© Ontworpen door Undercover
 

De Deventer moordzaak
Door Stan de Jong

 
 

Hoofdstuk VII. Meneer en mevrouw Wittenberg

Op de katholieke begraafplaats aan de Ceintuurbaan in Deventer herken je ze meteen aan de kitscherige versiering van hun graven. Er staan fotokiekjes op de grafzerken - veel mannen met snorren - en allerlei prullaria. Kijk, dat is nou typisch ‘kampersvolk’, zeggen de Deventenaren. De burgerij heeft met deze min of meer geïntegreerde woonwagenbewoners heel wat te stellen. Als er ergens gedoe is, wijst men al snel naar het kampersvolk. Of dat nu terecht is of niet. De criminaliteit in Deventer liegt er ook niet om. In tien jaar tijd werden liefst achttien gewelddadige moorden gepleegd in de gastfreundliche Hanzestadt. Vaak zou het afrekeningen in woonwagenkringen betreffen.

Ongeveer in het midden van het kerkhof staat een mooi marmeren graf. Resurrectionem expectant staat erop gegraveerd, wat zoveel als ‘verwachte wederopstanding’ betekent. Het is de laatste rustplaats van de zenuwarts Willem Cornelis Wittenberg en zijn vrouw Jaqueline Jeantina Eugenia Gerarda Wittenberg-Willemen. Bijna drie jaar geleden, in 1999, werd Jaqueline naast haar overleden echtgenoot gelegd, nadat zij dood was aangetroffen in haar woning op de Zwolseweg. De weduwe bleek op brute wijze te zijn vermoord. En ditmaal wees voor de uitzondering niemand naar de kampers. De verdachte bleek een nette fiscaal jurist genaamd Ernest L., die op 22 december 2000 naar het scheen definitief kon worden opgeborgen in de penitentiaire inrichting Lelystad, stomtoevallig recht tegenover zijn woning. De Deventer gemeenschap kon weer opgelucht ademhalen.

Misschien iets te vroeg. Uit de voorafgaande hoofdstukken mag duidelijk zijn geworden dat de kans dat L. de moord heeft gepleegd niet bijster groot is, om het voorzichtig te zeggen. Het vorige hoofdstuk eindigde met de vraag: wie zou dan wel de dader kunnen zijn geweest? We hebben slechts één betrekkelijke zekerheid. Hij of zij moet gevonden worden in de kring van bekenden van mevrouw Wittenberg. Naar alle waarschijnlijkheid had de weduwe de moordenaar(s) die fatale donderdagavond 23 september 1999 zelf binnengelaten.

Arrogant en hooghartig, zo noemen sommigen de 60-jarige Jaqueline Wittenberg-Willemen. De weduwe ging liever niet om met lieden die zij beneden haar stand achtte. Die noemde ze ‘KV'ers’, ofwel: klootjesvolk. Anderen schetsen een positiever beeld. Zij zeggen dat ze wel sympathiek was, maar gewoon wat afstandelijk. In elk geval was Jaqueline een echte dame. Ze hechtte aan etiquette en verzorgde zichzelf tot in de puntjes. Met haar Thatcheriaanse coupe was zij een heuse verschijning in de chique buurt rond de Zwolseweg in Deventer. “Als we haar zagen passeren, had ze altijd haar mantel zo mooi om zich heen geslagen”, vertelt Laura Bekedam, die schuin tegenover de voormalige woning van de Wittenbergs woont. “Daar komt de koningin, zei mijn man dan. Jaqueline liep niet - ze schrééd.”

