Hoofdstuk V. Anneke L., het alibi en het laatste telefoontje
Pal tegenover de gevangenis in Lelystad ligt De Peel. Het is een straat in een nieuwbouwwijk. De huizen hebben garages en tuinen. In een van die huizen woont Anneke L., de vrouw van Ernest. “Als je vervelend bent, laat ik je daar opsluiten”, had ze wel eens tegen haar man gezegd met een knikje naar de overkant. Het klinkt nu een stuk minder grappig dan toen.
Voor zijn overplaatsing naar een ander gebouw had Ernest vanuit zijn cel uitzicht op de slaapkamer van zijn dochter. Anderen zouden dit als een kwelling ervaren. Ernest en Anneke vonden het wel prettig. Als de blaadjes van de bomen waren gevallen, konden ze naar elkaar seinen. Dan deed Anneke de luxaflex op en neer en knipperde Ernest met het licht. Met oudejaarsavond staken ze voor de woning een groot vuurwerk af. Om tien uur. Dan wist Ernest dat het van hen was.
Al sinds haar achttiende is ze met Ernest, vertelt Anneke, die klein van stuk is en heldere blauwe ogen heeft. De twee kennen elkaar van een dansschool in Amsterdam. “We zijn echte burgertrutten”, zegt ze. Een grote herdershond likt ter bevestiging aan een grenen tafelpoot.
Maar ik ben hier niet alleen gekomen om wat couleur locale op te snuiven. Ik wil wel eens weten waarom de lezingen van het tweetal over de avond van de moord zo verschilden. Terwijl Ernest beweerde dat hij de bewuste donderdagavond om half negen, negen uur thuis kwam, dacht Anneke aanvankelijk dat het rond tien uur, half elf was. Daarmee sloeg ze het alibi onder de voeten van haar echtgenoot weg. Volgens de politie zou Ernest dan namelijk iets na half negen de moord kunnen hebben gepleegd in Deventer.
Eigenlijk is het niet eens zo ingewikkeld. Anneke kon het zich, twee maanden na dato, domweg niet meer precies herinneren. Daarover voelt ze zich nog steeds schuldig. Ze verzamelt alle moed, neemt een flinke slok thee en vertelt over de dag die de familie L. zich nog lang zal heugen.
Op vrijdag 19 november 1999 werd Anneke op haar mobieltje bebeld door de kinderen. Het was een uur of drie ‘s middags. Anneke was op dat moment in De Gordiaan, het winkelcentrum in Lelystad, met vriendin Gina. “Die heb ik ontmoet op de zwangerschapsgymnastiek.” De kinderen vertelden dat er politie voor de deur stond.
In de woning op De Peel bleek het een drukte van belang. Vier of vijf politiemensen waren binnen. Ze zeiden dat Ernest was aangehouden op verdenking van moord. “Ik vroeg nog: is dit Candid Camera?”, zegt Anneke. Dat was het duidelijk niet. Anneke L. moest wat toiletspulletjes van Ernest bij elkaar rapen en werd gesommeerd mee te gaan naar het politiebureau in Lelystad. Daar werd ze ondervraagd door twee rechercheurs.
“Het ging vooral over algemene dingen”, vertelt Anneke. “Hoe onze relatie was? Nou, goed dus. En of Ernest dronk? Nee, geen druppel.” Pas later begreep ze de strekking van die vraag. Er was immers een ontkurkte fles wijn bij de vermoorde weduwe op tafel gevonden. “Maar toen alle vrienden hadden verklaard dat Ernest geen alcohol lustte, was dit ineens niet meer van belang.”
Het werd later en later op het politiebureau. Anneke L. moest steeds naar het toilet, van de koffie, werd overstuur en ‘ze moesten het Riagg bellen.’ Rond half elf ‘s avonds mocht ze weg. Thuis bleek de computer in beslag genomen, was de klerenkast overhoop gehaald en hadden ze wat dingen van Ernest meegenomen, zoals een vervaarlijke laserpen en zijn balletjespistool, wat een stuk speelgoed is. “Alsof-ie al dood was….” Ook Annekes auto was in beslag genomen, en haar agenda, waarover zo dadelijk meer.
Zaterdag kon ze even telefonisch met haar man spreken, die nog steeds op het bureau in Deventer vast zat. Maar het mocht beslist niet over ‘de zaak’ gaan. De dag verliep verder vrij rustig. Op zondag vond een tweede verhoor plaats. Nu ging het om de details. Een rechercheur vroeg haar: “Ernest had die avond bij jou gegeten; hoe laat was hij dan thuis?” Nou, redeneerde Anneke, als hij thuis at, bezocht hij meestal daarna nog een paar klanten en was hij doorgaans rond tien uur thuis. Omdat het donderdag zo druk is op de weg, zou het ook een half uurtje later kunnen zijn geweest, verklaarde ze.
