© Ontworpen door Undercover
 

De Deventer moordzaak
Door Stan de Jong

 
 

Hoofdstuk X. De tegenkrachten

“Ze zijn begonnen – de smeerlappen!”

Mevrouw Waisvisz aan de telefoon. Het is de laatste dag in september 2002 en er is paniek uitgebroken in Almere-Buiten. Een journalist van De Telegraaf heeft gisteren gebeld. “Die voert al jaren een hetze tegen ons! De man gaat nu een stuk over L. schrijven. Hij heeft gisteravond ook naar L.’s advocaat gebeld.”

Op de achtergrond hoor ik Ed Waisvisz iets van ‘dronken’ roepen.

“De journalist was stomdronken toen hij aan de telefoon hing”, zegt Wanda. Ze snikt: “Dan zet je je anderhalf jaar in voor iemand. Geheel belangeloos. Vooralsnog tenminste. En dan krijg je dit! Dat ze je kapot proberen te maken!”

Nu schreeuwt Ed iets van “Vis... pakken!”

Wanda: “Nou ja, we denken maar: overmorgen wordt er weer de vis in verpakt. Ernest moet eruit! Dat is het belangrijkste – de rest is bijzaak.”

“Ja”, zeg ik.

We beëindigen het gesprek.

Een dag later verschijnt het artikel in De Telegraaf. Het is ongeveer zo erg als het echtpaar vreesde. De kop van het artikel luidt: “Zwart verleden achtervolgt ‘Witte Wanda’.” Daarboven staat: “Opmerkelijke rol omstreden grafologe in moordproces Ernest L.” De schrijver meent dat het ‘opmerkelijk’ is dat L.’s advocaat het herzieningsverzoek baseert op een rapport van het Algemeen Schriftkundig Bureau E. & W. Waisvisz, ‘dat in de jaren tachtig zeer omstreden was vanwege het strafrechtelijk verleden van mevrouw W. Waisvisz, toen beter bekend als ‘Witte Wanda’.’ Mevrouw Waisvisz zou zijn veroordeeld voor een ‘langdurige lastercampagne’.

De broer van Jaqueline Wittenberg, Kees Willemen, heeft ‘tot zijn verbazing’ kennis genomen van de ‘buitengewoon ernstige feiten’. Hij zegt: “Het geeft ons een heel onbehaaglijk gevoel dat deze vrouw nu bezig is om Ernest L. vrij te pleiten. Als familie hebben wij meer vertrouwen in het vonnis van het gerechtshof. Tot onze verbazing was Ernest L. door mijn zuster aangewezen als executeur-testamenair. Op 13 september 1999 werd haar testament veranderd, binnen twee weken daarna werd zij vermoord. Zéér verdacht dus.”

Het is de eerste keer dat in de gedrukte media zo’n kritisch artikel over Ernest L. verschijnt. Als het de bedoeling is zijn zaak schade toe te brengen, is het verhaal perfect getimed. Vandaag, dinsdag 1 oktober 2002, zal de Hoge Raad een beslissing nemen over het advies van de advocaat-generaal nader onderzoek in te stellen naar de omstreden geursorteerprroef met het mes.

Meneer Waisvisz is door de krant overigens nog om commentaar gevraagd: “We hebben het dossier over de moord uiterst serieus onderzocht”, zegt hij. “Het politie- en jusitieonderzoek waarop meneer L. is veroordeld, rammelt aan alle kanten. Wat er voorheen over mijn vrouw is beweerd, staat daar volledig los van.”

Over vis verpakken spreekt hij niet.

In de drie maanden dat ik nu met de Deventer moordzaak bezig ben, heb ik al die tijd geweten dat er ‘iets’ met het verleden van Wanda Waisvisz aan de hand was. Ze had me er zelf over verteld. Ik had in Almere-Buiten onder het genot van een vegetarische hamburger en frietjes uit de oven wat documenten bekeken en artikelen gelezen. Het leek mij dat het weinig om het lijf had. Mevrouw Waisvisz, die dus kennelijk ook bekend stond onder de onheilspellende naam Witte Wanda, had nooit een gevangenisstraf ondergaan voor de ‘bedreigingen met het leven’ waarvan zij werd beschuldigd. Dat wist ik in elk geval zeker. De twee zaken speelden bovendien twintig jaar en achttien jaar terug en hadden natuurlijk niets met de zaak van Ernest L. te maken.

Maar daar dachten sommige mensen anders over.

Wie denkt dat iedereen zit te wachten op de vrijlating van iemand die ten onrechte in een gevangeniscel zit, vergist zich lelijk. Zo zit de ‘grote mensenwereld’ blijkbaar niet in elkaar. Er zijn altijd en overal tegenkrachten aan het werk. Hun motieven mogen verschillend zijn en niet altijd goed te doorgronden, maar de tegenkrachten weten elkaar uiteindelijk wel te vinden. Dat is geen kwestie van een complot, het is een kwestie van het delen van een zelfde belang.

In de zaak van Ernest L. is er een aantal voor de hand liggende tegenkrachten. Allereerst zijn daar natuurlijk degenen die zelf een kwalijke rol in deze moordzaak hebben gespeeld, waaronder de echte dader, wie dat ook mag zijn, en zijn mogelijke handlangers. Bij een herziening van de Deventer moordzaak komen zij immers weer volop in de picture van de bevoegde autoriteiten.

Evenmin zullen de Deventer politie en het parket van justitie in Zwolle reikhalzend uitkijken naar de dag dat Ernest L. weer in volle vrijheid zijn Anneke in de armen sluit. Als de Deventer moordzaak wordt heropend, komt immers genadeloos aan het licht op welke dubieuze wijze men heeft geopereerd. Je mag veronderstellen dat sommige rechercheurs van het korps IJsselland nu al doorwaakte nachten hebben beleefd met al die voor hen zo ongunstige publiciteit in deze zaak. Het in elkaar draaien van bewijsmateriaal is geen licht vergrijp. Er staan carrières op het spel.

Voor het hof in Arnhem, dat L. veroordeelde, geldt in minder mate hetzelfde. En dit is dan ook nog eens hetzelfde hof dat de twee van Putten in de cel deed belanden. Die in revisie werden vrijgesproken. Twee gerechtelijke dwalingen binnen een jaar - het is allemaal niet bevorderlijk voor je loopbaan. Tenslotte is een heropening van de zaak van Ernest L. natuurlijk een blamage voor de hele rechterlijke macht, het Openbaar Ministerie en de politie.

Al deze dames en heren – heus: ik ga geen complottheorie ontvouwen, ik ga het hebben over relaties – kunnen dan ook nog eens op allerlei wijzen deel uitmaken van diverse netwerken die weer met elkaar zijn verknoopt. Via een aangetrouwd familielid, omdat ze ooit een verhouding hebben gehad, op dezelfde hondentrimvereniging of dezelfde voetbalclub zitten. Of omdat ze voor dezelfde baas werken. Het zal afhankelijk zijn van de branche, maar niet iedereen zit gniffelend toe te kijken hoe een collega aan de schandpaal wordt genageld - het straalt toch ook een beetje op jou af. Zeker bij het politiekorps weet men wel raad met ‘matennaaiers’.

En dit zijn dan nog de voor de hánd liggende tegenkrachten.

Wat te denken van mensen die een hekel hebben aan Ernest L. Gewoon, omdat-ie zo saai is. Of omdat ze die Anneke L. zelf wel een lekker stuk vinden. Wat te denken van plaatsgenoten van meneer en mevrouw Waisvisz, die het echtpaar helemaal niet, zoals ik, leuk excentriek vinden, maar stapelmesjogge. Van grafologen die graag zelf de Deventer moordzaak hadden willen doen. Van journalisten die gewoon een ‘lekker stukkie’ willen schrijven. Of ooit een lekker stukkie hebben geschreven en daar vanwege prestigeverlies niet op terug wensen te komen. Van… Met enige fantasie is de lijst moeiteloos uit te breiden.

Over de tegenkrachten in de Deventer moordzaak en over hoe ze elkaar weten te vinden – daarover gaat dit hoofdstuk.

Aanvankelijk had ik er weinig aandacht aan besteed, maar na de publicatie van het negatieve artikel in De Telegraaf, herinnerde ik mij een wat curieuze brief die ik eind augustus 2002 had ontvangen. De brief was afkomstig van Verweij-advocaten in Nijmegen. Een brief op poten. Zoals alleen advocaten dat kunnen. Het was gericht aan ‘de hoofdredactie HP/De Tijd’ en de strekking was hoe die het in haar hoofd had gehaald een artikel van mijn hand over Ernest L. te laten passeren. Een artikel van bedenkelijk niveau. Aldus de briefschrijver.