Veel contact in de buurt had Jaqueline niet. Dat stamde nog van vroeger. Dokter Willem Wittenberg vond dat dat maar geklets gaf over de psychiatrische patiënten, die in zijn praktijk aan huis kwamen. Pas na de dood van Willem werd het contact met sommige buurtgenoten hechter. Zo ging zij samen met buurvrouw Bekedam op een bridgeclubje. Ook was zij op advies van vrienden gaan golfen, om zo uit haar isolement te komen. Want Jaqueline had de dood van haar man nooit verwerkt. “Zij leefde in de glans van dierbare herinneringen aan de in-gelukkige jaren samen met haar Willem”, stond in een rouwadvertentie. In haar woning had ze zoveel mogelijk alles bij het oude gelaten. Zo lag Willems bril nog op hetzelfde plekje als bij zijn leven.

Elke donderdagmiddag, nadat zij boodschappen had gedaan op de markt, bezocht ze zijn graf. En als zij voor belangrijke beslissingen stond, volgde een extra ‘raadpleging’ bij het kerkhof. Trouwens ook als de beslissingen iets minder belangrijk waren. Zo herinnert een kennis zich dat ze naar het graf was geweest om advies te vragen wat voor kleding ze aan moest op een receptie. “Nogal ziekelijk”, noemt de kennis dit.

Ja, Jaqueline had Willem geadoreerd. De echtelieden waren tot hun spijt kinderloos gebleven - Jaqueline had een aantal miskramen gehad - en hadden vrijwel uitsluitend geleefd voor de patiënten. Willem was de arts, Jaqueline zijn verlengstuk. Zij ontving thuis de klanten en deed de administratie. Nadat Willem op 29 december 1996 overleed aan een hartstilstand - hij werd thuis dood in de badkamer gevonden - viel Jaqueline in een diep gat. Zij was depressief en sprak zelfs een keer over zelfmoord. Het rouwproces duurde lang, heel lang. Misschien wel té lang, vonden kennissen en familie. Maar wie daar, al dan niet met de beste bedoelingen, iets van zei, kreeg te maken met haar scherpe tong en viel uit de gratie. Zo had haar zus recent een brief geschreven, waarin zij opperde dat Jaqueline haar leven weer moest oppakken. Dat viel slecht. De familie had haar, zo vertelt broer Kees Willemen, ternauwernood kunnen afhouden van het plan een standbeeld voor haar overleden echtgenoot te laten oprichten.

Met de Willemens, die uit Brabant kwamen, stond Jaqueline niet op goede voet. De oorsprong zou hebben gelegen in haar jeugd. Ze zou op jonge leeftijd op een kostschool zijn gedaan door haar ouders. Terwijl die toch dicht in de buurt woonden. Omdat haar broer en zus niet op kostschool hadden gehoeven, zou dit pijn en wrok hebben veroorzaakt. Met haar moeder, een krasse dame van in de negentig, had zij sporadisch telefonisch contact.

Jaqueline Wittenberg was een diepgelovige vrouw, die elke zondag naar de kerk ging. “Ja, ze geloofde in een hiernamaals”, zegt pastoor H.G.F. (“Denkt u maar aan hartelijk gefeleciteerd”) Brummelhuis uit het naburige Schalkhaar. “Eens in de zoveel tijd hadden we een gesprek”, vertelt hij. “Ze vertelde dan dat het verlies van haar man haar nog steeds pijn deed.” Met Brummelhuis kon ze beter opschieten dan met de huispastoor van de Heilig Hartkerk bij haar in de straat. Die scheen ook al te weinig aandacht hebben kunnen opbrengen voor haar wat lang uitgesponnen rouwproces.

In de weken voorafgaand aan haar gewelddadige dood was Jaqueline bezig schoon schip te maken. Ze maakte zich op voor een verhuizing naar Het Pothoofd in Deventer, waar ze een optie had genomen op een luxe-appartement (in aanbouw) met prachtig zicht op de IJssel. Bepaalde contacten werden minder intensief. Met haar fiscaal adiseur Ernest L. nam zij haar testament door, waarin ze belangrijke wijzigingen wilde aanbrengen. Zelfs had Jaqueline - het is een sinister detail - al de preek voor haar begrafenis laten opstellen door de pastoor uit Schalkhaar.