Maar ja, Ernest hád die avond helemaal niet thuis gegeten.
In haar agenda noteerde Anneke elk weekend op welke dagen Ernest wel of niet thuis at, omdat ze ‘niet met de prak wilde blijven zitten’. Die bewuste donderdag zou haar man thuis eten, maar er was onverwachts een afspaak in Amersfoort tussendoor gekomen. Dus besloot Ernest door te kachelen naar de Jaarbeurs in Utrecht waar hij om zeven uur ‘s avonds een bijeenkomst had. Hij had dit aan Anneke doorgegeven en zij had dit in haar agenda verbeterd. Het woordje ‘wel’ (eten) was doorgestreept en daarover heen was ‘niet’ (eten) geschreven. Wanneer haar man ’s avonds niet thuis at, zoals die donderdag, was hij vroeger klaar met zijn werk dan wanneer hij wel met het gezin het avondmaal nuttigde.
Alleen viel uit het kopietje van de agenda dat de politieman haar onder de neus wreef nauwelijks meer op te maken of er nu ‘wel’ of ‘niet’ stond. Later herinnerde ze zich alsnog hoe de avond was verlopen. Puur omdat ze het ‘stom’ vond dat ze zich het eerst niet voor de geest kon halen, stelde ze Ernests advocate daarvan op de hoogte. Van het belang van de exacte tijd zou zij niet hebben geweten, vertelt Anneke. En dat klinkt minder gek dan het is. In de eerste zes weken van Ernests detentie was verder telefonisch contact verboden – hij zat ‘in beperkingen’. Het kon dus niet zijn voorgekookt.
Maar het mocht niet baten. Ondanks de suggestieve vraagstelling door de rechercheurs en het feit dat men wist dat haar echtgenoot die avond niet thuis had gegeten (zijn verklaringen over het bezoek aan de Jaarbeurs bleken te kloppen) vond het Openbaar Ministerie dat Anneke L. niet meer op haar eerdere verklaring mocht terugkomen. In de rechtszaal riep iemand iets van ‘meineed mevrouwtje’ en de rechters luisterden maar met een half oor. De zaak was immers ‘rond’.
“Ik heb altijd gedacht dat de politie vóór je is”, zucht Anneke. “Zoals bij Derrick. Maar ze hebben mij er gewoon in laten tuinen. Nu is het een nachtmerrie geworden…”
Hoe geloofwaardig het verhaal van Anneke L. ook klinkt, zij heeft natuurlijk wel een belang bij het ‘dekken’ van haar man. Moeten we niet toch meer vertrouwen op de politie? Die heeft toch onderzocht dat het telefoontje dat Ernest L. om 20.36 uur vanuit zijn auto pleegde, werd opgevangen door een zendmast op de Nieuwstraat in het centrum van Deventer? En dan had hij toch nooit om negen uur aan de grenenhouten tafel bij zijn Anneke kunnen zitten?
We gaan het hebben over ‘het laatste telefoontje’ - het meest technische onderdeel in de bewijsvoering. Daarbij draait het in feite om twee verschillende zaken: de duur van het telefoongesprek (zestien seconden) waaruit de politie afleidt dat het hoogstens de mededeling ‘ik kom eraan’ of ‘ik ben in de buurt’, kan zijn geweest. In elk geval niet een inhoudelijk gesprek over een fiscaal aftrekbaar bedrag, zoals Ernest beweert. En de plek van waaraf Ernest L. telefoneerde. Ofwel: is het mogelijk vanaf de A28 bij 't Harde een basisstation circa 25 kilometer verderop, in Deventer, aan te stralen?
Eerst maar eens de duur van het gesprek.
Tring.
“Goedenavond, met mevrouw Wittenberg.”
“Goedenavond, met Ernest. Ik zou u nog even doorgeven wat u belastingvrij kunt doneren.”
“Ach, dat is waar ook.”
“Het gaat om een bedrag van 1750 gulden.”
“O, dat is fijn. Bedankt, hoor.”
“Niks te danken. Nog een prettige avond.”
“Goedenavond.”
Klik.
Toegegeven: het is niet echt een warme conversatie, maar kán het binnen zestien seconden? Iedereen zou de scčne natuurlijk kunnen naspelen en de conversatie naar believen met allerlei details kunnen uitbreiden. Dat deed bijvoorbeeld ook misdaadverslaggever Peter R. de Vries, die in zijn programma tot de conclusie kwam dat het onmogelijk was (zie hoofdstuk X). Het echtpaar Waisvisz deed in Almere-Buiten hetzelfde, met een stopwatch in de hand, en kwam tot de tegenovergestelde conclusie. Misschien is in beide gevallen de wens een beetje de vader van de gedachte geweest.
