Hoofdstuk VIII. De klusjesman
Dat Michael de J., ook wel ‘de klusjesman’ genoemd, een belangrijke rol in het verdere verloop van dit verhaal gaat spelen, kan ik vast wel vertellen. Anders zou ook niet een apart hoofdstuk in dit boek aan hem zijn gewijd. Zelfs kan ik nu al verklappen dat hij (niet alleen door mij) gezien wordt als mogelijke verdachte van de moord op de weduwe Wittenberg.
Maar wie is Michael de J.? Wat was zijn relatie tot de weduwe? Hoe is hij in contact gekomen met de Wittenbergs? Aan de hand van zijn eigen verklaringen en die van anderen in het strafdossier schets ik in het kort zijn levensloop.
De jeugd van de op 18 september 1960 in Arnhem geboren Michael verloopt traumatisch. Het nakomertje kan slecht met zijn ouders opschieten. Hij is dyslectisch (leesblind) waar hij zich erg voor schaamt. De afwijking lijkt ook de relatie met zijn ouders op scherp te zetten. De onhandelbare zoon wordt op een Limburgs internaat geplaatst. Als dit niet tot resultaat leidt, zet zijn vader hem het huis uit. Michael voelt zich door zijn ouders ‘verstoten’. Het contact zal niet meer worden hersteld.
Na wat onafgemaakte studies, onder meer de LTS, treedt Michael op zijn achttiende in dienst van de Deventer antiekzaak 'Het huis anno 1627’ van Max Gosschalk. Hier komt hij in aanraking met het echtpaar Wittenberg, dat tot de vaste klantenkring behoort. Op vrijdagen wordt Willem in de zaak gestald door zijn shoppende echtgenote en drinkt hij gezellig een borrel met Max. Aanvankelijk is de relatie met diens hulpje Michael strikt zakelijk. De jongen levert het gekochte antiek af aan de woning op de Zwolseweg, zet de spullen in de was en restaureert stukken.
Gaandeweg ontstaat een hechtere band. De statusgevoelige jongen vindt de ‘dokter-professor’ en zijn vrouw wereldwijze mensen, die hem heel wat beter begrijpen dan zijn eigen ouders. Met hen kan hij ‘over alles praten'. Vooral met Willem Wittenberg, die zich het lot van de jongen aantrekt. Willem leest de jongen voor uit een boek dat hij schrijft - iets over de Nederlandse Spoorwegen, het zal nooit worden voltooid - en vertelt over zijn successen op de beurs. Willem biedt een luisterend oor, zoals alleen hij dat kan.
Wanneer Max Gosschalk met pensioen gaat, eind jaren tachtig, hoopt Michael even dat hij de zaak kan overnemen. Als dit niet doorgaat, wordt hij depressief. Waarschijnlijk is het in deze periode dat hij in behandeling gaat bij Willem Wittenberg, hoewel hij, zo blijkt uit het dossier, zelf ontkent dat hij formeel patiënt is geweest. Zeker is dat er heel wat praatsessies volgen en de dokter hem medicijnen voorschrijft tegen zijn driftaanvallen. Ook geeft dokter Wittenberg hem een koosnaampje: Michael de aartsbengel.
Hoewel Michael het echtpaar als zijn ‘surrogaatouders’ beschouwt, is het onzeker hoe diep de relatie vanuit de kant van de Wittenbergs wordt ervaren. Helemaal salonfähig is de jongen nu ook weer niet. Op verjaardagen mag hij wel komen, maar dan altijd een dag voor of nadat de familie op visite is geweest. Wat er allemaal tussen dokter Willem en diens zelfbenoemde ‘adoptiefzoon’ Michael is besproken en voorgevallen, is bijzonder vaag. Een seksuele relatie wordt door vrienden en kennissen van Willem krachtig uitgesloten. “Willem? Welnee, hahaha”, is een veelzeggend commentaar. Aanwijzingen voor het tegendeel heb ik niet echt gevonden. Wel staan er enkele eigenaardige voorvallen in het dossier beschreven, waarvan ik er drie uitpik.