Op de inhoud van de brief ga ik niet uitgebreid in – de litanie aan verwijten maakte vanwege de tekortschietende onderbouwing ook op de hoofdredactie weinig indruk – interessanter is dat de schrijver namens de familie van Jaqueline Wittenberg zei te opereren. Die had hij al eerder bijgestaan in het strafproces tegen Ernest L. en de civiele procedures die waren gevoerd om L. uit zijn functies als executeur-testamentair en stichtingsvoorzitter te ontzetten. Duidelijk was dat de familie van het slachtoffer nog altijd overtuigd was van de schuld van L.

Kennelijk was dit dus een van die tegenkrachten. Eerlijk gezegd had ik daar nooit rekening mee gehouden. Ik was er vanuit gegaan dat de familie wellicht nog steeds in diepe rouw was gedompeld, hoewel die sentimenten niet echt naar voren waren gekomen gedurende mijn onderzoek, maar in elk geval gebaat was bij het achter slot en grendel krijgen van de werkelijke moordenaar. Nu het zo duidelijk was dat L. ten onrechte was veroordeeld, kon de haat dus niet langer jegens zijn persoon zijn gericht. Dacht ik. Over de merkwaardige rol van de familie zal ik uitgebreider ingaan in hoofdstuk XII.

Maar goed, dit maakte de brief van Verweij-advocaten op zich nog niet curieus. Al wat wonderlijker was het wel dat de advocaat zijn pijlen ook richtte op Bureau Waisvisz, ‘bemand door het echtpaar W.’, dat ‘in vakkringen en daarbuiten vanwege dubieuze praktijken, waarvoor ook strafrechtelijk veroordeeld, zeer omstreden, ook bij politie en justitie is’. De Waisviszen zouden weinig ‘voet tussen de deur’ krijgen en zich meer ‘belangeloos aanbieden dan te worden gevraagd’.

Ter ondersteuning van dit alles had de advocaat – en nu wordt het pas echt curieus – een ander briefje bijgesloten van ‘schriftexpert Zevenbergen’. Het bleek hier te gaan om drs. P.L. Zevenbergen die, blijkens het briefpapier, aan ‘schrift- en documentenonderzoek’ deed. De brief was niet aan de advocaat gericht, maar aan Kees Willemen, de broer van Jaqueline. De twee hadden kennelijk al eerder contact gehad, want ‘zoals beloofd’ had Zevenbergen enkele waarschijnlijk minder gunstige krantenknipsels over het Bureau Waisvisz bijgesloten en allerlei door de werkzaamheden van het bureau ‘benadeelde partijen’ benaderd met de vraag of die eens een boekje over het echtpaar open wilden doen.

Mocht dit niet afdoende zijn, zo kon de schiftexpert Zevenbergen de geadresseerde Kees Willemen geruststellen, dan waren er ook nog drie andere forensische schriftexperts, waarvan twee werkzaam op het Nederlands Forensisch Instituut (Sic!) die ‘over heel negatieve ervaringen met de heer en mevouw Waisvisz kunnen vertellen’.

Met vriendelijke groet…

Welaan. Onder grafologen gaat het er een stuk ruiger aan toe dan je zou verwachten. Veel zijn het er niet in Nederland, een stuk of zeven geloof ik, maar om nu te zeggen dat ze elkaar een opdrachtje gunnen, nou nee. En dan schreef Zevenbergen ook nog ergens dat hij vanwege zijn ‘beroepsethiek en gedragscode’ niet zomaar de namen van benadeelde partijen door kon geven. Daarvoor moest hij nog even toestemming vragen, hetgeen hij natuurlijk graag wilde doen.

Alleen: wat had broer Kees Willemen hier nu allemaal mee van doen? En op wiens initiatief was dit contact gelegd? Zou drs. Zevenbergen op eigen houtje de familie hebben benaderd om ze te waarschuwen voor de bedenkelijke kanten van zijn concurrenten? Of was bij de nabestaanden van mevrouw Wittenberg een wellicht reeds latente belangstelling voor de prachtige kunst der schriftexpertise tot bloei gekomen?

Vragen die ik niet kan beantwoorden.

In elk geval was de correspondentie tussen de grafoloog en de broer van het slachtofer al wel een hele tijd aan de gang. De brief was gedateerd op 27 mei. Maanden voordat het gewraakte artikel op 1 oktober in De Telegraaf verscheen.Vreemd, want de journalist had in dat artikel toch duidelijk geschreven dat Kees Willemen ‘tot zijn verbazing sinds kort kennnisgenomen heeft van de buitengewoon ernstige feiten’. Sinds kort? Zou Zevenbergen zo lang gedraald hebben met het verzamelen van het belastende materiaal? Hij lijkt mij eerder een man van aanpaken.

Nee, het had er alle schijn van dat drie tegenkrachten hier een gelegenheidscoalitie hadden gesmeed. Tegenkrachten die het om elk hun eigen reden helemaal niet zo leuk leken te vinden dat die meneer en mevrouw Waisvisz in Almere-Buiten rapporten schreven dat Ernest L. vrij moest. De schriftexperts, omdat ze de concurrentie waarschijnlijk een hak wilden zetten. De familieleden, omdat ze de kwalijke figuur Ernest L. in de cel wilden houden. En De Telegraaf om wat voor reden dan ook; want voor journalistieke ‘campagnes’ tegen deze of gene heeft het dagblad historisch gezien niet altijd een even heldere aanleiding nodig.

Maar de grootste tegenkracht moest op dat moment nog op stoom komen.

Peter R. de Vries is een misdaadverslaggever zonder vrees of blaam. Alleen al bij het horen van zijn monotone stem lijken boeven in elkaar te krimpen van schrik. De 46-jarige journalist deinst er niet voor terug de ellendelingen persoonlijk in de kraag te vatten. Met zijn veel bekeken TV-programma op SBS6, gastoptredens in Stem van Nederland en hoofdredacteurschap van het Panorama-blad Verdacht! is Peter R. de Vries ook een machtig man. De ‘R.’ staat voor relaties, zegt hij wel eens, en dan hebben we het over contacten in de boven- en onderwereld.

Bescheidenheid is niet de grootste deugd van de besnorde verslaggever, maar hij heeft dan ook wat bereikt. Een jaloersmakende carrière voerde hem langs De Telegraaf, Algemeen Dagblad en Aktueel, en hij schreef bestsellers waarvan De ontvoering van Alfred Heineken nog altijd op het nachtkastje van menig bekend voetballer ligt. Zijn finest hour beleefde hij met de vrijspraak van ‘de twee van Putten’, die eerder waren veroordeeld voor de moord op Christel Ambrosius. Ruim veertig TV-afleveringen van zijn hand leidden mede tot de – ook volgens hemzelf – unieke herziening van deze zaak. Hoewel ze niet alleen in Putten zo hun twijfels houden over de onschuld van dit tweetal, moge duidelijk zijn: Peter R. de Vries kan mensen maken én breken.

Van dat laatste kan Ernest L. inmiddels meepraten. Eind 2002 wijdde De Vries een uitzending aan de fiscalist, die volgens velen ten onrechte vast zit wegens moord op een weduwe in Deventer. Het programma bood een onthutsend inkijkje in de werkwijze van De Vries.

In het verleden zijn vaker twijfels gerezen of Peter R. de Vries wel altijd even zorgvuldig met zijn machtspositie omgaat. Zo schreef Frits Abrahams in zijn column in NRC Handelsblad dat de verslaggever door het gebruik van suggestieve paardenmiddelen asielzoekers in verband had gebracht met de moord op Marianne Vaatstra in Friesland. De gauw aangebrande De Vries deed wat hij doorgaans doet: hij spande een kort geding aan. En verloor.

Jaren eerder kreeg Parool-verslaggever Bart Middelburg het ook al eens aan de stok met zijn collega. Middelburg beschuldigde hem ervan tot de ‘journalistieke coterie’ van onderwereldkoning Klaas Bruinsma te behoren. Om die reden had De Vries ‘publicitaire passiviteit’ in acht genomen, en verleende hij ook ‘hand- en spandiensten’. Uiteraard stapte De Vries weer naar de rechter. Maar opnieuw verloor hij. Volgens het Amsterdamse gerechtshof was er ‘een wederzijds profijtelijke relatie’ tussen de journalist en de topcrimineel.

