© Ontworpen door Undercover
 

De Deventer moordzaak
Door Stan de Jong

 
 

Hoofdstuk VI. ‘Na kalm beraad en rustig overleg….’

Tijd speelt in de Deventer Moordzaak een cruciale rol. Justitie combineert drie gegevens. Ten eerste: de weduwe is kort na het laatste telefoontje - om zes over half negen 's avonds - vermoord. Ten tweede: Ernest L. voerde dit telefoontje in of in de directe omgeving van Deventer, hetgeen de verdachte ontkent. Ten derde: L. was op zijn vroegst die avond om tien uur, half elf thuis. Niet zoals hij zelf beweert rond half negen, negen uur. Tijd genoeg, aldus justitie, om ‘na kalm beraad en rustig overleg’ de moord te plegen.

Laten we - for argument’s sake - eens meedenken met justitie. We veronderstellen dat Ernest L. loog (en Anneke in commissie) en pas om half elf ‘s avonds thuiskwam.

Om zes over half negen ‘s avonds belt Ernest vanuit zijn auto naar mevrouw Wittenberg, zegt ‘ik kom er nu aan’, parkeert zijn Volkswagen in de buurt van de Gibsonstraat, loopt anderhalve kilometer (een kwartier) over de Zwolseweg naar het huis van de weduwe, belt aan, vermoordt haar, wist alle vingerafdrukken - hij vergeet gek genoeg die ene aan de deur van de woonkamer - loopt weer anderhalve kilometer (een kwartier) over de Zwolseweg, verstopt in een portiek het moordwapen, haalt zijn auto uit de parkeergarage, rijdt vanaf de rotonde bij de Zwolseweg tussen de files door (ruim een uur en een kwartier) naar Lelystad alwaar hij, voor hij op de bank ploft, nog even zijn stationwagon chemisch reinigt – want daarin werd geen spatje weduwenbloed gevonden. Dit alles in ongeveer twee uur. Terwijl alleen al het heen en terug lopen over de Zwolseweg en de rit naar huis bij elkaar een uur en drie kwartier kost!

Saaie piet wordt Superman - het is een bekend verhaal. Maar dan alleen in Amerikaanse films.

Niet alleen werden in de wagen geen bloedsporen gevonden, in de kleding van Ernest L. evenmin. (Nou ja: één druppel, maar die was van hemzelf en waarschijnlijk ontstaan door een afgescheurde vingernagel, Ernest is een nagelbijter). Hoe heeft hij dat nou weer gelapt? Eigenlijk kan het alleen zo zijn gegaan:

Om tien voor negen belt Ernest bij mevrouw Wittenberg aan, vraagt of hij even naar het toilet kan en ontdoet zich daar van al zijn kleren. Poedeltjenaakt bespringt de fiscalist de weduwe, wurgt haar, plant vijf keer een mes in haar borstkas en gaat helemaal onder het bloed naar boven om een douche te nemen. Hij maakt de badkamer schoon - ook daar is geen druppel bloed gevonden – en veegt, terwijl hij de trap afstormt de bloedsporen die hij had achtergelaten achter zich weg. Hij pakt zijn kleding van het toilet, kleedt zich aan, om vervolgens het hierboven beschreven formule I-traject met zijn Volkswagen Passat naar Lelystad af te leggen.

Inderdaad, zelfs Ernest, onze Superman, moet hiertoe niet in staat worden geacht.

De onwaarschijnlijkheid van het scenario neemt natuurlijk nog toe naarmate het tijdstip van overlijden verder van het rond half negen gepleegde telefoontje afligt. Ofwel: waarop baseert de Arnhemse rechter eigenlijk dat de weduwe op donderdagavond 23 september 1999 ‘kort na half negen’ is vermoord? Welnu, het korte antwoord luidt: op niets. Dan nu het lange antwoord. De rechter baseert zich op de zogenaamde ‘stille getuigen’. Een TV-gids die lag opengeslagen op donderdag, een keukenschort dat over een stoel hing en een Telegraaf die de volgende ochtend in de brievenbus lag. Waarom de moord niet evengoed later op de avond, ‘s nachts of zelfs in de vroege ochtend van vrijdag 24 september kan zijn gepleegd, is volstrekt onhelder. Maar in die gevallen had Ernest L. wel een waterdicht alibi gehad. Immers, zelfs de Deventer politie ontkent niet dat hij ten minste rond elf uur ‘s avonds thuis was.

