mag je hopen. De Hoge Raad der Nederlanden, die zich eind 2002 buigt over een herzieningsverzoek, beschikt er evenmin over.
Uiteraard heb ik getracht de processen-verbaal in handen te krijgen. Net als Ernests advocaat deed ik daartoe een verzoek bij het Openbaar Ministerie. Maar justitie weigerde deze wellicht voor L. zo cruciale informatie prijs te geven. Waar de stukken zich precies in de ambtelijke molens bevinden is, zo heb ik begrepen, zelfs onduidelijk. Uiteraard valt het niet uit te sluiten dat ze gewoon in de bladenmap van een gepensioneerde Deventer agent zitten. Als we Henk R. mogen geloven.