In zijn in 2002 verschenen boek Onderwereld-p.r. Hoe de misdaad de media manipuleert gaat Middelburg dieper in op de wijze waarop zware jongens journalisten inkapselen en gebruiken voor smeercampagnes tegen rivalen en politie en justitie. Opnieuw krijgt De Vries, maar meer nog diens collega-misdaadverslaggever Bas van Hout, er ongenadig van langs. Nu bekruipt de doorsnee-krantenlezer wel eens het gevoel dat misdaadjournalisten er meer plezier in beleven over elkáár te schrijven dan over (echte) boeven. Maar het moet gezegd: Middelburgs analyse is in al zijn gedetailleerdheid nogal overtuigend. Misschien is het om die reden dat juridische acties door De Vries ditmaal zijn uitgebleven, hoewel hij van zijn connecties in de penose moet hebben geleerd dat ‘kapotprocederen’ een beproefd middel is om met tegenstanders korte metten te maken, zoals Middelburg aantoont.

In zijn boek besteedt Middelburg ook enige aandacht aan wat we maar de televisiepraktijken van Peter R. de Vries zullen noemen. Met verborgen camera’s en het nodige ‘knip- en plakwerk’ zou die in een bepaald geval de waarheid bewust geweld hebben aangedaan. Hoe geraffineerd dit precies in zijn werk gaat, wordt echter pas goed duidelijk in de zaak-Ernest L.

Op 22 december 2000 werd L. veroordeeld door het hof in Arnhem. Hij ging in cassatie bij de Hoge Raad. Het was in afwachting van deze procedure – het cassatieverzoek zou worden afgewezen – dat Peter R. de Vries in mei 2001 een eerste uitzending aan de zaak wijdde.

Een speurneus van zijn kaliber moest wel een rat hebben geroken in de kelders van het Arnhemse gerechtshof, zou men veronderstellen. Maar de uitzending pakte tamelijk negatief voor Ernest L. uit. De Vries, die zich graag afficheert als ‘waakhond van justitie’ en ‘vastbijt en niet meer loslaat’ leek deze keer wel erg te steunen op het bewijsmateriaal dat de justitiële autoriteiten hadden verzameld. Hoewel hij een slag om de arm hield.

Zo hechtte De Vries nogal wat waarde aan – ik schreef er eerder over – de ‘opmerkelijke’ route die L. vanaf de Jaarbeurs in Utrecht over de A28 naar zijn huis in Lelystad had gereden. Had L. niet veel gemakkelijker over de Stichtsebrug via Almere kunnen rijden? In het TV-programma kwam zelfs een kaartje in beeld van het wegennet, dat de argumentatie over de verdachte route kracht moest bijzetten. Duidelijk was hierop de verlengde A27 (vanaf de Stichtsebrug naar Almere) te zien. Hetgeen er inderdaad ‘snel’ uitzag.

Alleen vertelde De Vries er niet bij dat die verlenging pas op 11 december 1999 voor het verkeer werd opengesteld. En op die dag zat L. al bijna een maand in het huis van bewaring.

Ook de vingerafdruk van L., die in de woning van mevrouw Wittenberg was gevonden, was een punt dat De Vries maar moeilijk los kon laten. Volgens Ernest L. zou zijn vingerafdruk kunnen zijn achtergelaten bij zijn bezoek aan de weduwe die donderdagochtend. Hij had immers de ‘grafrechten’ gebracht. Maar, zo meende De Vries de huishoudster kon zich van dat bezoek niets herinneren. Zou de vingerafdruk, zo liet de misdaadverslaggever doorschemeren, toch niet ’s avonds zijn achtergebleven, dus nadat L. zijn lafhartige daad had gepleegd?

Een opvallende suggestie. Want zelfs voor de recherche IJsselland en het hof in Arnhem, die toch niet bepaald verdacht konden worden van een al te positieve grondhouding ten opzichte van L., speelde de vingerafdruk helemaal geen rol meer. Het hof schreef: “Het hof zal de identificatie van het vingerspoor van verdacte niet voor het bewijs gebruiken, aangezien vast staat dat verdachte reeds eerder bij het slachtoffer in haar woning op bezoek is geweest. Het verweer behoeft geen verdere bespreking.”

Inderdaad, het stond vast, het hoefde geen verdere bespreking, behalve dan in het programma ‘Peter R. de Vries, misdaadverslaggever’.

Al met al was Ernest L.. buitengewoon ontevreden over de uitzending. Hij meende dat hij werd neergezet als ‘iemand uit een Duitse krimi’. En dat terwijl hem beloofd was dat het een ‘faire’ uitzending zou worden. Wat hem het meest stak, was dat De Vries allerlei tegenonderzoeken zou verrichten. Volgens L. was daar niets van terecht gekomen. Volgens De Vries, die beweert dat hij ‘evenwichtig’ te werk was gegaan, wel.

Laat ik het er hier maar op houden dat als er inderdaad sprake was geweest van grondige research en objectieve journalistiek de resultaten daarvan in de uitzending van mei 2001 niet zo uit de verf kwamen. Zo meende De Vries stellig dat het in het portiekje gevonden mes werkelijk perfect paste op de bloedafdruk van het lemmet op de blouse van het slachtoffer. Achteraf gezien een onzinnige bewering.

Maar goed, op dat moment had de misdaadverslaggever ook nog niet de beschikking over het belangrijke rapport van schriftkundig bureau Waisvisz dat immers pas in november 2001 verscheen. Overtuigd van Ernests onschuld waren de grafologen Ed en Wanda Waisvis een tegenonderzoek begonnen dat als een bom het laatste restje bewijs uiteen deed spatten. Ze toonden aan dat het bewuste ‘laatste telefoontje’ wel degelijk vanaf de snelweg kon zijn gevoerd. Ook bleek het hoogst onzeker of de moord kort na het telefoongesprek om half negen ’s avonds was gepleegd. De weduwe kon zelfs uren later zijn overleden – en in dat geval was onbetwist dat Ernest al lang en breed thuis voor de buis zat.

Waarschijnlijk het meest tot de verbeelding spraken de nieuwe feiten over het moordwapen. Uit het Waisvisz-rapport bleek dat het gevonden mes qua vorm juist helemaal niet overeenkwam met de bloedafdruk op de blouse van het slachtoffer. Een conclusie die TNO bevestigde. Bovendien was het lemmet van het mes (het was kennelijk geen rechter noch Peter R. de Vries opgevallen) achttien centimeter lang, terwijl er in het lijk vijf steekwonden van elk tien centimeter diep zaten. Zelfs doorgewinterde lijkschouwers kunnen een dusdanig precisiewerkje niet verklaren.

Omdat het onzeker is of het mes het corpus delicti was, had de geursorteerproef nooit gehouden mogen worden. Nog afgezien van het feit dat het vermeende moordwapen dagen in weer en wind in een portiek had gelegen, waardoor de geur voor een deel verloren kon zijn gegaan. Als het mes er trouwens al niet lag vóórdat de moord werd gepleegd, hetgeen goed mogelijk bleek te zijn.

En dan kwam Waisvis na bestudering van het procesdossier ook nog met een mogelijk ander moordwapen aanzetten: een kleiner, krommer mes, dat toebehoorde aan Michael de J., de ex-patiënt van dokter Wittenberg die een nogal verdacht sujet bleek te zijn.

In de media maakte het rapport dan ook grote indruk. Het programma Netwerk besteedde aandacht aan de zaak. HP/De Tijd schreef naar aanleiding van het onderzoek een hele serie over de Deventer moordzaak. Daarin kwam nog een andere figuur in beeld: politieman Henk R., ook al een ex-patiënt van dokter Wittenberg, wiens verdachte rol in het vorige hoofdstuk uit de doeken is gedaan.

Vooraanstaande juristen namen eveneens met verbijstering kennis van de feiten in het rapport van Waisvisz. Prof. P.J. van Koppen bevestigde dat de hondenproef onder deze omstandigheden niet gehouden had mogen worden. De Nijmeegse hoogleraar prof. P.J.P. Tak sprak ronduit van een gerechtelijke dwaling.

In een poging een heropening van de zaak af te dwingen, bracht Ernests nieuwe advocaat Jan Boksem - van het bekende kantoor Anker & Anker – het rapport integraal in bij de Hoge Raad. De advocaat-generaal zag er in elk geval voldoende aanleiding in om op 1 oktober 2002 de omstreden geursorteerproef met het mes nader te laten onderzoeken. Een advies dat werd opgevolgd door de Hoge Raad.

Gezien deze spectaculaire ontwikkelingen was het interessant te zien wat Peter R. de Vries zou doen. Op 7 november 2002 zou het ‘programma dat onderzoekt, ontmaskert, aanklaagt en verdedigt’ opnieuw en in zijn geheel gewijd worden aan de Deventer moordzaak, was van tevoren aangekondigd. Zou de journalist ruiterlijk erkennen dat hij in zijn eerste uitzending een paar steekjes had laten vallen? Nou, nee.