Misschien was de officier van justitie, die de zaak in eerste aanleg behandelde, ook minder zeker van haar zaak dan ze deed voorkomen. Maanden nadat het lijk werd gevonden, verzocht ze een patholoog-anatoom of hij het exacte tijdstip van overlijden kon geven. Die kon dit niet met zekerheid vaststellen.

Waarom dan toch, zo kun je je afvragen, waren de Deventer rechercheurs er zo op gebrand een tijdstip van overlijden te produceren, grenzend aan 20.36 uur? “Het antwoord lijkt niet moeilijk te vinden”, schrijft Bureau Waisvisz. “Immers, verdachte L. had een kort telefoongesprek met het slachtoffer om 20.36 uur, en wat was er verleidelijker dan hier een koppeling te maken?”

Tijd speelt ook om een andere reden een rol in dit steeds curieuzer wordende misdaadverhaal. Want de vraag is: was het eigenlijk wel mogelijk op donderdag 23 september 1999 iets na zeven uur ‘s avonds te vertrekken vanaf de Jaarbeurs in Utrecht, waar L. voor een lezing intekende en zijn studiepuntjes scoorde, naar Deventer te rijden en daar om zes over half negen in de buurt van de woning van mevrouw Wittenberg te arriveren? Laten we gemakshalve zeggen: binnen anderhalf uur.

Een vraag die niet eens zo gemakkelijk te beantwoorden valt. Elke minuut telt in dit geval. Je zou dus precies moeten weten wat de verkeerssituatie die avond was, hoe hard Ernest reed, enzovoorts.

Maar gelukkig, de recherche IJsselland heeft het allemaal grondig onderzocht.

Op woensdag 24 november 1999 – enkele dagen na zijn arrestatie – rijdt L. samen met de politie nog eens de route die hij die bewuste donderdagavond zou hebben afgelegd naar Deventer. Let wel, het is een woensdagavond, geen drukke koopdonderdagavond zoals toen. Om ongeveer 19.15 uur begint de trip vanaf het Jaarbeursplein in Utrecht. Inspecteur Van Veen zit achter het stuur. Er is nauwelijks drukte of oponthoud op de weg. Zonder problemen glijdt men over de A28.

Om 20.10 arriveert het gezelschap bij de afslag ‘t Harde. Waarom deze route wordt gereden, is ook L. achteraf gezien niet helemaal duidelijk. De snelste manier om van Utrecht in Deventer te komen, is immers na Amersfoort bij het knooppunt Hoevelaken de A1 op te gaan en via Apeldoorn rechtstreeks naar de Hanzestad te rijden. Hoe dit ook zij, L. kijkt op de klok en zegt: “Zien jullie nu wel dat ik nooit om 20.30 in Deventer kan zijn geweest!” Van de afslag bij ‘t Harde via Zwolle naar Deventer is ongeveer drie kwartier. En in dat geval zit men ruimschoots over de ‘deadline’ van anderhalf uur.

Kennelijk enigszins verbouwereerd door deze opmerking rijdt de politie dan niet verder, maar maakt men rechtsomkeert over de A28. De stoet rijdt terug naar Amersfoort en bij het knooppunt Hoevelaken neemt men nu alsnog de A1 - de koninklijke route naar Deventer. Over dat laatste traject zegt inspecteur Van Veen dan bij aankomst op de rotonde Zwolseweg: “Zie je wel, dit hebben we in een uur en tien minuten gereden. Dus dit zal jij ook wel hebben gedaan, en dan had je om 20.30 uur in Deventer kunnen zijn.”

Nogal een bewijs in het ongerijmde, zou je zeggen. Er is immers niet helemaal teruggereden naar de Jaarbeurs in Utrecht. Maar goed. Van Veen is zeker van zijn zaak: het traject Utrecht-Deventer kan in een uur en tien minuten worden voltooid.

(Voor de goede orde: ik heb mij voor dit deel in het verhaal moeten baseren op de getuigenis van Ernest L. Een proces-verbaal van deze bijzondere trip zit niet in het dossier en is naar alle waarschijnlijkheid zelfs nooit opgemaakt. De uitkomst - ‘een uur en tien minuten’ - is wel bevestigd.)