Ergens leek het alsof zij haar dood voorzag.

“De laatste weken van haar leven was zij nerveus en angstig”, vertelt buurvrouw Bekedam. “Als we de auto uit de garage haalden om te gaan bridgen, controleerde ze wel drie keer of alles goed op slot zat. Ik zei dan: Jaqueline, dat heb je al gedaan. Maar dan zei zij: Ik heb Willem beloofd dat ik goed op zijn spulletjes zou passen.”

Enige oppassendheid was ook wel op zijn plaats. In de woning stond voor vele tonnen aan antiek; er lagen prachtige sieraden. Mevrouw Wittenberg was een vermogende weduwe. Opgeslagen in speciale kelders lagen circa achttienhonderd dure flessen wijn. Haar man had fortuin gemaakt met het speculeren op de beurs. Daarnaast waren er de inkomsten uit de praktijk aan huis geweest en het loon van een psychiatrische instelling, waar hij een vaste aanstelling had. Niet alle inkomsten werden overigens keurig aan de fiscus opgegeven. Eens in de zoveel tijd reisde het echtpaar met een pak zwart geld in de trein naar Luxemburg, alwaar de biljetten in een kluis werden gedeponeerd. Daarnaast had Willem belegd in metalen. In een kluis in Nederland lagen goudstaven, aan te wenden in geval van een mogelijke inval door de Russen. Op advies van een bankier had Jaqueline het goud na haar mans dood verkocht. De bankier had haar ervan weten te vertuigen dat een aanval van de ‘rooien’, zoveel jaren na de val van De Muur, toch wat onwaarschijnlijk was geworden.

Enfin. Op de dag dat mevrouw Wittenberg wordt vermoord, bedraagt haar vermogen ongeveer vier miljoen gulden. En laat zij nu kort daarvoor haar testament ingrijpend hebben gewijzigd.

Het is 13 september 1999 als mr. Leonardus Kostering van het notariskantoor Smalbraak/Kostering & Prinsen in Deventer het door hem opgemaakte testament voorlegt aan Jaqueline Wittenberg-Willemen. Zij leest het nauwgezet door en zet haar handtekening. Het is precies tien dagen voor zij wordt vermoord. Het nieuwe testament verschilt aanzienlijk van het vorige. Haar broer en zus krijgen niets; de familie aan de kant van Wittenberg moet het met enkele bescheiden legaten doen. Maar dat was daarvoor ook al.

Nee, de grote verandering zit ‘m in een nog op te richten Dokter Wittenberg Stichting, die de belangrijkste erfgenaam wordt. Bij leven en welzijn had Willem gefilosofeerd over een stichting die zich zou moeten inzetten voor de opvang van uitbehandelde psychiatrische patiënten. Aan Willems wil wordt nu voldaan. Als nieuwe executeur-testamentair (uitvoerder) van het testament is Ernest L. benoemd, de fiscaal adviseur van mevrouw Wittenberg. Wanneer zij komt te overlijden, zal hij voorzitter van de Dokter Wittenberg Stichting worden. Een gegeven waaruit, zo hebben we gezien, de politie later met veel kunst- en vliegwerk een motief zal distilleren.

Maar goed. Dan zijn we twee maanden verder. Aanvankelijk komt Ernest L. helemaal niet in beeld van de recherche. De aandacht gaat uit naar Pieter ter Velde, de 49-jarige vórige executeur-testamentair, aan wie ik al eerder enkele zinnen in dit boek wijdde.

Niet onlogisch, want het is (de familie van) deze Ter Velde die het zwaarst gedupeerd is door de wijziging van het testament. In het oude testament was diens vrouw, Hanneke ter Velde-Jansen, enig erfgenaam. Een levensverzekering van enkele tonnen stond op naam van hun dochtertje. Al dat zoete geld vloeit nu naar de stichting. De politie denkt dan ook een motief te pakken te hebben. Dat Ter Velde het vorige testament, dat zo gunstig voor zijn familie uitpakte, zelf had moeten gaan uitvoeren, spreekt niet bepaald in zijn voordeel.