Hoe de zinnen precies werden geformuleerd, hoeveel small talk er bij zat, kon ook Ernest L. zich op het moment van zijn arrestatie, bijna twee maanden nadien, niet meer voor de geest halen.
Maar zeker is wčl dat op de printuitdraai van mobiele telefoongesprekken die L. voerde meerdere ultrakorte gesprekken waren te vinden. Het kan dus zijn dat de jurist gewoon kort van stof is. Mischien nog overtuigender dat hij de waarheid sprak, is dat in de woning van het slachtoffer een papiertje uit een kladblok was gevonden. Daarop stond het bedrag van 1750 gulden dat zij wilde doneren aan de Sint Janskathedraal vermeld. Onderzoek door de politie wees uit dat het haar handschrift was. Uiteraard was het weinig zinvol voor de weduwe zo’n notitie te maken als haar fiscalist ‘er bijna aankwam’ of alleen nog ‘zijn auto moest parkeren’. In dat geval had hij het haar immers even later persoonlijk kunnen vertellen.
Nu dan de plek van waaraf Ernest L. die donderdagavond 23 september mobiel telefoneerde. Volgens zijn eigen verklaring was dit op de A28, ergens tussen de afslag Harderwijk en de afslag ‘t Harde. Hij kon exact aangeven welke verkeerssituatie zich die avond op de snelweg had voorgedaan, hetgeen toch wel opvallend genoemd mag worden indien hij er niet was geweest. Zo bleek achteraf sprake te zijn geweest van een ‘breedtetransport’ van koopbedrijf Tjuchem, tussen Nunspeet en Harderwijk, dat ertoe had geleid dat rond acht uur het verkeer naar de rechter weghelft moest worden geleid, waarbij een file ontstond. Precies zoals L. dit bij zijn verhoor had omschreven. Op de radio was hier geen melding van gemaakt, noch was dit gegeven uit enige andere publieke bron bekend geworden. Wanneer we ervan uitgaan dat L. niet over telepathische gaven beschikt, kan het bijna niet anders of hij heeft het uit eigen waarneming.
Maar goed, volgens de recherche IJsselland is het buitengewoon onwaarschijnlijk dat met een mobiele telefoon een ongeveer 25 kilometer verderop gelegen basisstation (ook wel cell of gsm-paal genoemd) in Deventer kan worden aangeklikt. Twee ‘onafhankelijk van elkaar opererende teams’ van de politie hadden het onderzocht en proefondervindelijk vastgesteld dat het niet kon. Een KPN-deskundige was ingeschakeld die door middel van een simulatie had geprobeerd het huzarenstukje van L. over te doen. Hetgeen jammerlijk mislukte.
Nu houdt een gedegen simulatie natuurlijk in dat zoveel mogelijk van de destijds heersende omstandigheden worden nagebootst. Maar ook op dit onderdeel van het recherche-onderzoek was het slordigheid troef. Zo werd met een ander gsm-toestel gebeld (Ernest bezat een ouder type met een buitenantenne dat verder kon reiken), op een andere dag (op donderdagavonden wordt op snelwegen doorgaans driftig getelefoneerd met het thuisfront waardoor signalen eerder doorklikken naar andere gsm-palen) en op een andere plek (vanaf ‘t Harde gaat het in vogelvlucht richting Deventer over velden en water die een signaal verder kunnen ‘dragen’ dan in stedelijk gebied mogelijk is).
Kortom, allemaal factoren die de kans dat het gsm-gesprek in Deventer werd opgepikt danig de verkeerde (voor justitie wellicht: goede) richting opduwden. Het maximale bereik van een gsm-signaal is overigens 34 kilometer.
Bureau Waisvisz liet een tegenonderzoek verrichten door Special Research Department (SRD), een speciale afdeling van de Inkassotheek Putten. Daaruit wordt duidelijk dat de kans dat een mobiel telefoongesprek over een afstand van 25 kilometer een zendmast aanklikt helemaal niet zo klein is. Zeker gezien de specifieke omstandigheden van die dag. Het zal voor de normale telefoongebruiker geen gesneden koek zijn, maar de radiopropagatie (de afstand die een gsm-signaal overbrugt) kan beinvloed worden door atmosferische omstandigheden, die bijvoorbeeld te maken hebben met de snelheid van zonnewinden. Als die natuurverschijnselen zich voordoen kan een signaal een stuk verder reiken dan normaal gesproken mogelijk is. En, de lezer voelt het al aankomen, laten die bijzondere omstandigheden zich nu uitgerekend op 23 september 1999 hebben voorgedaan.