1) Willem op vrijdag weer eens een borreltje bij Max in de zaak komt drinken, vraagt hij zich hardop af of Michael ‘niet homoseksueel is’. De jongen vindt dat niet leuk; de zaak zit die middag vol klanten. Iemand die Michael goed kent, zal later – de politie heeft er kennelijk belangstelling voor – getuigen dat het haar niet zou verbazen als hij homofiel zou zijn.
2) Mevrouw Wittenberg zou een keer tegen Michael hebben gezegd dat hij ‘pas weer langs mocht komen als hij een vriendin heeft’. Waarom is niet duidelijk. Wellicht dat zij de jongen toch een beetje als een bedreiging zag.
3) Na de dood van meneer Wittenberg wordt een enorme grafkans met in elkaar gelaste stukken metaal (“Het leek wel een afstudeeropdracht van de LTS”, aldus een kennis) op Willems graf gevonden. Jaqueline is ziedend en laat het terstond verwijderen. Het kunstwerk is afkomstig van haar klusjesman. Of een dergelijke woedeuitbarsting zuiver uit esthetisch oogpunt valt te verklaren, kan men zich afvragen. Het lijkt er eerder op dat Michael en Willem een bijzondere relatie hadden gehad, waarover mevrouw Wittenberg zo haar bedenkingen koesterde.
Na het overlijden van Willem is zijn aartsbengel in elk geval diep bedroefd. Wel komt hij vaker op bezoek aan de Zwolseweg, hoewel de frequentie later weer wat zal afnemen. Van Jaqueline krijgt hij een gsm’etje cadeau, zodat zij hem altijd kan bereiken. Michael voelt zich ‘vereerd’ dat de weduwe hem in vertrouwen neemt over haar verdriet. Maar hij moet wel gepaste afstand houden en blijft haar aanspreken met ‘mevrouw’.
Inmiddels heeft Michael zich laten afkeuren vanwege zijn rug. Vanuit de arbeidsvoorziening wordt hij gedetacheerd als beheerder bij Brink 21, een complex van studentensociëteiten in de binnenstad van Deventer. Ondertussen blijft hij bij Jaqueline Wittenberg het antiek verzorgen en doet hij klusjes in huis en tuin. Na haar geplande verhuizing naar Het Pothoofd, de fraaie penthouse aan de IJssel, zal hij, zo vertelt hij trots tegen kennissen, ‘als een soort butler’ voor mevrouw gaan werken. Het zal er niet meer van komen.
Op dinsdag 28 september, vijf dagen nadat mevrouw Wittenberg is vermoord, wordt de dan 39-jarige Michael voor het eerst gehoord door de regiopolitie IJsselland. Hij blijkt tot in detail op de hoogte te zijn van alles wat zich in de woning bevindt en van het doen en laten van de weduwe. Als hij op bezoek kwam, moest hij wel altijd even van tevoren bellen. ‘s Avonds kwam hij eigenlijk nooit langs, zegt hij.
“U vertelt mij dat (..) mevrouw Wittenberg is vermoord. Ik schrik daar heel erg van”, verklaart hij. “Ik was daar helemaal niet van op de hoogte, ik had haar vandaag zelfs willen bellen.”
Maar Michael spreekt niet de waarheid. Dat blijkt als zijn ex-vriendin Hennie wordt gehoord. Zij vertelt dat ze op zaterdag 25 september – de dag dat het lijk werd gevonden – telefonisch contact heeft gehad met Michael. Toen zij vroeg hoe het met hem was, antwoordde hij dat ‘het wel ging’. Hij zou een vriendin hebben verloren en was bezig een rouwadvertentie op te stellen. Hennie herinnert zich zelfs een zin uit de advertentie: “Zij was als een moeder voor mij.” Het is exact de formulering die Michael gebruikt in de rouwadvertentie die in het Deventer Dagblad van 1 oktober verschijnt.
Bij het rechercheteam moeten op dat moment alle signalen op alert zijn gegaan. Want waarom zou Michael op dinsdag 28 september tegenover de politie verklaren dat hij niet op de hoogte is van de dood van Jaqueline Wittenberg, terwijl hij de zaterdag ervoor al bezig was een advertentie te schrijven. Een zinnige reden valt daarvoor niet te bedenken. Zoiets vergeet je ook niet. Het is gewoon uiterst verdacht.