Op 29 september 1999 wordt Ter Velde door de recherche verhoord. Hij verklaart dat hij geen idee had dat mevrouw Wittenberg haar testament wilde wijzigen. Sterker, hij beweert niet eens op de hoogte te zijn geweest van de inhoud van het oude testament. “Ik wilde dat absoluut niet weten”, verklaart Ter Velde.

Enigszins bevreemdend is dat laatste wel. Getuigen zeggen, zo blijkt uit het politiedossier, dat hij als executeur-testamentair wel op de hoogte móet zijn geweest van de inhoud. Pieter had de (vorige) gang naar de notaris persoonlijk voorbereid. Bovendien was hij een vertrouweling van Jaqueline. Na de dood van Willem had hij haar met financiële raad en daad bijgestaan.

En er is meer dat tegen Ter Velde pleit. Daarvoor heb ik even een aanloopje nodig.

De Wittenbergs en de Ter Veldes gaan lang terug. Pieters echtgenote, Hanneke Jansen, is de dochter van een huisarts, die op de Zwolseweg woonde en werkte. Wanneer dokter Jansen een patiënt met depressies kreeg, verwees hij hem linea recta door naar de overkant, waar de bevriende psychiater Wittenberg praktijk aan huis hield. Na een periode van minder intensief contact pikken Hanneke en haar man Pieter, die in Amersfoort wonen, begin jaren negentig de relatie met het oudere echtpaar Wittenberg weer op. Hun dochter groeit uit tot het oogappeltje van Willem en Jaqueline, wier huwelijk immers kinderloos is gebleven. Vooral Willem is gek op de kleine meid, voor wie hij een ‘mandje’ met beleggingsproducten – zijn hobby - reserveert.

Na het overlijden van Willem wordt de relatie langzaam minder. Jaqueline vindt dat zij te weinig aandacht krijgt van het bevriende stel. Uiteindelijk mag zelfs van een behoorlijke verkoeling in de verhoudingen worden gesproken. Er zijn een paar incidentjes. Zo had meneer Wittenberg bij leven en welzijn de dochter van Ter Velde een pony beloofd, maar als de weduwe de rekening krijgt gepresenteerd (dochtertje is wat gegroeid) blijkt het om de aanschaf van een paard te gaan. Dat is aanzienlijk duurder. Ook vallen de bedragen die Jaqueline beloofd had te betalen voor het onderhoud van het beest haar tegen.

In de weken voor haar dood laat Jaqueline Wittenberg zich in steeds negatievere bewoordingen uit over de Ter Veldes. Ze noemt de Ter Veldes ‘aasgieren’, die haar ‘emotioneel chanteren’. In elk geval wil ze niet dat ze nog langer de voornaamste erfgenamen van het miljoenenvermogen zijn en ‘ontslaat’ ze Pieter als executeur-testamentair. Diens opvolger Ernest L. wordt wel op het hart gedrukt dit geheim te houden. Het lijkt erop dat ze een beetje bang voor haar vertrouweling is geworden.

Tegenover het station in Amersfoort ligt de wat plechtstatige brasserie Bellevue. Hier zit Pieter ter Telde aan een spaatje op mij te wachten. Hij heeft koele blauwe ogen en praat zelfverzekerd. Waarom ook niet? Nadat Ernest L. werd gearresteerd, en daarna middels een civiele procedure door de familie als executeur-testamentair ontslagen en uit het stichtingsbestuur gezet, werd Ter Velde opnieuw aangesteld als uitvoerder van het testament van mevrouw Wittenberg. Daarnaast werd hij benoemd tot penningmeester van de Dokter Wittenberg Stichting. Waardoor hij, als je het cynisch bekijkt, postuum alsnog toegang heeft gekregen tot het miljoenenvermogen van de weduwe. Om minder ‘schijn tegen’ werd Ernest L. veroordeeld tot twaalf jaar cel.