Op verzoek van SRD werd door sterrenwachten in België en Nederland informatie opgevraagd bij het National Oceanic and Atmospheric Administration Intitute en het Space Environment Center in de Verenigde Staten. Uitkomst: “Op 22 en 23 september 1999 was er een periode van geomagnetische activiteiten welke veroorzaakt werden door een verhoging van de snelheid van zonnewinden. Deze natuurverschijnselen kunnen grote gevolgen hebben voor de radio-communicatie en maken het mogelijk dat (...) signalen kunnen worden opgevangen die normaliter niet mogelijk zijn.”
Er was nóg iets speciaals aan de hand die dag. Toevallig was er een stroomstoring bij de zendmast in Wezep geweest. Dit is het dichtstbijzijnde basisstation bij de afslag ‘t Harde en het zou, zo vindt trouwens ook L., het meest logische zijn geweest als dit station zou zijn aangestraald wanneer hij in de buurt was. Nu zijn de codes van de zendmasten (de zogenaamde cell-ID’s) in Wezep en Deventer vrijwel identiek: respectievelijk 14801 en 14501. Slechts een cijfer verschil. In digitaal schrift lijken de 8 en de 5 bovendien sterk op elkaar. Zou het soms kunnen, zo vraagt bureau Waisvisz zich af, dat in de (deels handmatige) verwerking van de printgegevens van de cell-ID’s iets verkeerd is gegaan? En dat het voor L. zo fatale telefoongesprek helemaal niet door het basisstation in Deventer werd opgevangen, maar gewoon door de zendmast in Wezep?
Fouten maken is menselijk Maar volgens de KPN zal dit niet snel gebeuren. Het televisieprogramma Zembla, dat in februari 2003 een documentaire aan het onderwerp wijdde, dacht daar iets genuanceerder over. Bij de registratie van gespreksgegevens (datum, plaats, tijd) die mobiele telefonie-providers verplicht zijn te doen om het opsporen van strafbare feiten te vergemakkelijken, gaat het liefst in een derde van de gevallen mis. Vaak worden de cell-ID’s, de codes van de zendstations dus, niet of onvolledig weergegeven.
Is cell 14501 (Deventer) gewoon cell 14801 (Wezep) geweest? Het viel niet meer te achterhalen. Maar dat er iets eigenaardigs is gebeurd met de registatie van het laatste telefoontje dat de weduwe voerde, is wel zeker. Terwijl Ernest L. om 20.36 vanuit zijn auto belde, kwam het gesprek om 20.25 bij mevrouw Wittenberg in de huiskamer binnen. Een verschil van elf minuten! Terug in de tijd! Zoals er in Dallas een magic bullet schijnt te bestaan, zo heeft Deventer zijn magic call.
Overigens had de recherche IJsselland zich de moeite van het doen van proefmetingen kunnen getroosten wanneer destijds de zogenaamde Timing Advance-gegevens waren opgevraagd. Timing Advance is een methode binnen het gsm-netwerk om tot op een afstand van 500 meter nauwkeurig de hemelsbrede afstand tussen het mobiel en het gsm-opstelpunt te bepalen. Anders gezegd: door Timing Advance had exact kunnen worden gecontroleerd waar L. (of nauwkeuriger: zijn mobiel) zich bevond op het moment dat de verbinding met de telefoon van mevrouw Wittenberg tot stand was gekomen: in Deventer of op de snelweg in de buurt van ’t Harde.
Helaas, toen de verdediging naar de gegevens vroeg, waren ze niet meer beschikbaar. “Er zijn twee mogelijkheden”, meent telecomexpert Jim Heinen van Special Research Department. “Ofwel de data zijn nooit opgevraagd door de recherche IJsselland en dan heeft het onderzoeksteam zichzelf een brevet van onvermogen gegeven. Ofwel de gegevens zijn wel degelijk opgevraagd, maar de resultaten pasten niet in het verhaal.” Het tweede scenario vindt hij het meest aannemelijk. Ook in 1999 was het al gebruikelijk de Timing Advance-gegevens mee te nemen in belangrijke strafzaken, vertelt Heinen. Het politiekorps IJsselland heeft er zelfs een speciale afdeling voor in Zwolle: het Bureau Technische Ondersteuning, BTO.
Maar zelfs al zou het ‘slechts’ onkunde zijn geweest van de poltie, en geen onwil, mag men concluderen dat een belangrijk onderzoek dat de verdachte mogelijkerwijs had kunnen ontlasten is nagelaten. Niet voor het eerst in deze zaak.