Nu gaat justitie in dit land godzijdank niet over een nacht ijs. Nadat L. in februari 2000 is vrijgesproken door de Zwolse rechtbank neemt de advocaat-generaal van het gerechtshof in Arnhem, mevrouw mr. R.C. Langerer, het onderzoek over. Op haar verzoek rijdt inspecteur Van Veen op donderdag 28 september 2000 ‘nogmaals’ het traject Utrecht-Deventer. Van het ritje doet hij ditmaal wel verslag. Van Veen schrijft in zijn proces-verbaal: “Doel van dit onderzoek was om vast te stellen of de afstand Utrecht (Jaarbeurs)-Deventer (Zwolseweg, straat waar het slachtoffer heeft gewoond) kon worden overbrugd tussen 19.05 uur en 20.36 uur.”

Zijn conclusie: ja, dat is mogelijk. Van Veen lukt het op een drukke donderdagavond zelfs tien minuten van de eerdere reistijd af te knabbelen. Hij doet er nu precies zestig minuten over. “Zonder de maximumsnelheid te overschrijden”, voegt hij er wat koddig aan toe.

Maar dan komt het … Opnieuw heeft Van Veen niet de koninklijke route Utrecht-Deventer gereden; hij is weer – wellicht als een magneet getrokken - van de Jaarbeurs over de A28 via Amersfoort en Harderwijk naar de afslag ‘t Harde gereden, waar hij nog kans heeft gezien een kleine tour in het blijkbaar alleraardigste stadscentrum te maken. Over dát reisje heeft hij 46 minuten gedaan. Hoe hij vervolgens aan een totale reistijd van zestig minuten komt, laat hij zelfs geheel in het midden.

Je begint je toch in gemoede af te vragen wat ze allemaal op die politieacademies leren. Om het verhaal van iemand die van moord wordt beschuldigd te checken rijdt een inspecteur van politie een verkeerde, veel langere route (richting ’t Harde – misschien vond men de verklaring van Ernest dan toch niet zo ongeloofwaardig), maakt hij vervolgens de trip niet af (hij eindigt met het rondje om de kerk) om tenslotte op grond van een volkomen uit de lucht gegrepen berekening (van ’t Harde naar Deventer is drie kwartier en geen 14 minuten) tot een voor de verdachte uiterst belastend eindresultaat te komen (zestig minuten). Maar het meest krankzinnige is misschien wel dat er geen rechter was die zich erover verwonderde.

Overigens hebben twee vrienden van Ernest L. later de echte route vanaf het Jaarbeursplein in Utrecht via Amersfoort en Apeldoorn over de A1 naar Deventer gereden. Het was een vrij drukke donderdag, ofschoon de weg niet zo extreem vol files stond als die bewuste avond. Ze vertrokken om 19.20 uur – Ernest had na zijn korte bezoek aan de Jaarbeurs om zeven uur nog zijn auto uit een nabijgelegen straat moeten halen – en arriveerden om 20.50 uur op de rotonde Zwolseweg, dus nog niet bij de woning van mevrouw Wittenberg. De reistijd bedroeg anderhalf uur. Een half uur langer dan inspecteur Van Veen erover had gedaan, maar ja, die had dan ook de verkeerde weg gekozen.

Op het gevaar af dat de lezer al te lang kromgebogen over een atlas met het onvolprezen Nederlandse wegennet moet zitten, tenslotte nog dit. Sommigen met wie ik over deze zaak heb gesproken, hebben zich afgevraagd waarom Ernest L. in hemelsnaam vanaf de Jaarbeurs in Utrecht over de A28 via Harderwijk en ‘t Harde naar zijn woning in Lelystad was gereden. Zou het niet eens stuk logischer zijn geweest wanneer hij naar het noorden, over de A27 was gegaan, bij het rustieke plaatsje Huizen de Stichtsebrug over was gestoken en vervolgens via Almere de snelweg A6 naar Lelystad had gepakt?

Ook de bekende misdaadverslaggever Peter R. de Vries (zie Hoofdstuk X: ‘De tegenkrachten’) heeft zich daarover danig verwonderd. Zelfs meende hij dat de ‘onlogische route’ een ‘belangrijke aanwijzing’ tegen L. vormde. Nu ontgaat de ratio van die opmerking mij enigszins, want ik zou niet weten waarom L. een onlogische route bij elkaar zou fantaseren als hij zijn werkelijke trip (naar Deventer) had willen maskeren. Je zou zeggen: een kille, harteloze boef van het kaliber Ernest L. zou juist verklaren dat hij de ‘logische’ weg had afgelegd richting huis.