Wanneer ik Ter Velde, die inmiddels niet meer werkzaam is op het makelaarskantoor, confronteer met mijn argwaan over zijn verklaringen reageert hij nuchter. Nogmaals vertelt hij dat hij niet van de voor zijn familie zo lucratieve inhoud van het oude testament op de hoogte was. Wel, zo geeft hij na enig aandringen toe, was hem bekend dat er een levensverzeking van enkele tonnen op naam van zijn dochter was afgesloten. Dat kon hij trouwens ook moeilijk ontkennen, want ik had zijn kennisname daarvan zwart-op-wit staan.

Over de plotselinge testamentwijziging, zo houdt hij vol, was hij niet geïnformeerd. Anders, zo beargumenteert Ter Velde, was hem toch ook wel verteld dat hij geen executeur-testamentair meer was. En dat hoorde hij pas toen hij op de dinsdag na de moord voor het eerst Ernest L. ontmoette. En de verhalen dat de Ter Veldes op Jaquelines fortuin aasden en haar emotioneel chanteerden? “Gut”, zegt Ter Velde. “Ik wist werkelijk niet dat Jaqueline zo over ons was gaan denken.”

Wanneer we na een uur afscheid nemen, denk ik nog eens over de ontmoeting na. Aanvankelijk blijf ik zijn verhaal weinig geloofwaardig vinden. Wanneer vrienden zo lang met elkaar omgaan, zou je toch verwachten dat ze weten wanneer er wrevel ontstaat. Maar als ik het dossier nog eens bestudeer, verander ik gaandeweg van mening. Dan kom ik tot de ontdekking dat Jaqueline wel vaker negatief sprak over vrienden. Zeker als die niet aan haar onmetelijke behoefte aan aandacht voldeden. Diezelfde ‘ontaarde’ vrienden werden dan wel weer in vertrouwen genomen als andere bekenden haar onvoldoende bevestigden in het verlies van haar echtgenoot. Zo vertelde mevrouw Wittenberg bijvoorbeeld dat ze ‘flauw’ werd van haar bridgeleraar, die volgens haar meer aandacht voor ‘de dood van zijn hond’ tentoonspreidde dan voor haar rouwverwerking. Maar de goede man leek zelf van niets te weten.

“Jaqueline”, vertelt broer Kees Willemen, “is altijd goed geweest in, eh, hoe zeg ik dat netjes, duaaltjes.” Minder netjes gezegd: ze speelde mensen tegen elkaar uit. Daarbij had ze de neiging te zinspelen op haar vermogen. Een verkeerde opmerking? Een paar weken niet op bezoek geweest? Dat zou wel eens een stukje minder uit de erfenis kunnen betekenen. Aan de andere kant reageerde ze panisch bij de gedachte dat iemand met haar omging vanwege haar geld. De vraag is dus wie nu eigenlijk wie ‘emotioneel chanteerde’.

Bovendien: wat zou het motief van Ter Velde kunnen zijn geweest? Een daad uit financiële overwegingen ligt niet voor de hand. Er zijn immers twee scenario’s mogelijk. Ofwel hij spreekt de waarheid als hij zegt dat hij niet van de negatieve testamentwijziging op de hoogte was. In dat geval was er voor hem geen reden zich zorgen te maken en kon hij er nog steeds van uitgaan dat in elk geval de tonnen van de levensverzekering zouden worden overgeboekt.

Ofwel Ter Velde liegt en wist wel degelijk dat mevrouw Wittenberg haar testament ingrijpend en in voor hem negatieve zin wilde veranderen. Maar in dat geval had één simpel telefoontje naar de notaris, die hij goed kende, duidelijk kunnen maken dat het nieuwe testament al tien dagen eerder was opgemaakt. In dat geval had een moord natuurlijk niet zo veel zin meer. Tenzij Pieter zo in woede was ontstoken dat hij zichzelf die avond niet meer in de hand had. Maar daar lijkt hij, hoewel schijn kan bedriegen, niet het type voor.