Al gauw ontdekt de politie dat zijn verhaal meer tegenstrijdigheden bevat. Geraagd naar zijn alibi, verklaart Michael dat hij die donderdagochtend rond elf uur mevrouw Wittenberg heeft gebeld. Vervolgens is hij de binnenstad ingegaan en heeft hij tot etenstijd op het terras van café ‘FJ’ gezeten. Om een uur of vijf zou hij naar het huis van zijn vriendin Meike zijn gelopen, waar hij heeft gekookt. Samen hebben ze daar de avond en de nacht doorgebracht.
Later blijkt het toch weer anders te liggen. Dan herinnert hij zich plotseling dat hij nog in restaurant De Hooiberg is geweest, waar de plaatselijke middenstand een gesprek over de kwaliteit van de saté voerde. Michael had die avond ‘vet geborreld’. Tussen zeven en half acht ‘s avonds zou hij naar zijn vriendin zijn gelopen. Of Meike op dat moment thuis was, weet hij niet meer. Normaal gesproken zou zij op donderdagavond tai-chi-les hebben, en dat duurde tot negen uur.
De rechercheurs concluderen dat Michael geen sluitend alibi heeft. Vrijwel gelijktijdig horen andere agenten zijn vriendin. Meike houdt min of meer vast aan de eerste lezing. Toen zij rond half vijf ‘s middags thuiskwam, zo verklaart ze, stond Michael te koken. Ze aten samen, en waren niet meer buiten de deur geweest. Over tai-chi wordt niet gesproken. Het riekt wel heel erg naar een (zij het slecht uitgespeeld) één-tweetje.
Met de waarheid lijkt Michael het toch al niet zo nauw te nemen. Wanneer de politie hem vraagt of hij wel eens op een motor rijdt, antwoordt hij ontkennend. De motor zou van zijn vriendin zijn; zelf heeft hij geen rijbewijs. Maar een onderzoekje dat ik deed in de buurt van de Zwolseweg wijst anders uit. Michael blijkt nog een tweede bijnaam te hebben: ‘motormuis’.
Rond Michael de J. start de recherche IJsselland een uitgebreid onderzoek. Kennissen schetsen een negatief beeld van hem. Hij heeft een ‘dure smaak’ en is ‘tuk op geld’. Hoewel de klusjesman van een magere uitkering moet rondkomen en hij schulden heeft bij de bedrijfsvereniging Detam en de belastingdienst draagt hij dure kleding, Cartier-horloges en bezit hij twee terreinwagens. Michael, die ook als beheerder bij een ‘pornoclub’ blijkt te hebben gewerkt, zou zich inlaten met ‘dubieuze zaken’. Er wordt gesproken over diverse diefstallen en het tillen van de verzekering.
Zijn al wat oudere ex-vriendin Hennie – Michael zou vallen op oudere vrouwen met wie hij ‘beter kan praten’ – doet een boekje open over hun relatie. Michael was jaloers, haar kinderen waren bang voor hem (“Ze vonden hem een griezel waar ik nooit meer van af zou komen.”) en waarschuwden haar dat hij achter haar geld aan zat. Het koppel maakte veel ruzie, wat vooral zou komen door zijn ‘oneerlijkheid’. Hennie was vaak geld kwijt en verdacht Michael ervan dit te hebben gestolen. Als ze hem erop aansprak, ontkende hij niet, maar haalde hij onverschillig de schouders op.
Het meeste geld besteedt Michael aan een zwarte jeep die is gestald bij zijn vriend Johan W. in Holten. Aan deze jeep versleutelt hij voor vele duizenden guldens. Alles bij elkaar zou de wagen zo’n 150.000 gulden hebben gekost. Op het dashboard zit een gouden plaatje dat hij speciaal in Engeland heeft laten maken en waarvoor hij een paar duizend gulden zou hebben betaald. Als iemand hem wel eens vroeg hoe hij dit alles bekostigde, vertelde hij dat het geld met de ‘verkoop van antiek’ was verdiend.