Voor een deel was de tweede uitzending een herhaling van de eerste. Op tal van nieuwe gegevens – zoals het opzichtige gerommel met bewijsmateriaal – werd niet ingegaan. Geen woord over Henk R. En de rol van Michael de J. werd gebagatelliseerd met de opmerking dat die ‘formeel nooit als verdachte was aangemerkt’.

In plaats daarvan kwam De Vries met een wonderlijke theorie over het moordwapen aanzetten. Zoals gezegd: deskundigen kunnen niet verklaren hoe Ernest L. met een mes met een lemmet van achttien centimeter vijf tien centimeter diepe steekwonden kon toebrengen. Bepaald knap was het dan ook dat dit De Vries wel lukte. Het mes, redeneerde hij inventief, kon zijn vastgehouden met een handdoek of iets dergelijks, en ja, ‘dan wordt een achttien centimeter lang mes ineens een stuk korter’. “Soms”, glunderde De Vries over zijn eigen vondst, “moet je verder kijken dan je mes lang is.”

Zeg dat wel. Was het nu echt niet bij De Vries opgekomen dat door de kracht waarmee het mes vijfmaal in de borst werd gestoken – de ribben van het slachtoffer werden gebroken – die doek gewoon zou opstropen? En ja, dan wordt zo’n mes weer ‘een stuk langer’ en vallen die exact tien centimeter diepe steekwonden nog steeds met geen mogelijkheid te verklaren. Of had de moordenaar zijn hand niet om het heft, maar om de doek over het lemmet gehouden? Maar ja, in dat geval zou de dader lelijk zijn vingers aan reepjes hebben gesneden – en L. is nog steeds in het bezit van al zijn vingerkootjes. Wist De Vries ook werkelijk niet dat er geen sporen van textiel in het lichaam van de weduwe waren gevonden? Als Ernest L. een doek om het mes had gedaan, zou dat het geval zijn geweest.

Wist De Vries dit allemaal niet? Of wilde hij dit allemaal niet weten?

In de maanden dat ik nu met deze zaak bezig was, had ik in elk geval nog nimmer iemand gehoord die zich anders dan met verbijstering had uitgelaten over dat verschil tussen die achttieneneenhalve en tien centimeter. Zelfs de voor het overige toch vrij kritische advocaat-generaal van de Hoge Raad, mr. J. Wortel, meende dat dit niet ‘aan het gezond verstand appelleerde’. Nooit had iemand over ‘een doek of iets dergelijks’ gesproken.

Nu, laat ik niet overdrijven. Eenmaal eerder had van ik de ‘oplossing’ van De Vries vernomen. Het was uitgerekend Michael de J. die ermee kwam, in een gesprek dat twee journalisten van de Wegener-dagbladen op 6 augustus 2002 met hem en Henk R. voerden. Dus vóór de tweede uitzending van De Vries.

“Op een gegeven moment spraken wij er onze verbazing over uit hoe het mogelijk is met een lemmet van 18 centimeter telkens steekwonden van precies 10 centimeter te maken”, herinnert Rob Hirdes, een van de twee journalisten, zich. “Hoewel Henk R. voornamelijk aan het woord was geweest, nam nu ineens Michael het gesprek over. Hij demonstreerde zonder er ook maar enig moment over te hoeven nadenken - met naar ik meen een zakdoek en een lepeltje - hoe je het lemmet als het ware verkleint. Ik kan mij herinneren dat hij daarbij triomfantelijk keek voor wat betreft zijn vindingrijkheid. Zeker toen wij hem complimenteerden met de simpelheid van de 'oplossing'.”

Wat je noemt saillant.

Bon. Had Peter R. de Vries ook nog iets à décharge van Ernest L. te melden, zal men zich afvragen? Met moeite. “Wel blijft staan - laat ik dat er eerlijk aan toevoegen – dat de afdruk op de blouse ogenschijnlijk niet correspondeert met het mes.” Waarom hij de woorden ‘wel blijft staan’ gebruikte, weet ik niet. In zijn eerdere uitzending had De Vries immers nog met grote stelligheid het tegendeel beweerd.

Nee, Ernest L. zal zich niet echt gerehabiliteerd hebben gevoeld door deze tweede uitzending. Maar – hoe wonderlijk het ook moge klinken - hij speelde slechts een bijrol. De meeste aandacht van De Vries ging uit naar de onderzoekers die de zaak weer aan het rollen kregen: Ed en Wanda Waisvisz. De kijkers moeten wel geschrokken zijn van wat zij over dit echtpaar te horen en te zien kregen. Niet alleen zou hun schriftkundig bureau in vakkringen niet erkend, zelfs omstreden zijn. Erger: Wanda Waisvisz had een crimineel verleden. Liefst in drie ‘geruchtmakende’ affaires zou zij verwikkeld zijn geweest.

Maar waarom toch al die aandacht voor de onderzoekers en niet voor de zaak zelve? Moesten de boodschappers soms worden onthoofd?

Voor ik inga op de drie ‘affaires’, zal ik eerst eens vertellen hoe het echtpaar Waisvisz nu eigenlijk bij deze moordzaak betrokken raakte. Een zaak waar men nu al anderhalf jaar dag en nacht mee bezig is. Het begon allemaal heel gewoon met het kijken naar een TV-programma.

Op 19 oktober 1999 besteedt Opsporing verzocht aandacht aan de moord op Jaqueline Wittenberg. De politie maakt melding van een briefje vol taal- en spelfouten dat in haar tuin is gevonden. In dit briefje verontschuldigt de schrijver zich ervoor dat hij en zijn maat hebben ingebroken. Hoewel onduidelijk is – en blijft - of er daadwerkelijk iets in de woning is gestolen en of de brief iets met de moord te maken heeft, vraagt het programma de kijkers om hulp.

Geïntrigeerd door de gruwelijke moord biedt het Algemeen Schriftkundig Bureau E. & W. Waisvisz zijn diensten aan. Aan de hand van het briefje schetst men een daderprofiel, dat ter beschikking wordt gesteld aan justitie. Er zal niets meer van worden vernomen. De grafologen zijn de zaak alweer bijna vergeten wanneer in mei 2001 Peter R. de Vries met zijn eerste uitzending komt. Dan vernemen ze van Ernest L., die al ruim een half jaar in de penitentiaire inrichting Lelystad zit. Volgens het echtpaar ten onrechte, want het karakter van de fiscalist komt niet overeen met het eerder gemaakte daderprofiel.

In zijn cel onderwerpen ze de verdachte aan een schrijfproef die aantoont dat hij niet de auteur van het briefje is, en aan een zogenaamde waarheidstest: een schriftkundige test die moet aantonen of hij de waarheid spreekt (of beter gezegd: schrijft) als hij zegt onschuldig te zijn. De uitkomst bevestigt hun vermoeden: Ernest L. is de verkeerde man.

Nu zullen velen zo’n waarheidstest als hocus pocus zien. In zijn uitzending laat De Vries er ook geen spaan van heel. Het zou onwetenschappelijk zijn door middel van schrijfproeven iets over iemands gedrag te zeggen. Daarbij baseert de misdaadverslaggever zich op uitlatingen van de Nederlandse Vereniging Forensische Schriftexpertise. Een vereniging die we inmiddels al wat beter hebben leren kennen middels het bestuurslid, de schriftkundige drs. Zevenbergen, die zo’n warme belangstelling aan de dag legt voor het privé-leven van zijn concurrenten, meneer en mevrouw Waisvisz.

In de kennelijk hoogoplopende disputen onder grafologen over wat wel en niet aangetoond kan worden middels schrijfproeven, meng ik me maar liever niet. Ik houd het bij de constatering dat een waarheidstest geen erkend bewijsmiddel is – vergelijk het met de test met een leugendetector. Maar Bureau Waisvisz heeft het hier dan ook niet bij gelaten, zoals we zagen. De test vormde de aanleiding tot het schrijven van een lijvig dossier dat voor Ernests advocaat Boksem in elk geval voldoende grondig en zakelijk was om het in te brengen in zijn herzieningsverzoek bij de Hoge Raad.

Maar vreemd genoeg gaat De Vries nauwelijks op de inhoud van het rapport in. Hij laat het min of meer bij de constatering dat de advocaat-generaal van de Hoge Raad er weinig aangrijpingspunten in zag om voor een herziening te pleiten. Nu klinkt dat vernietigend, maar het zegt bijzonder weinig. De advocaat-generaal heeft sterk de neiging dergelijke verzoeken in de kiem te smoren. De Hoge Raad zit er niet op te wachten dat alle bajesklanten die menen dat zij ten onrechte vast zitten – en dat zijn er nogal wat – langskomen om hun zaak te heropenen. Aan een herziening worden bovendien strikte – volgens sommige juristen te strikte – eisen gesteld. Er moet sprake zijn van een novum: een feit dat bij de rechter die in laatste instantie over de zaak oordeelde niet bekend was, maar indien dat wel het geval was geweest tot een andere beslissing, bijvoorbeeld vrijspraak, zou hebben geleid.