Tenslotte had Ter Velde ook nog een alibi. Op de avond van de moord zou hij samen met zijn vrouw en dochter op de manege zijn geweest. De politie checkte het, en concludeerde dat het waterdicht was. Nu ben ik niet al te zeer onder de indruk geraakt van de detectivewerkzaamheden van het korps IJsselland, maar toch.

Misschien zitten we op het verkeerde spoor. De wijze waarop de dader te keer is gegaan, duidt wellicht eerder op een moord met een emotionele achtergrond dan op een financieel motief. Zou de dader gewoon een psychopaat zijn? Of een patiënt van dokter Wittenberg? Aangezien het vast staat dat de moordenaar een bekende van de weduwe was – ze had hem zelf binnengelaten - zou het dan wel een (ex-)patiënt moeten betreffen, waarmee ze bevriend was. Normaal gesproken ligt dat niet voor de hand. In de wondere wereld van de Wittenbergs is dat anders.

Tijd om op deze plek eens stil te staan bij de buitengewone werkwijze van dokter Willem Wittenberg. De psychiater, geboren op 11 november 1927, stond bekend als een arts van de oude stempel. Hij beschouwde dat als een geuzennaam. Aan ‘geitewollen sokken’ die opkwamen in de jaren zeventig, zo vertellen mensen die hem kennen, had hij een broertje dood. Voor Willem Wittenberg, die gespecialiseerd was in depressies, geen afstandelijke psychobabbel. Liever bood hij een luisterend oor en sloeg een warme arm om de schouder. In tegenstelling tot de ook nu nog geldende mores was de dokter niet te beroerd zijn patiënten praktische levenstips te verstrekken. Hij adviseerde ze op het gebied van werk en carrierè, en in liefdeszaken.

Ongetwijfeld hebben velen baat gehad bij zijn charmante, vaderlijke aanpak. Maar Willems betrokkenheid ging wel ver. Als een cliënt in geldnood kwam, kon hij altijd bij de dokter terecht. Je liet een patiënt nu eenmaal niet de plomp in gaan, zei Willem desgevraagd. Aldus ontstond een merkwaardige verstrengeling van privé- en zakelijke contacten.

Om een nauwgezet beeld van dokter Wittenbergs leven en werk te kunnen schetsen, schoot mijn onderzoek te kort. Wat ik wel heb kunnen achterhalen, lijkt mij niettemin relevant voor de rest van het verhaal, en zal ik hier summier schetsen. Er blijven echter veel vragen open. Intrigerende vragen; dat wel.

Voordat de psychiater Wittenberg medio jaren zeventig naar Deventer kwam, werkte hij in Groningen. Daar kwam hij in contact met de eerste hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, prof. dr. Th. Hart de Ruyter. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig had Hart de Ruyter, die was aangesteld bij het Academisch Ziekenhuis in Groningen, de leiding over een speciaal project in ‘het château’ te Haren. Op deze afdeling van het ziekenhuis werden kinderen behandeld met ernstige psychische en opvoedkundige problemen; ze waren labiel, onthecht en agressief. Je zou ze, en dat is niet kwaadaardig bedoeld, kleine psychopaten kunnen noemen. Professor Hart de Ruyter sprak overigens liever van ‘psychopathiform gedrag’.

Een van deze patiëntjes was een jongen die ik hier ‘Peter’ zal noemen.

Met deze Peter moet Willem Wittenberg, die als psychiater bij het project betrokken was, een speciale band hebben ontwikkeld. In haar testament noemt Jaqueline Wittenberg de jongen, die in de jaren 1971 en 1972 werd behandeld, ‘een protégé van mijn echtgenoot’ Haar testament? Jawel. De jongen, die inmiddels een volwassen man is die in Dordrecht woont, kreeg na haar dood een legaat van 23.000 gulden. Hoe diep de gevoelens van dokter Wittenberg voor Peter gingen, mag ook blijken uit het volgende: er bestonden plannen tot adoptie.