Een aartsbengel is Michael wel. In zijn woning heeft hij een hele verzameling messen, krissen en vuurwapens. Hij spreekt daarover als zijn ‘baby’s’. Ook zijn er kogels in huis. Onder zijn kussen liggen een vuurwapen met een afgezaagde loop en een ‘raar soort mes’, verklaart zijn ex Hennie. “Hij had ergens angst voor, maar kon niet uitleggen waarvoor.”
De laatste keer dat ze hem treft – de vrijdag na de moord op het terras van FJ-café – overhandigt hij haar een briefje. Hierop staan nummers van een vuurwapen. Michael vraagt Hennie of zij in Duitsland, waar zij aan de grens woont, een winkel kent ‘zoals HES Van Zweeden in Arnhem’, en het wapen voor hem kan kopen. Het zou een luchtdrukpistool merk colt type CP88 betreffen. “Ter concentratie en ontspanning”, verklaart Michael later. Dat hij uitgerekend de dag na de moord een pistool wil aanschaffen, is een intrigerend gegeven. Hennie antwoordt dat ze ‘wel zal kijken’.
Interessant is ook de getuigenis van een winkelbediende, die in het centrum van Deventer werkt. Wanneer de politie haar vertelt van de moord op Jaqueline Wittenberg komt zij spontaan met de naam Michael op de proppen. Ze blijkt hem al vijfentwintig jaar te kennen. Een half jaar geleden was ze hem voor het laatst tegengekomen in de stad. Michael wilde Deventer verlaten, had hij verteld. Toen ze hem vroeg hoe het met mevrouw Wittenberg ging, had hij iets gemompeld in de trant van ‘dat stomme wijf altijd met haar gezeur’. De verkoopster hoopt dat ze Michael, die in die tijd met een ploertendoder op zak liep, niet meer tegen het lijf loopt. Ze vond hem ‘agressief en labiel overkomen’. “Dat had hij wel vaker.”
Na de dood van Max Gosschalk, de jofele antiquair, zou de jongen het spoor bijster zijn geraakt.
Waar de recherche later – als Ernest L. in beeld komt – fout op fout zal stapelen, gaat men in dit stadium nog vrij kundig te werk. Op 12 oktober wordt Michael voor de tweede maal verhoord. Er volgen meer interessante details. Zo verklaart Michael dat, als mevrouw Wittenberg wijn dronk, zij erop stond dat die werd ingeschonken door een man. “Vroeger deed de dokter dat, en ze vond dat ik het nu mocht doen.” De politiemannen zullen op dat moment ongetwijfeld hebben gedacht aan de onaangeroerde fles rode wijn die bij de weduwe op tafel stond toen haar lichaam werd gevonden.
Veel interesse tonen de rechercheurs in de speciale telefoon die mevouw Wittenberg recent had aangeschaft. Enige maanden voor haar dood werd Jaqueline lastiggevallen door anonieme bellers (of ze ook hijgden is niet zeker) en een bevriende agent had haar geadviseerd een telefoon met nummerherkenning en nummergeheugen te kopen. De viespeuken konden zo worden ontmaskerd. Opvallend was dat de anonieme telefoontjes direct daarna ophielden. De beller moest dus haast wel op de hoogte zijn geweest van de aanschaf van het nieuwe toestel.
Degene die de telefoon installeerde, zo blijkt uit dit tweede verhoor, was Michael de J. Maar vreemd genoeg (of wellicht juist niet) noemt hij een heel andere reden voor de aanschaf ervan. Mevrouw Wittenberg zou het toestel hebben gekocht omdat zij het vervelend vond dat er wel eens mensen hadden gebeld als zij niet thuis was. Nu kon ze dit controleren door de nummerherkenning op het apparaat. Waarom ze niet gewoon een antwoordapparaat had gekocht, vertelt de klusjesman er niet bij.
Kennelijk zijn de rechercheurs ook niet al te overtuigd door Michaels verhaal. Ze blijven duchtig ‘doordouwen’ op het punt van de telefoon. Dan blijkt dat de installatie ervan niet zo’n succes was geweest. “Het kwam indertijd wel voor”, vertelt Michael “dat mevrouw gebeld werd en dat er op de display van haar toestel geen nummer van de beller te zien was. Mevrouw vond dat vervelend.” Dus had Michael de PTT gebeld om ‘navraag’ te doen. “In deze gevallen waren het mensen die belden die niet wilden dat hun nummer bij de ontvanger in beeld kwam.”