Hoe zwaar die eis is? Stel, drie raadsheren van een gerechtshof denken dat een verdachte met een mes van achttien centimeter lang vijf steken van elk tien centimeter diep heeft kunnen toedienen. Na de veroordeling gaat iemand hard aantonen dat dit toch echt onmogelijk is. Zelfs niet met een handdoek. Het zal geen novum opleveren. Het ‘feit’ was immers bij het gerechtshof bekend: die had het alleen niet gezien, of niet zo relevant geacht.

In het slothoofdstuk zal ik uitgebreider op het fenomeen novum ingaan.

Al met al is het een buitengewone prestatie wanneer iemand door deze juridische muur heen weet te breken. En dat is Waisvisz in elk geval op één onderdeel gelukt: de Hoge Raad heeft nader onderzoek naar de geursorteerproef met het mes laten verrichten.

Alles mooi een aardig. Maar hoe zit het nu toch met het duistere verleden van die Waisviszen waar De Vries – en De Telegraaf - het over had en waarvoor hij meer belangstelling aan de dag legt dan voor de inhoud van het rapport? Welnu, daarvoor moeten we ver terug in de tijd.

In 1978 vestigt het echtpaar Waisvisz zich in Stede Broec, een samensmelting van de West-Friese dorpjes Grootebroek en Bovenkarspel. Hier vindt de eerste van drie ‘geruchtmakende’ affaires plaats waarbij Wanda Waisvisz betrokken zou zijn geweest. De Vries is er, volgens de voice-over, speciaal voor ‘in zijn dossier’ gedoken, en stuit op een journalist van De Telegraaf die in januari 1980 ‘uitgebreid verslag van de zaak doet’.

In het kort beschrijf ik de gebeurtenissen.

Eind jaren zeventig woedt in Stede Broec een ziekelijke zenuwoorlog. Het slachtoffer is de plaatselijke huisarts die wordt bestookt met gore telefoontjes en briefkaarten krijgt met schunnige insinuaties. Een zieke geest schept er genoegen in de brandweer ‘s nachts met gillende sirenes naar de woning uit te laten rukken en bestelt ongevraagd grote porties warme kroketten en gebak. Uiteraard allemaal anoniem.

Nu gebeurt er in Stede Broec doorgaans niet veel en de treitercampagne – waarvan meer dorpsbewoners het slachtoffer zijn - vormt al snel het gesprek van de dag. Wie is toch de maniak die het leven van de dorpsdokter vergalt? Dan valt de verdenking op mevrouw Waisvisz, die vanwege haar smetteloze witte kleding ‘witte Wanda’ wordt genoemd.

Volgens De Vries, die zich nog steeds baseert op het artikel uit 1980 in De Telegraaf, groeit die verdenking als een oudere politieman Wanda op de stoep van de dokterswoning treft – juist als de brandweer weer eens vergeefs is uitgerukt. De agent bromt dat ze ‘als een pyromaan is’, ‘die altijd op de plaats aanwezig is’.

Maar De Vries citeert wel heel selectief. In het verhaal staat ook dat Wanda, die net enkele zware operaties achter de rug heeft, zegt dat ze gewoon langs kwam om haar medicijnen op te halen. Dit commentaar laat De Vries acherwege. Bovendien is zijn toon nogal suggestief. Zo zegt hij: “Wanda ontkent. Sterker, ze wordt zelf ook lastig gevallen met anonieme brieven en telefoontjes, claimt ze.”

Maar waarom dat nare woordje ‘claimt’? In het artikel in DeTelegraaf, die aangaande het echtpaar pas veel later uit een ander – negatiever – vaatje zal gaan tappen, staat het in elk geval niet. Het dagblad zal ook niet voor niets de volgende kop boven dit artikel hebben gezet: ‘Spookachtige maniak maakt leven witte Wanda een hel.’ Mevrouw Waisvisz krijgt schunnige kaarten toegezonden, waarvan sommige met de aanhef ‘vuile jodenhoer’ – Ed is joods – en bij de Waisviszen komen ongevraagd taxi’s af en aan rijden.

Volgens Ed en Wanda zijn zij als buitenstaanders het slachtoffer van een ordinaire dorpshetze. En Wanda laat het er niet bij zitten. Ze vermoedt dat de anonieme scheldbrieven afkomstig zijn van de assistente van de huisarts. Omdat ze zelf klant is bij de praktijk, bewaart ze de handgeschreven etiketten op de medicijnen. Die laat ze door twee onafhankelijke schriftkundigen vergelijken met het handschrift op de anonieme kaarten. Beide experts concluderen dat de schrijver een en dezelfde persoon is. Een historisch moment: Ed en Wanda zullen voorgoed in de ban van de schriftanalyse raken.

Inmiddels heeft ook de Noord-Hollandse justitie zich op de zaak gestort. Een aantal verdachten, waaronder meneer en mevrouw Waisvisz, wordt aan een schrijftest onderworpen. Het onderzoek levert niets op. Tenminste, als we Peter R. de Vries mogen geloven. “Omdat hard bewijs uitblijft, wordt het mysterie niet opgelost.”

Maar De Vries ‘vergeet’ een belangrijk feit te melden. De anonieme briefschrijver mag dan nooit gearresteerd worden, uit het onderzoek komt zonneklaar naar voren dat het in elk geval niet mevrouw Waisvisz is. Twee artikelen uit deze periode, waarvan een in De Telegraaf, getuigen daarvan. “De conclusie van het handschriftonderzoek is in het voordeel van mevrouw Waisvisz uitgevallen”, wordt de Alkmaarse rechter-commissaris mevrouw Otterspoor geciteerd. “Wij hebben haar in deze merkwaardige affaire echter nooit als verdachte beschouwd, maar zuiver als slachtoffer.”

Zacht gezegd is het merkwaardig dat De Vries deze cruciale informatie de kijkers onthoudt. Zaten deze artikelen nou toevallig niet in zijn dossier? Dat is dan wel apart, aangezien hij in deze tijd zelf in dienst was van De Telegraaf. Of was hem er alles aan gelegen de valse aantijgingen boven het hoofd van Wanda te laten hangen? Je mag toch hopen dat hij in andere zaken (Putten?) iets zorgvuldiger te werk gaat.

Op naar de tweede ‘geruchtmakende’ affaire. Opnieuw gaat het om anonieme telefoontjes en bedreigin gen. En ditmaal zou Wanda – aldus De Vries – wel degelijk schuldig zijn bevonden en zelfs veroordeeld zijn. Laat ik eerst de feiten op een rijtje zetten voor zover die niet worden betwist.

Begin jaren tachtig komen Ed en Wanda in contact met Jaap en Betty Simon (vanwege privacyredenen heb ik hun achternaam gefingeerd) uit Alkmaar. Het joodse echtpaar organiseert huiskamerbijeenkomsten voor oorlogsslachtoffers. Het zijn zware sessies. Zo vinden er gesprekken plaats over wat erger is: in Duitsland te zijn vergast, of te hebben moeten onderduiken tijdens de bezetting. De deelnemers lijken elkaar wel te willen overtreffen in leed. Toch zal iets anders de gemoederen nog veel meer gaan verhitten. Namelijk de vraag of er tijdens de bijeenkomsten gerookt mag worden. Hoe bizar het ook moge klinken, de ruzies hierover leiden tot een heus schisma, waarbij de niet-rokers zich afsplitsen. Onder hen Ed & Wanda, die fel anti-tabak zijn.

Rond deze tijd – het echtpaar Simon is inmiddels verhuisd naar Amsterdam-Osdorp - krijgen enkele bezoekers van de huiskamerbijeenkomsten te maken met bedreigingen en anonieme telefoontjes die gepleegd worden door ‘een krassende vrouwenstem’. In eerste instantie lijkt vooral meneer Simon het slachtoffer. Er worden hakenkruizen op zijn auto geschilderd en op een gegeven moment leest hij zijn eigen overlijdensadvertentie in de krant. De sfeer binnen en tussen de groep(en) wordt er niet beter op en de oorlogsslachtoffers gaan uiteindelijk elkaar beschuldigen. Sommigen denken dat Wanda, die verteld heeft dat zij eerder bij een soortgelijke affaire was betrokken, er achter zit. Anderen spreken het vermoeden uit dat Jaap Simon à la Jules Croiset de bedreigingen aan zijn adres in scène heeft gezet.