Maar goed. Laat ik volstaan met twee constateringen. L. zegt altijd vanuit de Jaarbeurs in Utrecht de route via Harderwijk te hebben genomen, aangezien in die tijd de Stichtsebrug vol files stond en er geen doorkomen aan was in die tijd (hetgeen is bevestigd). Toevallig miste hij ditmaal de afslag Harderwijk vanwege het feit dat er allerlei transporten met vrachtwagens waren op de snelweg (eveneens bevestigd) en was hij gedwongen de volgende afslag, bij ‘t Harde, te nemen. Niets verdachts aan.

Tussen 1991 en 1999 werden in Deventer achttien mensen op gewelddadige wijze vermoord. Ze zijn dus wel wat gewend daar. Toch schokte de moord op mevrouw Wittenberg-Willemen de gemeenschap. Zeker toen bekend werd dat de verdachte een schijnbaar keurige jurist uit Lelystad was. Met een psychopaat had men nog kunnen leven, maar iemand die uit louter geldelijk gewin tot zo’n gruweldaad in staat was gebleken, ging te ver.

We zijn aanbeland bij het motief, het sluitstuk van de bewijsvoering tegen Ernest L. Het gerechtshof in Arnhem sprak van ‘de kennelijk aan het feit ten grondslag liggende financiële motieven’. En net als de Deventer bevolking zagen de raadsheren hierin een strafverhogend element.

Hoe probeerde Ernest L. dan eigenlijk de zaak te tillen? Interessant is de formulering die de recherche IJsselland gebruikte. “Na het voldoen van de fiscale verplichtingen (successierechten, SdJ.) zou er geen daadwerkelijk toezicht meer zijn op het vermogen van de stichting. Het is dus zeer wel mogelijk dat de verdachte op termijn het vermogen van de stichting zichzelf zou kunnen gaan toeëigenen.”

Kan een stichtingsvoorzitter zichzelf het kapitaal van een stichting ‘op termijn gaan toeëigenen’? Alles is natuurlijk ‘mogelijk’, maar het levert wel gewoon een strafbaar feit op. Wellicht van de naïeve vooronderstellng uitgaand dat niet bij voorbaat iedere stichtingsvoorzitter verdacht is, zouden er toch op zijn minst aanwijzingen moeten zijn geweest dat de executeur-testamentair bezig was gelden te onttrekken aan de erfenis. Waren die aanwijzingen er?

Volgens de Deventer politie wel. Zwaar woog vooral dat L. ‘een privé-rekening’ bij de SNS-bank in Lelystad had geopend, waar hij tegoeden op liet overmaken. De executeur-testamentair had ook de Zwolsche Algemeene proberen te bewegen hier een paar ton aan lijfrente op te storten. Een directeur van de Zwolsche had dit verdacht gevonden en Ernests werkgever, de VVAA, gealarmeerd, hetgeen kennelijk ook de politie ter ore was gekomen.

Maar zo verdacht was dit allemaal niet. Ten eerste ging het niet om een privé-rekening, maar om een zogenaamde beheerrekening. Een commercieel assistente van de SNS-bank (overigens niet de bank waar L. particulier bij was aangesloten, maar de bank waar zijn werkgever zaken mee deed) verklaarde dat Ernest L. een rekening kwam openen voor het storten van ‘derden-gelden’, zoals te doen gebruikelijk bij een stichting. Omdat de stichting op dat moment nog niet stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel was dit echter onmogelijk, had de medewerkster L. gemeld. De enige mogelijkheid die op dat moment bestond, was het openen van een beheerrekening. Hetgeen L., die vond dat de inschrijving bij de Kamer van Koophandel minder haast had dan het veiligstellen van het door hem beheerde vermogen, vervolgens braaf deed. “Een nette verschijning”, herinnerde zich de assistente van de bank, wier ontlastende proces-verbaal overigens buiten het strafdossier dat de rechters onder ogen kregen, was gehouden.