Je vraagt je af of de klusjesman soms zelf een van die ‘mensen’ was geweest of dat hij om minder nobele redenen de informatie bij de PTT had ingewonnen. Namelijk om uit te zoeken hoe hij, of een bekende, de gevreesde ‘ontmaskering’ zou kunnen ontlopen.
Halverwege het verhoor leest men dan Michael de ‘cautie’ voor: hij is niet meer tot antwoorden verplicht, omdat hij zichzelf zou kunnen belasten. Van getuige is hij nu verdachte geworden. En de duimschroeven worden verder aangedraaid.
Een van de ondervragers: “Michael, heeft u een probleem?”
Michael: “Ik heb geen probleem. Ja, dat zij dood is. U denkt dat ik het heb gedaan?”
De rechercheur: “Vindt u het raar dat ik dat denk?”
Michael: “Nee, dat is uw werk.”
Het politiedossier leest als een thriller waarvan de ontknoping lijkt te naderen. Hier nu zit een verdachte die een wat verwrongen emotionele band had met het slachtoffer ( de ‘surrogaatmoeder’), geen alibi heeft, er zelfs over lijkt te liegen. Een man die dol is op steekwapens en pistolen, als onbetrouwbaar en agressief te boek staat en op de avond van de moord te diep in het glaasje had gekeken. Elk moment kunnen hem de handboeien worden omgedaan, verwacht je.
Maar nee.
Pas zes dagen later (18 oktober) volgt een derde verhoor met de verdachte waarin hem enkele aanvullende vragen worden gesteld. Zo wil de politie graag iets weten over een kogel die Michael in zijn woning naar een vrouw zou hebben gegooid, en die een gat in de vitrinekast sloeg. “Dat is gebeurd bij mijn vriendin Erlinde”, zegt Michael. “Erlinde was een ex-vriendin van mij. Zij is toen op wereldreis gegaan en daar zijn toen problemen over ontstaan. Ze is toen bijna verkocht. Kunt u zich voorstellen hoe ik toen in de rats heb gezeten?”
Misschien kunnen de rechercheurs zich dat best voorstellen, maar ze vragen toch nog even verder. Michael verklaart: “Waarom slaan bij iemand de knoppen door? Omdat iemand verdriet heeft, pijn heeft, pijn is gedaan, gefrustreerd is geraakt, mensen die geestelijk in nood zitten en niet weten hoe er uit te raken. Ik kan mij best voortellen dat u nu denkt dat ik mevrouw Wittenberg van kant heb gemaakt, maar dat raakt nog wal nog schip.”
Het taalgebruik is voor rekening van de verdachte, de weergave voor rekening van de politeman die het proces-verbaal tikte. Dit terzijde.
De ondervragers informeren naar het mes en het vuurwapen dat Michael onder zijn kussen heeft liggen. Michael verklaart dat hij beide ‘enkele jaren geleden’ heeft verkocht aan een kok. Een ‘souschef’ wiens naam hij zich niet herinnert, evenmin als het restaurant waar deze werkte. Een wel zeer ernstige vorm van geheugenverlies. Maar de rechercheurs vragen dit keer niet door.
Op 19 oktober vindt, voor zover na te gaan, een laaste onderzoek rond de verdachte plaats. Op die dag wordt studente Emilie ondervraagd. Ze verklaart dat Michael luttele dagen voor de moord zijn baan bij Brink 21, de studentensociëteit waar hij beheerder was, had opgezegd. De studente kent hem redelijk goed en vertelt dat hij ‘aardig wat drank lustte’. Als hij drinkt, verandert hij. “Hij trekt zich in zichzelf terug. Hij wordt dan treurig. Hij begint te klagen dat hij het moeilijk heeft en niet lekker in zijn vel zit.”.
Dan stopt het onderzoek. Een maand later wordt Ernest L. gearresteerd.