Tot op dit punt verschillen de lezingen van Peter R. de Vries en Wanda Waisvisz niet wezenlijk. Behalve dan dat Jaaps acteerkwaliteiten De Vries niet zo zijn opgevallen – hij doet er althans geen kond van in zijn programma. Beiden denken dat de bonje over het roken op de een of andere manier tot de anonieme bedreigingen heeft geleid. Maar hoe geeft De Vries dit weer?Mevrouw Waisvisz heeft ‘tevergeefs geklaagd’ over het ‘rookgedrag’ en ‘kort daarna’ zijn de treiterijen aan het adres van Simon begonnen. Er is geen woord aan gelogen. Én toch is het uiterst suggestief. Bij de kijker wordt de indruk gevestigd dat Wanda een motief had om om meneer Simon lastig te vallen.

Manipuleren, zo blijkt, is de kunst van het weglaten. Want opnieuw verzuimt De Vries iets essentieels te melden. Jaap en Betty Simon zijn namelijk al evenmin liefhebbers van nicotine en sluiten zich, nadat de tabaksoorlog de groep heeft gesplitst, aan bij het kamp-Waisvisz. Daarmee wordt de veronderstelling dat Wanda achter de smaadcampagne zit wel buitengewoon onwaarschijnlijk. Dat ook Jaap Simon enige tijd later Wanda van de treiterijen gaat beschuldigen, lijkt een heel ander achtergrond te hebben.

Lange tijd is het goed gegaan tussen de Simons en de Waisviszen. De verhuizing van het echtpaar Simon naar Osdorp in juni 1984 is zelfs geregeld door het stel uit Stede Broec. Jaap en Betty betrekken het appartement van Wanda’s kort ervoor overleden vader. De verhuurders, hun vrienden Ed en Wanda, gaan later in hetzelfde complex wonen. De echtparen zullen maar korte tijd buren zijn. Al in februari 1985 besluiten de Simons – de bedreigingen zijn dan in volle gang - weg te gaan uit Amsterdam-Osdorp, of zoals ze het zelf noemen ‘onder te duiken’

Op 15 februari laat Jaap een briefje achter waarin hij Ed en Wanda nog bedankt voor alle steun en goede zorgen. Blijkbaar is hij er ook dan nog van overtuigd dat mevrouw Waisvisz niets met de anonieme telefoontjes te maken heeft. Maar hierna bekoelt de vriendschap snel. Volgens de Waisviszen hebben de Simons een forse huurachterstand en het appartement in beschadigde toestand achtergelaten. Het geschil zal zelfs tot een civiele procedure leiden.

Ondertussen is de Amsterdamse politie al enige tijd bezig met het onderzoek naar de onsmakelijke bedreigingen aan het adres van Simon. Midden jaren tachtig lijkt extreem-rechts op te bloeien, en onder burgemeester Ed van Thijn krijgt het antisemitisme natuurlijk de hoogste prioriteit. Wanneer ook de politie verneemt van de oude affaire in Stede Broec besluit men mevrouw Waisvisz te laten schaduwen door twee agenten. Op 21 maart 1985 wordt zij in een telefooncel aangehouden. Een heterdaadje, heet dat. Peter R. de Vries citeert een van de agenten op wie de arrestatie kennelijk een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten. De agent doet zijn verhaal in het oktobernummer van Recherche Magazine, een vakblad voor rechercheurs. “Op het moment dat de verbinding tot stand komt, zie ik Wanda voor mijn ogen veranderen. Ze krimpt ineen en op haar gezicht tekent zich een verbeten, heksachtige grimas af. Ik pak haar vast, neem de telefoon op en vraag het echtpaar of ze zojuist bedreigd werden: ‘Ja!’”

Nu klopt dit niet helemaal, zoals er wel meer niet deugt aan het verhaal in Recherche Magazine, dat bol staat van de insinuaties en halve waarheden. Aan de andere kant van de lijn bevindt zit niet het echtpaar Simon, maar hun schoonzoon. Jaap is nog steeds ‘ondergedoken’, en het innen van de achterstallige huur is er dan ook – tot grote ergernis van mevrouw Waisvisz - nog niet van gekomen. Dit heeft zij de schoonzoon flink willen inpeperen. En daarbij is ze, geeft ze toe, over de schreef gegaan. “Er zijn betere mensen in de oorlog omgekomen dan jouw schoonvader”, bijt ze hem toe. Maar ze ontkent dat ze met verdraaide stem heeft gesproken en achter de eerdere anonieme telefoontjes en bedreigingen zit.

Interessant is de vraag of het toeval is dat een ‘vakblad’ als Recherche Magazine zo vlak voordat de Hoge Raad uitspraak zal doen over de zaak Ernest L. met een lasterlijk artikel (“Witte Wanda was een helse vrouw die bijna iedereen in haar omgeving terroriseerde, hetgeen de argeloze buitenwereld niet snel zou vermoeden”) over het diepe verleden van de onderzoekers in zijn zaak komt? Natuurlijk niet. De politie-organisatie zit, zoals ik schreef, allerminst te wachten op een herziening van de Deventer moordzaak, die de blamerende wijze van opereren, ja het opzichtig gerommel met bewijsmateriaal, genadeloos aan het licht zou kunnen brengen.

Vergezocht? Lijd ik aan aanvallen van paranoia? De hoofdredacteur van Recherche Magazine heet Jan Wilzing en is niemand minder dan de korspchef van de regio IJsselland, die verantwoordelijk was voor het onderzoek naar en de uiteindelijke aanhouding van Ernest L. Je zou er bijna paranoïde van wórden.

In elk geval: twee tegenkrachten – we mogen De Vries inmiddels wel zo noemen – hadden elkaar weer eens gevonden.

Op 4 juni 1985 komt mevrouw Waisvisz voor de Amsterdamse politierechter. Na een gloedvol betoog van Jaap Simon doet de rechter uitspraak: acht weken gevangenisstraf, waarvan de helft voorwaardelijk, en een schadevergoeding van vijftienhonderd gulden. Mevrouw Waisvisz tekent ter plekke hoger beroep aan.

Voor De Vries is daarmee de kous af: Wanda Waisvisz is veroordeeld. Punt uit. Maar mevrouw Waisvisz heeft een iets andere lezing. Volgens haar was het een ‘heksenproces’. In de rechtszaal zaten familieleden en bekenden van Simon, die heel hard ‘Gore antisemiet!’ riepen. Maar de rechter liet zich daardoor niet van de wijs brengen. Na de zitting riep hij haar advocaat bij zich. Er volgde een gesprek, waarop de advocaat tegen mevrouw Waisvisz zei: hier hoor je nooit meer wat van.

Die voorspelling komt uit. Het hoger beroep zal nooit plaatsvinden. Zelfs een afschrift van het vonnis is haar nimmer toegezonden. Voor mevrouw Waisvisz is het helder: het proces was een ‘schijnvertoning’ en ze is nooit veroordeeld.

Tja, het lijkt een surrealistisch verhaal. Weliswaar kan het zo zijn dat de rechter de strafzaak heeft aangehouden in afwachting van de civiele procedure tussen Waisvisz en Simon, die overigens door Wanda werd gewonnen. Maar waarom heeft de rechter dan toch uitspraak gedaan? En waarom zijn haar daar dan geen stukken van toegezonden? Waarom zijn die nooit bewaard?

Of zijn die stukken er wel?

Als ultiem bewijs dat Wanda jokt als zij zegt dat ze nooit veroordeeld is, laat De Vries in zijn uitzending een document ‘van de Amsterdamse rechtbank’ zien waarin haar veroordeling zwart op wit zou staan. Voor de kijker is de inhoud van het document niet te lezen, behalve dat er groot ‘Appèl’ op staat.

Erg logisch is het niet dat de redactie van het programma over officiële documenten in deze strafzaak beschikt. Ruim drie jaar na het proces komt De Telegraaf met een verhaal dat het hele dossier ‘op merkwaardige wijze’ zoek is geraakt. De Vries doet er nota bene zelf kond van in zijn programma. Daarbij de kijker de indruk gevend dat Witte Wanda het dossier wel door zwarte magie heeft laten verdwijnen.

Wanneer ik het document later in handen krijg, blijkt het een nogal bijzonder mengsel te zijn van delen uit onderliggende proces-verbalen en delen uit het proces-verbaal van de terechtzitting. Over de inhoud ervan, zou ik een hele boom kunnen opzetten. Dat doe ik niet. Mevrouw Waisvisz bestrijdt het grootste deel van de inhoud ervan.