Wat het project in Haren precies inhield, heb ik niet kunnen achterhalen. Wel is duidelijk dat een van professor Hart de Ruyters specialismen seksualiteit bij kinderen was. Hij schreef over het onderwerp een gezaghebbend boek. Wellicht hield de hoogleraar er ‘progressieve’ ideeën op dit punt op na. Of het terecht is of niet, wijlen Edward Brongersma, de bekende oud-PvdA-senator die wegens de seksuele omgang met minderjarigen een gevangenisstraf onderging, mocht het veldwerk van Hart de Ruyter in ieder geval graag gebruiken (misbruiken?) in zijn eigen oeuvre. In zijn omstreden en voor pedofielen ‘baanbrekende’ werk Loving boys haalt Brongersma bijvoorbeeld de opvatting van Hart de Ruyter aan dat pornografie ‘puberale jongelingen zou kunnen helpen te socialiseren’. Brongersma: “These often outlawed publications are at times helpful.”

Pornografie als een vorm van therapie? Nu ja, er zijn in die vroege jaren zeventig wel dwazere dingen bedacht. Nogmaals: hiermee is niet gezegd dat Hart de Ruyter de lichtzinnige opvattingen van Brongersma over seks tussen volwassenen en kinderen cq adolescenten deelde. Evenmin weten we of Willem Wittenberg voorstander was van dergelijke ‘behandelmethoden’, laat staan of hij ze praktiseerde. Hij zou per slot van rekening geen voorstander zijn geweest van geitewollensokkenpsychiatrie, wat hij daarmee ook bedoelde.

Wat dokter Willems ‘insteek’ was, hoe ver zijn therapie met de knullen ging, waarom hij zo’n diepe gevoelens voor Peter koesterde, het is in nevelen gehuld. Publicaties van zijn hand zijn voor zover bekend nooit verschenen. Willem was niet zo’n schrijver. De medische dossiers van de patiënten die hij had behandeld, waren na de dood van mevrouw Wittenberg door Ernest L. naar het afvalvernietigingsbedrijf in Lelystad gebracht en onder het toeziend oog van de executeur-testamentair versnipperd – iets waar L. later nog behoorlijk spijt van zou krijgen.

Wel mag duidelijk zijn geworden dat Wittenbergs taakopvatting als psychiater – de adoptieplannen, de giften en leningen, de adviezen over liefde en werk - verder ging dan naar de huidige (en waarschijnlijk ook wel toenmalige) maatstaven wenselijk wordt geacht. Enige afstand tussen therapeut en patiënt wordt in zijn algemeenheid toch wel verstandig gevonden. Tenminste eenmaal zou zijn onorthodoxe aanpak hem in conflict brengen met wat we maar de gevestigde orde zullen noemen.

Begin jaren zeventig vertrok Willem Wittenberg naar Deventer, waar hij in dienst trad van de psychiatrische instelling Brinkgreven. Het huis aan de Zwolseweg, dat hij met Jaqueline betrok, was eigendom van de instelling. Het echtpaar kon het voor een relatief bescheiden bedrag huren. Maar de aanstelling bij Brinkgreven was van korte duur. De ‘geitewollen sokken’, die hij zo verfoeide, hadden de overmacht, en waren minder gecharmeerd van zijn behandelmethoden. Althans, zo vertelde Willem het graag aan bekenden. Wat er precies was voorgevallen, is onbekend.

Nadat hij min of meer gedwongen Brinkgreven had verlaten, stapte Wittenberg over naar een andere psychiatrische kliniek: Groot Graffel in Warnsveld, een plaatsje nabij Zutphen. Tot zijn pensionering zou hij daar in dienst blijven. Daarnaast runde hij een praktijk aan huis, in zijn werkkamer op de eerste verdieping aan de straatkant.