Waar de Deventer politie ophoudt, begint Bureau Waisvisz. Meneer en mevrouw Waisvisz zijn, na bestudering van het procesdossier, vooral geïntrigeerd geraakt door de messenverzameling die Michael erop na houdt. Voor hen staat immers vast dat het mes dat op anderhalve kilometer van de woning van mevrouw Wittenberg werd gevonden niet het moordwapen kan zijn. Dit simpele keukenmes – een Maître rostfrei solingen – heeft een lemmet van achttieneneenhalve centimeter, terwijl er in het lichaam van de weduwe vijf steekkanalen van elk tien centimeter zijn gevonden. Een opzienbarend staaltje accuratesse dat zelfs een ervaren lerares handvaardigheid niet voor elkaar zou krijgen. Bovendien past het mes niet op de bloedafdruk van het lemmet van een mes op de blouse van het slachtoffer en bij de scheuren die in het kledingstuk zijn aangebracht. Veel logischer is het, meent Waisvisz, dat het moordwapen een mes met een lemmet van ongeveer tien centimeter is, met aan het eind van het lemmet een haaientandvorm en aan het begin ervan een scherpe inkeping, waar de stof van de blouse achter is blijven haken.
En laten dat nu net de karakteristieken zijn van de Japanse globalmessen die Michael verzamelt. Met name het global GS8 tourneermes, dat voldoet aan de beschrijving van het ‘raar soort mes’ dat hij onder zijn kussen had liggen, past naadloos op de bloedafdruk op de blouse, meent Waisvisz. Een conclusie die een medewerker van TNO na vergelijking tussen de mogelijke moordwapens heeft bevestigd.
Stel nu, dit globalmes is inderdaad het moordwapen geweest. En stel, Michael heeft het ergens gedumpt. Dan ontbreekt er dus een exemplaar in zijn collectie. Hoe dit op te lossen in het geval de politie een huiszoeking bij hem zou gaan verrichten? Simpel, door een nieuwe te kopen.
Op de zaterdagochtend na de moord is Michael, zo heeft hij verklaard, met de trein naar Arnhem geweest om een magneestrip voor zijn globalmessen te kopen. Tijdens een verhoor laat hij de agenten spontaan een retourticket zien, dat hij nog in zijn broekzak heeft zitten. Nu zijn er, zo heeft Bureau Waisvisz uitgevogeld, slechts drie verkooppunten in Arnhem voor deze speciale koksmessen. Maar op geen van deze drie adressen is die ochtend zo’n magneetstrip verkocht. Michael lijkt dus weer eens te jokken. Belangrijker: in een van deze drie winkels is die ochtend wel een globalmes verkocht. Bijna drie jaar na dato kan de verkoopster zich niet meer herinneren of de koper Michael was, maar aan de hand van een foto herkent zij hem wel als een vaste klant. Het verkochte globalmes is overigens van een iets ander type (GS17) dan het mes dat zo’n opvallende gelijkenis vertoonde met het moordwapen. Maar het is natuurlijk voldoende gelijkend om de collectie te completeren en de politie om de tuin te leiden. Zou Michael de J. het weggegooide mes aldus hebben vervangen, zoals Bureau Waisvisz vermoedt? Had hij om het werkelijke doel van zijn bezoek aan de keukenwinkel te maskeren het (natuurlijk niet zo bijster handige) verhaal van de magneetstrip opgehangen?
Een ander deelonderzoek van Bureau Waisvisz richt zich op de rouwadvertentie die op 1 oktober in het Deventer Dagblad verschijnt. Een medewerker van de krant zegt dat Michael al op maandag 27 september de advertentie heeft opgegeven. Dat is verdacht, omdat hij op dinsdag 28 september, wanneer hij voor het eerst wordt verhoord, nog beweerde dat hij niet van de dood van mevrouw Wittenberg op de hoogte was. Het bevestigt dus het verhaal van zijn ex-vriendin Hennie, die ook verklaarde dat Michael al voor die dinsdag over een rouwadvertentie sprak.
Tenslotte zijn naspeurigen verricht naar het medicijngebruik van de verdachte. Bekend is dat Michael pillen slikte tegen rugklachten. Het meest gebruikte middel om spierverslapping in de rug te bereiken is diazepam. In combinatie met alcohol kan dat tot een ‘opgewonden en verwarde’ psychische gesteldheid leiden. We weten dat de toch al labiele Michael op de avond van de moord heel wat liters bier achter de kiezen had. Zouden bij hem ‘de knoppen’ zijn doorgeslagen, zoals hij dat noemt. Had hij ‘verdriet, pijn en frustratie’ gevoeld? Maar ja, waarom dan? Of heeft een ex-psychiatrische patiënt niet zo veel redenen nodig voor zo’n gruweldaad? Het blijft natuurlijk gissen.