Laat ik me beperken tot het volgende erover te zeggen. Er zijn twee mogelijkheden: of het document is een keihard vonnis met een keihard onderliggend dossier, afkomstig van de rechtbank. In dat geval was het dossier dus helemaal niet op ‘merkwaardige wijze zoek geraakt’ en was er geen reden de uitspraak niet ten uitvoer te leggen of in elk geval de hoger beroepsprocedure aan te gaan. Of het document dat De Vries laat zien is helemaal niet zo keihard en tenminste wat betreft de onderliggende proces-verbalen incompleet – het dossier was immers ‘zoek’ – en in dat geval kunnen er ook geen al te zware gevolgtrekkingen aan worden verbonden.

Wat staat er wél vast in de deze zaak?

Zeker is dat mevrouw Waisvisz nooit in de cel heeft gezeten en nooit een cent heeft betaald. Feit is ook dat de hoofdinspecteur van politie die het onderzoek in de zaak-Simon leidde haar later bedankt voor onderzoek dat Bureau Waisvisz voor hem heeft verricht. Advocatenbureau Moszkowicz, dat de familie Simon bijstond, maakt trouwens eveneens van de diensten van het schriftkundig bureau Waisvisz gebruik. Van dit kantoor mogen we toch aannemen dat men niet met veroordeelde ‘gore antisemieten’ in zee gaat.

En dan nog dit: mevrouw Waisvisz heeft medio 2002 van de burgemeester van Almere een verklaring omtrent het gedrag gevraagd. Daarvoor worden de justitiële documentatieregisters geraadpleegd (anders gezegd: gekeken of iemand een strafblad heeft) waarbij tevens wordt gekeken naar het doel van de aanvraag. In dit geval betrof het een verzoek tot het worden van ‘beëdigd procesdossieronderzoeker’. De verklaring is zonder meer afgegeven.

Volgens De Vries zegt dat niet zo veel, want er wordt slechts acht jaar terug gekeken. En de ‘veroordeling’ was uit 1985. Maar je mag toch wel stellen dat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat iemand die ‘iedereen in haar omgeving terroriseerde’, zoals Recherche Magazine zo fijntjes meldde, zo’n verklaring krijgt. Overigens kan ik, desnoods onder ede, getuigen dat ik persoonlijk nimmer een pikant briefje van mevrouw Waisvisz heb mogen ontvangen, laat staan door haar ben geterroriseerd.

Tenslotte dan wat ik maar zal noemen de derde geruchtmakende affaire. Midden jaren tachtig gaat het met het schriftkundig bureau Waisvisz voor de wind. De twee hebben naam gemaakt door in een aantal spraakmakende zaken erkende grafologen met contra-expertises onderuit te halen. Hetgeen binnen de branche kennelijk niet tot overmatig enthousiasme over het echtpaar heeft geleid. Hun successen zijn ook opgevallen in het plaatsje Lienden op de Betuwe. Daar hebben de bewoners te stellen met alweer een vieze brievenverzender – het is een populairder tijdverdrijf dan men zou verwachten.

Eind 1986 wordt Bureau Waisvisz ingeschakeld om de anonieme vuilspuiter door middel van handschriftonderzoek te ontmaskeren. Al na enkele weken lijkt dit te zijn gelukt. Maar de betrokkene – een huisvrouw die in een woonwagenkamp woont - ontkent stellig de dader te zijn. Er volgt een slepende rechtszaak.

Hoe vat De Vries samen wat er daarna gebeurt? Volgens hem durft de huisvrouw ‘maandenlang’ niet over straat nadat zij is ‘verguisd’ door Bureau Waisvisz. Totdat justitie in november 1988 ‘korte metten’ maakt met het rapport van de grafologen. De Vries: “Het aangedragen bewijsmateriaal is absoluut onvoldoende om een rechtszaak te beginnen, concludeert de officier van justitie.”

Maar de journalist die zo graag ‘onderzoekt en ontmaskert’ laat weer eens iets weg. Op basis van het rapport van Waisvisz is de vrouw wel degelijk als verdachte aangemerkt door justitie, maar omdat zij ‘hardnekkig ontkent’ zou er ‘onvoldoende bewijs’ zijn tot strafvervolging over te gaan. Dat klinkt even anders.

Gemakshalve maakt De Vries ook geen melding van het feit dat de rijkspolitie in een brief aan Waisvisz de conclusies in het rapport wél onderschrijft. Evenmin acht hij het relevant dat de civiele rechter erkent dat het ‘aannemelijk’ is dat de huisvrouw de schrijfster van de brieven is, ofschoon hij het wel onvoldoende bewezen acht. Van al deze feiten was hij door Waisvisz op de hoogte gesteld – maar toch vermeldt hij ze niet. Waarmee bij de kijker het gevoel blijft hangen dat die Waisviszen niet alleen kwalijke figuren zijn, maar ook nog een stel ongelooflijke prutsers.

Hoe onzorgvuldig kun je zijn?

Laten we eens recapituleren. Volgens De Vries zijn er drie geruchtmakende affaires. Een van meer dan twintig jaar terug, de andere twee van meer dan vijftien jaar geleden. Van de eerste affaire is bewezen dat mevrouw Waisvisz onschuldig is. In het tweede geval staat vast dat zij nooit een gevangenisstraf heeft ondergaan of een boete betaald. En het derde geval is niet eens een geval: Ed en Wanda traden op als schriftdeskundigen en waren niet persoonlijk bij de zaak betrokken, hoewel De Vries dit door het handig aaneenrijgen van de drie casussen wel suggereert. Geen van deze stokoude gevallen heeft ook maar iets met de zaak Ernest L. van doen.

Hier is sprake van een karaktermoord.

Maar daarmee is de honger van de journalistieke kannibaal naar vers Waisviszvlees nog niet gestild. Ook de algemene deskundigheid van het echtpaar moet in twijfel worden getrokken. Volgens De Vries zou Bureau Waisvisz, anders dan zij in het eigen briefhoofd stelt, niet erkend zijn. Daarbij baseert hij zich wederom op informatie van de Nederlandse Vereniging Forensische Schriftexpertise.

Hoe zit het? Laat ik beginnen vast te stellen dat schriftkundige een vrij (gevestigd) beroep is. Ed en Wanda zijn geen lid (meer) van de grafologenvereniging, maar dat hoeft niet. Ze hebben hun opleiding met goed gevolg afgelegd, staan in de agenda voor de rechtspraktijk en de gids voor de rechterlijke macht vermeld en zijn notarieel beëdigd. Wanneer in het briefhoofd van Waisvisz wordt gesproken van ‘erkenning’ heeft men het niet over ‘erkenning’ door een vereniging, maar over de algemene erkenning als deskundige door de rechterlijke macht – even wat relevanter.

In strafzaken worden deskundigen in principe elke keer beëdigd door de rechter. Dat geldt zowel voor Waisvisz als voor hun concurenten. Gezien het grote aantal strafzaken waarin het bureau is opgetreden, is hier dus niets mis. Wie na dit alles nog niet overtuigd is van hun deskundigheid, mag naar hartelust in Almere-Buiten de dikke map met ordners en bedankbriefjes van politie en justitie doorploegen – het aanbod geldt ook Peter R. de Vries.

Wat De Vries nog rest, is een aanval recht in het hart van de zaak Ernest L.: het rapport-Waisvisz over de Deventer moordzaak. Maar wacht eens, schreef ik niet eerder dat hij daar helemaal niet gedetailleerd op in ging? Klopt. De Vries pakt zoiets subtieler aan.

Wie zijn programma kent, weet dat de misdaadverslaggever graag van reconstructies gebruik maakt. Op TV moet nu eenmaal beeld zijn – als dat niet met de echte hoofdrolspelers kan, dan maar met acteurs. In de november-uitzending zien we een nep-Ed en nep-Wanda gebiologeerd over hun rapport gebogen staan. Het acteerwerk is niet onverdienstelijk, maar wie de zaak kent, ziet dat het niet het echte rapport is, maar een vals exemplaar. Dat móet ook wel, want wat blijkt? Peter R. de Vries heeft nooit de beschikking over het rapport gehad. Verbijsterend, als je het op je in laat werken: de misschien wel bekendste misdaadjournalist van het land die over de misschien wel belangrijkste zaak van dit moment een uitzending maakt zonder het document te bezitten waar het allemaal om draait!

Nu is dit uiteraard niet de schuld van De Vries. Omstandig gaat de verslaggever in op alle pogingen die hij heeft ondernomen het rapport in handen te krijgen. “Gevraagd naar een kopie blijkt dit helemaal niet zo makkelijk te zijn”, laat hij weten. Het sturen van een redactrice? Hadden de Waisviszen ook al geen zin in. Tsjongejonge, denkt de kijker, die twee hebben zeker wat te verbergen.