Hoe ontspannen het daar aan toeging, wordt aardig geïllustreerd door een oud-patiënt, wiens getuigenverhoor in het strafdossier zit. Ik zal de man, die overigens nooit verdacht is geweest van de moord op mevrouw Wittenberg, om privacyredenen anoniem opvoeren en zijn verhaal iets beknopter weergeven.

“Ik ben ongeveer 25 jaar geleden, midden jaren zeventig als patiënt bij dokter Wittenberg in Deventer gekomen. Ik had voor mijn problemen reeds twee andere zenuwartsen bezocht, maar daar kon ik niet mee overweg. Ik ben ongeveer zestien à zeventien jaar onder behandeling geweest bij dokter Wittenberg, die gespecialiseerd was in depressies. De behandeling vond bij hem thuis plaats. Ik was altijd de laatste patiënt.”

“Na het gesprek met de dokter werd ik altijd nog even in de woonkamer gelaten en daar had ik dan nog een gezellig samenzijn met de dokter en mevrouw Wittenberg, waarbij zij een borreltje dronken. Ook wanneer ik aankwam, werd ik eerst in de woonkamer ontvangen. Vanaf het eerste moment dat ik met dokter Wittenberg in contact kwam, klikte het tussen ons. Wij hadden een zeer goed contact met elkaar. In gesprekken die ik na de behandeling had, begon hij altijd over zijn grote hobby, het beleggen. Zodoende ben ik ook daarin terecht gekomen.”

“Dokter Wittenberg richtte diverse beleggingsclubjes op, onder andere onder verplegend personeel van Groot Graffel. Ook ik werd lid van zo’n clubje, alhoewel dat eigenlijk niet kon, omdat hij als arts geen zaken mocht doen met patiënten. Er werd dus veel gesproken over beleggen, winsten en groei van vermogen en ook natuurlijk over verliezen die werden geleden.”

Tot zover het getuigenverhoor van deze ex-patiënt. Uiteraard gaat het verhaal nog een hele tijd door, maar dat doet in dit verband even niet zo terzake. Behalve dan wellicht dat de man vertelt dat hij ook de boekhouding van Willem ging verzorgen.

Wat hier nu allemaal van te vinden? Zestien tot zeventien jaar in therapie… men kan zich een sneller ‘behandelplan’ voorstellen. Aan de andere kant, als het gezellig was, en dat was het kennelijk wel, daar in dat praktijkkamertje op de Zwolseweg, waarom niet?

Over de werkwijze van dokter Wittenberg doe ik er verder als non-deskundige maar deemoedig het zwijgen toe. Zeker is dat de psychiater en zijn klanten elkaar maar moeilijk los konden laten. In de filosofie van dokter Wittenberg was een geesteszieke nooit echt uitbehandeld. Ex-patiënten bleven voor raad langskomen. Met een aantal van hen ontstond een vriendschappelijke band.

Na zijn dood in december 1996 zette de vereenzaamde Jaqueline deze contacten voort. Mevrouw Wittenbergs kennissenkring bestond dan ook voor een deel uit ex-patiënten. Haar bridgeleraar, die haar ook op financieel terrein van advies diende, was door dokter Wittenberg behandeld. Een bevriende politieman was een voormalige patiënt. Net als de man bij wie zij haar antiek betrok. Zelfs de huishoudster die vanaf 1992 bij de Wittenbergs werkte, was via Willem gekomen: haar dochter was door hem voor depressies behandeld.

Al deze personen - en waarschijnlijk nog veel meer - kwamen zo nu en dan langs. Na Jaquelines dood liet een buurtbewoonster zich ontvallen dat de weduwe wel eens had gezegd dat zij al die ‘vreemde wezens’ bij haar in de buurt niet zo prettig vond.

Een van deze vreemde wezens is Michael de J.

 

Lees over de twijfels in de Deventer moordzaak!