Maar wel staat vast dat tussen Michael en mevrouw Wittenberg de laatste weken voor haar dood een verwijdering had plaatsgevonden. De weduwe had een hovenier aangesteld – voorheen mocht Michael de klussen in de tuin doen – en hij had zich wellicht gepasseerd gevoeld. Bovendien had Jaqueline hem niet op zijn verjaardag gebeld en was ze niet aanwezig geweest bij het afscheidsfeestje op Brink 21, de studentensociëteit. Zelfs voor een ‘surrogaatmoeder’ is dat wel heel kil. Michael zelf heeft verklaard dat hij de laatste maanden weinig contact met de weduwe had. Dit had ze hem ‘kwalijk genomen’.
Nu is het bekend dat Jaqueline overgevoelig reageerde als vrienden en bekenden haar onvoldoende steunden in het verdriet dat zij nog steeds voelde over het verlies van haar echtgenoot. Het zou kunnen dat Michael moest worden gestraft voor zijn ontrouw. Of zou hij om een andere reden uit de gratie zijn geraakt? Moet de sleutel in dit misdaadverhaal dan toch worden gezocht in het niet onaanzienlijke fortuin dat zij zou achterlaten?
Laat ik de lezer nog eens terugvoeren naar eind augustus 1999. Mevrouw Wittenberg is dan druk doende een nieuw testament op te stellen en heeft een optie op een penthouse op Het Pothoofd genomen. Ze maakt zich op voor een nieuwe fase in haar leven. Aan haar executeur-testamentair Ernest L. vertelt de weduwe dat zij voor circa acht ton aan antiek en sieraden in huis heeft. Ze blijkt echter slechts voor vier ton verzekerd. Aangezien Jaqueline voor een verhuizing staat, adviseert de fiscalist haar het hele spul opnieuw te laten taxeren en eventueel bij te verzekeren.
Drie weken later is zij dood.
Op de maandag na de moord begint L. met de afwikkeling van het testament. Enkele dagen later komt iemand van veilinghuis Christie’s in de woning aan de Zwolseweg om de boedel te waarderen. De expert heeft slechts enkele seconden nodig om te zien dat het antiek waardeloos is; oude klokken zijn in nieuwe omhulsels gestopt en er zitten pure vervalsingen tussen. Christie’s is niet langer geïnteresseerd. De boedel zal voor een habbekrats door het minder prestigieuze Vendue huis worden geveild.
Terwijl de veilingmeester zijn best doet zoveel mogelijk ‘binnen te halen’, wordt hij gebeld door Jacob W. , de nieuwe antiekhandelaar van de weduwe. Jacob vraagt de veilingmeester geld voor de opslag van enkele stukken in zijn woning in Lochem. Maar hij krijgt meteen te horen: “Dat jij dat durft te vragen. Je hebt haar alleen maar rotzooi geleverd.” Wanneer ik in augustus 2002 nog eens contact opneem met de veilingmeester, herinnert hij zich Jacob nog wel. Hij noemt hem ‘een cowboy’ en ‘een sjacheraar.’
De vraag is nu: had Jaqueline in de weken voor haar dood het advies van Ernest L. om haar antiek te laten hertaxeren opgevolgd? En was zij er zo achter gekomen dat zij voor tonnen was opgelicht door Jacob W. en wellicht ook al door die goede oude Max Gosschalk en/of zijn hulpje Michael de J.? Helaas, het viel niet meer te achterhalen.
Opvallend is wel dat mevrouw Wittenberg tien dagen voor haar dood nog enkele wijzigingen in haar (nieuwe) testament had laten aanbrengen. Jacob W., die in het oude testament nog rijkelijk werd bedeeld, kwam in dit nieuwe testament al niet meer voor. De notaris was niet bereid de op de valreep gemaakte aanpassingen toe te lichten; hij beroept zich op zijn ambtsgeheim.