Ter illustratie laat De Vries de kijker meeluisteren met de bandopname van een telefoongesprek dat hij met mevrouw Waisvisz voerde.

Peter: “Ik snap niet dat u een medewerkster van mij weigert.”

Wanda: “We hebben een aantal contacten met haar gehad en die verliepen gewoon niet zo prettig.”

Peter: “Ik heb er met haar net over gesproken, en zij zegt: ‘Ik snap niet wat ze bedoelen; ik heb niets tegen die mensen’. En zo ken ik haar ook.”

Wanda: “Nou ja, dan zal het aan ons liggen, maar in ieder geval liggen we elkaar niet zo goed – het klikt niet zo goed.”

Dan stopt het gesprek. Tenminste, voor zover de kijker het te horen krijgt. In werkelijkheid – ook mevrouw Waisvisz heeft getaped – gaat de conversatie nog een tijd door. En zal Wanda zeggen: “Ik vind het jammer dat u niet een momentje vrij kan maken.” De Waisviszen hebben, zo blijkt, De Vries (diverse malen) bij hen thuis uitgenodigd om het rapport in te zien. Ze hadden nu eenmaal meer vertrouwen in de maestro zelf dan in een medewerker. Maar De Vries zag geen gelegenheid de afstand Hilversum-Almere te overbruggen. Wel liet hij een cameraploeg het echtpaar in het geniep bij het vertrekken uit hun woning filmen. De vertraagd afgespeelde beelden moeten voor wie de boodschap nog niet heeft begrepen duidelijk maken dat we hier met duistere types te maken hebben.

De reden dat Peter R. de Vries het zo belangrijk vindt aan te tonen dat Bureau Waisvisz geen inzage wil geven in het rapport, mag inmiddels duidelijk zijn. Het verschaft hem een alibi om niet op de inhoud ervan in te hoeven gaan.

Waarom toch al deze energie gewijd aan de onderzoekers? Waarom elk trucje uit het boek gebruikt? Waarom al die stokoude ‘affaires’ uitgeplozen? Je kunt niet anders dan concluderen dan dat hiermee een hoger doel gediend moet zijn. En dat kan maar één doel zijn: door het beschadigen van de pleitbezorgers van Ernest L. ook de zaak van Ernest L. zèlf schade toebrengen.

Maar waarom zou De Vries dat willen? Is zijn ego zo groot zijn dat hij het niet kan verkroppen dat - zo kort na Putten - een tweede ‘unieke herziening’ dreigt plaats te vinden? En dat niet hij, de superverslaggever, maar een bejaard echtpaar in Almere-Buiten met de eer gaat strijken? Ik kan niet in zijn schedel kijken. Het zou kunnen. Of is er - om het in Peter R. de Vries-bewoordingen te zeggen – méér?

Om die vraag te beantwoorden, moet ik iets dieper ingaan op zijn drijfveren. Waar de journalist vooral in is geïnteresseerd, zijn de bijzondere gevallen. Dit kunnen cold cases zijn - vergeten misdrijven - die hij weet op te lossen. Of zaken waarbij een veroordeelde dankzij zijn speurwerk alsnog vrijkomt – denk aan Putten. Andersom mag natuurlijk ook: een verdachte wordt vrijgelaten, maar nader onderzoek door De Vries toont aan dat justitie weer eens een enorme flater heeft geslagen. Een aanpak die spectaculaire uitzendingen garandeert, maar ook een gevaar oplevert. In zijn gretigheid tegendraadse journalistiek te bedrijven, kan De Vries zich ernstig vergalopperen.

Laat ik deze gedachtengang eens toepassen op Ernest L., om wie het per slot van rekening allemaal te doen is. Begin 2000 doet de Zwolse rechtbank uitspraak in zijn zaak. Ofschoon de officier van justitie vijftien jaar had geëist, wordt de verdachte vrijgesproken. Tot ontevredenheid van een aantal betrokkenen, onder wie een illuster duo: klusjesman Michael de J. en politieman Henk R. Alle twee ex-patiënten van dokter Wittenberg, alle twee bevriend met de vermoorde weduwe. En beiden verdacht geweest van de moord.

In restaurant De Keizerskroon in Deventer voerden Gerard Mulder, adjunct hoofdredacteur van HP/De tijd en ik een gesprek met de twee maten. Daarvan deed ik verslag in hoofdstuk IX. Wat ik echter niet beschreef, was hoe het gesprek eindigde. Aan het eind van de ontmoeting barstten Michael en Henk uit in een spontane tirade aan het adres van Ernest L. Hoewel zij toegaven hem niet persoonlijk te kennen en nooit het strafdossier hadden ingezien, meenden zij dat deze als uitvoerder van het testament van mevrouw Wittenberg wel erg ‘verdacht’ had gehandeld. Gezien hun eigen rol in deze zaak vonden we die mening wel voor de hand liggen.

Na de vrijspraak van Ernest L. door de Zwolse rechtbank ondernamen de twee meteen actie, vertelden ze ons. Ze vroegen de officier van justitie om het er ‘niet bij te laten zitten’. En ze deden nog iets: ze benaderden, jawel, Peter R. de Vries. Vermoedelijk niet vanuit een plotselinge opwelling van verantwoord burgerschap, maar in een poging een voor hen ongunstige wending in de zaak te voorkomen.

Gezien zijn brandende ambitie een bijzonder programma te maken, moet De Vries (of zijn redactie, maar dat is in dit geval één op één) met belangstelling kennis hebben genomen van hun verhaal. Hier kreeg hij een verdachte in een grote moordzaak gepresenteerd, die volgens ‘vrienden’ van het slachtoffer onterecht was vrijgesproken. Een kolfje naar zijn hand.

In de uitzending van mei 2001 - L. was inmiddels in hoger beroep veroordeeld - was daar de weerslag van te zien. Zoals gezegd pakte die niet bepaald positief uit voor Ernest L. En Peters bronnen Michael en Henk konden ongestoord de vermoorde onschuld spelen.

Over Michael meldde de voice-over dat de politie een ‘uitgebreid gesprek’ (in werkelijkheid ging het om drie verhoren) met de verdachte had gehad, maar dat dit ‘geen enkele aanleiding’ (er waren tal van aanleidingen) was om hem ‘formeel als verdachte aan te merken’ (Michael werd de cautie voorgelezen en daarmee was hij wel degelijk formeel verdachte). Over Henk R. kwam de kijker al helemaal niets te weten. Niet dat hij politieman was, niet dat hij zelf ook verdachte was geweest.

De twee heren werden nu niet bepaald stevig aan de tand gevoeld. Integendeel. De Vries tegen Michael: “Maar ja, na enige tijd was het wel zo dat jij ook tot het kleine kringetje van verdachten behoorde – juist omdat je zo goed met ze omging.”

Dit nu heet in de journalistiek een leading question. Michael hoefde maar in te koppen. Ja, juist omdat hij altijd zo fijn met het echtpaar Wittenberg omging, kwam hij in het vizier van de politie. Het was me toch allemaal wat…

In de gênante slotscène kwamen de twee nog een laatste keer in beeld. Lopend over het kerkhof mochten ze van De Vries nog wel even duidelijk maken wie volgens hen de moordenaar van hun ‘vriendin’ Jaqueline was. Ernest L. natuurlijk! Geen twijfel mogelijk, meende Henk. “De koelbloedige wijze waarop hij dat heeft gedaan…”, voegde Michael er nog aan toe.

Nu ben ik geen fulltime misdaadverslaggever zoals De Vries, maar het lijkt mij hoogst ongebruikelijk dat in een moordzaak twee verdachten de gelegenheid wordt geboden een andere verdachte als de dader aan te wijzen. Ernstiger is natuurlijk dat De Vries de kijker cruciale informatie onthield. Om wat voor reden dan ook.

Naar de motieven van De Vries blijft het gissen. Dat is wel vaker zo bij tegenkrachten. Maar één ding is zeker: als de Deventer moordzaak wordt herzien en Ernest L. mocht worden vrijgesproken, loopt de reputatie van de journalist enorme schade op. Dan immers wordt pijnlijk duidelijk hoe hij zich door twee betrokkenen heeft laten meeslepen. Betrokkenen die bij een vrijspraak van Ernest L. weer hoog op de verdachtenlijst van justitie zullen komen. En wat doet de misdaadverslaggever dus? Hij bijt vast en laat niet meer los.

 

Lees over de twijfels in de Deventer moordzaak!