Nadat de directeur van de Zwolsche Algemeene aan de bel had getrokken, stelde Ernests werkgever een kort onderzoek in naar de wijze waarop L. te werk was gegaan. Er bleek niets aan de hand. Een onafhankelijk accountantsbureau dat later de handelwijze van L. onderzocht kon evenmin frauduleus gedrag ontdekken. Wel constateerde het bureau dat de executeur-testamentair wat slordig had geopereerd, hetgeen L. aan zijn onvervarenheid wijt.

Was er dan iets verdachts aan de inhoud van het testament? Integendeel. Vergeleken met het vorige testament kon het zelfs een toonbeeld van onbaatzuchtigheid worden genoemd. In dat testament ging immers het meeste geld naar de familie van de (vorige) executeur-testamentair, Pieter ter Velde. Ernest L. noch zijn gezin kreeg ook maar een cent. En de insinuerende verklaringen van Ernests collega en medebestuurslid John Balk dan? L. had toch likkebaardend over een pied-à-terre op Malta gesproken? Het Arnhemse gerechtshof hechtte er nogal veel waarde aan. “Na het overlijden van mevrouw Willemen heeft hij zich uitgelaten over een privé-besteding van een aanzienlijk geldbedrag, te weten de koop van een huis in het buitenland.”

Maar volgens Ernest was dit gebeurd in het kader van een herhaling van het TV-programma Vakantieparadijzen. Onder fiscalisten hét gesprek van de dag. De kans dat hij ooit op het eiland Malta neerstrijkt – zelfs al zou hij met een vorstelijk bedrag vrijkomen – mag overigens nihil worden genoemd. Ernest heeft nog nooit van zijn leven in een vliegtuig gezeten, en is dat ook geenszins van plan. Hij heeft vliegangst.

Later nam collega Balk afstand van zijn eerdere verklaring. Hij gaf aan dat hij door de ondervraging van de politie ‘zenuwachtig’ was geworden. Gezien de wijze waarop aan Anneke L. een verklaring was ontfutseld, niet eens zo vreemd. Maar kennelijk woog voor het hof in Arnhem de schijn zwaarder dan de feiten.

Blijven nog over de folders met vakantiehuizen. Het ene betrof een oud krantenknipsel dat Anneke vermoedelijk ooit had uitgeknipt en in een la had gestopt; de andere folder was op vakantie onder de ruitenwissers van de auto gestopt en onder de voering van de stoel geschoven. Om hieruit een begin van criminele handelingen af te leiden, gaat zelfs de vindingrijkheid van inspecteur Clouseau te boven. Je zou het trouwens bijna vergeten, maar het is nog altijd niet verboden een vakantiehuisje te kopen.

Is Ernest L. onschuldig? Wie het dossier bestudeert, is geneigd die vraag bevestigend te beantwoorden. Hij kán het bijna niet gedaan hebben. Maar het is natuurlijk niet de goede vraag. Die luidt: is het wettig en overtuigend bewezen dat Ernest L. de moord heeft gepleegd? Op grond van de aangedragen bewijsmiddelen kan die conclusie onmogelijk worden getrokken. Er is een moordwapen gevonden dat niet het moordwapen kan zijn. Er zijn geen vingerafdrukken, geen bloedsporen. Niemand heeft Ernest L. op die drukke donderdagavond in het centrum van Deventer gezien. Het hoogst verdachte telefoontje kon wel degelijk buiten Deventer zijn gevoerd. En het motief werd met houtje-touwtje-werk in elkaar gezet.

Nog onverlet de vele losse eindjes. Waarom werd nooit een buurtonderzoek gedaan op de plek waar het vermeende moordwapen werd gevonden? Waarom stuurde de politie een tweede mes voor onderzoek op, als men ervan overtuigd was dat met het eerste de moord op mevrouw Wittenberg was gepleegd? Waarom keurde de rechter een geursorteerproef goed, die op grond van alle regels had moeten worden afgekeurd? Hoe zat het met de fles wijn die op tafel was aangetroffen? Ernest dronk niet.

De Nijmeegse hoogleraar strafprocesrecht prof. mr. P.J.P. Tak, die zich in de zaak heeft verdiept, spreekt van een ‘tunnelvisie’: alle bewijs is naar de verdachte toegeschreven. Ontlastend materiaal werd terzijde geschoven. Rest de intrigerende vraag: als Ernest L. het niet heeft gedaan, wie dan wel?

 

Lees over de twijfels in de Deventer moordzaak!