Op de laatste dag van haar leven werd Jaqueline Wittenberg rond elf uur ‘s ochtends door Michael gebeld. Hoewel ze volgens bronnen niets mankeerde, kwam ze net van haar huisarts vandaan, die tevens een vertrouweling was. Ze was ‘kortaf’ tegen Michael geweest. Een uur daarna bezocht ze – vroeger dan gebruikelijk – het graf van Willem. Dat deed ze wel vaker als ze voor belangrijke beslissingen stond. Heeft ze toen besloten definitief met haar klusjesman te breken? Wellicht vanwege de antiekzwendel? Er zijn slechts twee mensen die het weten: de ene is dood, de andere, Michael, was niet bereikbaar voor commentaar.
Tenslotte nog iets anders. Ik waarschuw: het is een wat morbide verhaal. Op zondagmiddag 19 september brengt Michael de J. naar eigen zeggen voor de laatste keer een bezoek aan Jaqueline Wittenberg. Hij is dan net weg bij Brink 21 en lijkt een onzekere financiële toekomst tegemoet te gaan. Ze spreken over de Dokter Wittenberg Stichting. Michael is hoogst verwonderd dat ‘mevrouw’ al zo vergevorderd is met haar plannen. In de beginfase had hij haar nog wel voortdurend van advies gediend.. “Ze had het kennelijk allemaal geregeld in de zeven à acht weken dat we elkaar niet hadden gezien”, zegt hij tijdens een verhoor. Over zijn aandeel in de erfenis zou die middag niet gesproken zijn.
“Toen mevrouw mij bovenstaand vertelde”, vervolgt hij, “stonden we onder het schilderij van meneer Wittenberg. Ik stond bij haar, een halve stap achter haar. We stonden op het kleed voor de open haard.”
Het zal exact de plek zijn waar de weduwe vier dagen later dood wordt gevonden door de politie. De moordenaar, zo blijkt uit een detectiveonderzoek in opdracht van Ernest L., had haar van achteren vastgepakt, met de ene hand de keel dichtgeknepen en met de andere hand vijf messteken in haar borst toegebracht.
Bij de laatste rustplaats van Jaqueline en Willem Wittenberg is het al enige tijd stil. Ordinair gezegd: de loop is er een beetje uit. Het is augustus 2002 en het is lang geleden dat er verse bloemen op het graf zijn gelegd. Voor familie en vrienden moet de gedachte dat iemand in een cel in Lelystad boete doet voor de moord een zekere troost hebben geboden. Ze vinden het pijnlijk dat de zaak nu wordt opgerakeld.
Te vrezen valt dat het einde van deze affaire niet in zicht is. Daarvoor blijven te veel vragen onbeantwoord. Hoe is het mogelijk dat de recherche zo abrupt het onderzoek naar Michael de J. staakte? Alles wijst erop dat hij een stuk verdachter was dan Ernest L. Waarom werd de vuurwapen- en messenverzamelaar nooit geconfronteerd met het keukenmes, dat al op de maandag na de moord in beslag zou zijn genomen en volgens de recherche zo’n frappante overeenkomst met het moordwapen vertoonde? Was een huizoeking bij ‘motormuis’ niet een keer op zijn plaats geweest? Of is die wel gedaan, maar is daar nooit verslag van gedaan? En hoe zat het toch met dat exuusbriefje in de tuin met al die spel- en taalfouten? Had de leesblinde Michael niet een keer een schrijftest moeten ondergaan?
Helaas, de recherche IJsselland heeft iedere medewerking aan mijn onderzoek geweigerd. Een politievoorlichter heeft mij verwezen naar het parket van justitie in Zwolle, dat mij weer verwees naar het parket in Arnhem. Ook daar wilde niemand iets zeggen. “De zaak is onder de rechter”, heet het. Daarmee doelt men op de Hoge Raad die zich momenteel buigt over het herzieningsverzoek van Ernest L..
Overigens zal ik Michael de J. nog wel gaan ontmoeten. Dat zal gebeuren tijdens een van de merkwaardigste bijeenkomsten die ik in het kader van mijn onderzoek naar de Deventer moordzaak heb gehad.