© Ontworpen door Undercover
 

De Deventer moordzaak
Door Stan de Jong

 
 

Hoofdstuk XI De Pil (2)

Boven de twee koepels van de Penitentiaire Inrichting Lelystad, kortweg ‘De Pil’, hangt een prettig voorjaarszonnetje. Het is eind februari 2003 en het is druk in de bezoekersruimte. Voor veel familieleden van de gedetineerden is de krokusvakantie zojuist begonnen. Bij binnenkomst lijkt iedereen in een opperbeste stemming. Er wordt op schouders geslagen. Er wordt in billen geknepen. Wie niet beter weet, zou denken dat een uitje naar De Pil een, weliswaar tikkeltje ordinaire, maar toch wel reuze gezellige bedoening is.

Achter in de bezoekersruimte is een speelhoek. Ideaal om de kinderen te stallen. Er liggen blauwe, gele en rode blokken. Die kun je heel hard naar elkaar gooien. Dat is leuk. Er staan ook grote plastic auto’s. Daar kun je op gaan zitten, door de zaal crossen en heel hard Tuut! Tuut! roepen. Ook dat gaat niet snel vervelen. En als het dat onverhoopt wel doet, kun je de kinderen altijd nog achter een bord met eten zetten. Voorin is een keuken, waar frietjes, frikandellen en hamburgers worden uitgeserveerd. De twee medewerkers kunnen de bestellingen nauwelijks aan.

Ja, het lijkt vandaag wel een familiefeest in De Pil, maar dan wel een met bijzondere kenmerken. Het partijtje mag exact twee uur duren – van kwart voor drie tot kwart vijf - en een deel van de feestgangers mag na afloop niet naar huis.

Ernest L. drinkt koffie uit een bekertje en eet een gevulde koek. Hij draagt een blauwe jopper en is magerder geworden sinds de laatste keer, vorig jaar september, dat we elkaar ontmoetten. Bijna elke week heeft hij gebeld, soms collect call, want telefoonkaarten zijn kostbaar in de gevangenis.

Ondanks dit geregelde contact is hij ‘u’ blijven zeggen. Als hij daarop werd gewezen, legde hij uit dat dit vanzelf ging. In zijn oude professie was tutoyeren nu eenmaal niet gebruikelijk. Een keer liet hij erop volgen: “Sorry dat ik u tegen jou zeg.”

De belastingdeskundige geeft een slap handje. Ook daarvoor verexcuseert hij zich. Pink gebroken. Met vingerworstelen. Normaal gesproken doet hij niet mee aan ‘die flauwe spelletjes’ in de bajes. “Maar dit was zo’n klein kereltje, dat ik dacht: vooruit laat ik het eens proberen.” Het kereltje bleek buitengewoon sterke vingers te hebben. Later hoorde hij dat er heel wat gedetineerden met gebroken pinken in De Pil lopen.

Nou ja, het is slechts fysiek ongemak. Erger vindt hij het dat zijn concentratievermogen de laatste tijd te wensen overlaat. Een boek uitlezen, een film afkijken – het lukt nauwelijks meer. Zelfs de krant is een te grote opgave voor de afgestudeerd jurist. Aan de misdaadroman die hij schrijft – over die brave burgerman die ten onrechte werd veroordeeld wegens de moord op een rijke weduwe - heeft hij de afgelopen weken weinig pagina’s meer kunnen toevoegen. De afloop blijft dus onbekend. Ook voor hemzelf.

“Al mijn gedachten cirkelen maar rond één ding”, zegt Ernest L. “De herziening.”

Op 7 januari 2002 - zo lang geleden is het al weer - diende zijn advocaat Jan Boksem het ‘verzoek tot herziening’ in bij de Hoge Raad der Nederlanden in Den Haag. Het was niet zo heel dik, tien pagina’s. “Als grond voor herziening”, schreef mr. Boksem, “wordt aangevoerd dat er sprake is van een novum in de zin van ar. 457 lid 1 sub 2 SV.”

Hij vervolgde: “Er zijn feiten en omstandigheden bekend geworden die bij het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet waren gebleken en die (al dan niet in onderling verband en samenhang beschouwd) met de uitspraak niet verenigbaar lijken, in die zin dat het ernstige vermoeden bestaat dat, waren zij wel bekend geweest, vrijspraak zou zijn uitgesproken.”

Dat was een fraaie volzin.

De raadsman herhaalde nog eens de belangrijkste overwegingen van het Hof in Arnhem, die tot de veroordeling van zijn cliënt hadden geleid. Het was de bekende trits van het het telefoontje-het mes-het motief. Een voor een haalde hij de pijlers in de bewijsvoering onderuit. Geregeld verwees hij naar het rapport van Ed en Wanda Waisvisz. “Goede mensen”, zegt Ernest L. over het echtpaar.

Hoe indrukwekkend het verhaal ook was, het duurde lang voor er iets op volgde. Pas in september 2002 mocht Boksem het verzoekschrift komen toelichten bij de Hoge Raad. Dat gebeurde tijdens een speciale zitting in Den Haag. De zaal was die middag afgeladen. Er waren journalisten. Er waren familie en vrienden. En Ernest was speciaal voor de gelegenheid uit zijn cel in Lelystad gehaald en in een geblindeerd busje naar Den Haag vervoerd. De zitting was over voor hij er erg in had. Boksem sprak een paar woorden. De raadsheren stelden een paar vragen. De advocaat-generaal deed er het zwijgen toe. Net als de veroordeelde zelf. “Ga niet in discussie met de rechters, Ernest”, hadden zijn vrienden hem geadviseerd. “Blijf kalm!” Hoewel Ernest L. het die dag wel had willen uitschreeuwen van dat hij ‘er in was geluisd’ en van dat het ‘een schande was voor de rechtsstaat’ hield hij zijn mond.

Terug met het busje naar Lelystad. Daar begon het wachten weer. Ditmaal op het advies van de advocaat-generaal mr. J. Wortel. Dat kwam op 1 oktober. Wortel had de zaak grondig bestudeerd. Hij had liefst 89 ‘overwegingen’ nodig om zijn ‘conclusie’ kracht bij te zetten. Over veel dingen die in het herzieningsverzoek waren aangekaart, was hij kritisch. Misschien dat hij dit vanuit zijn functie ook wel moest zijn. Op twee onderdelen meende de topman van het Openbaar Ministerie dat mogelijk sprake was van een novum. Het ging om de nieuwe feiten betreffende het telefoongesprek, en de omstandigheden waaronder de geuridentificatieproef met het mes was gehouden. Naar die laatste beval hij nader onderzoek aan. Dat was positief. “Dit is een strafzaak die zonder twijfel bijzondere kenmerken vertoont”, had Wortel nog geschreven. “Ik zal niet verhelen dat ik ook werd getroffen door de bitterheid die uit de brief van de aanvrager spreekt.”

Daarmee bedoelde hij dus Ernest L.

In een tussenarrest op 5 november besloot de Hoge Raad het advies van de advocaat-generaal op te volgen. Er werd nader onderzoek bevolen naar de geurproef. Daarmee was de zaak heropend. Eind december werd de deskundige mevrouw dr. A. Schoon, die door het hof van Arnhem als getuige was opgevoerd, door het hoge rechtscollege gehoord.

Vanaf die dag is de spanning bijna ondraaglijk.

Duidelijk is dat zijn zaak geen topprioriteit heeft bij de Hoge Raad. Het revisieverzoek gaat kennelijk tussen de bedrijven – de gewone cassatiezaken – door. “Aan de ene kant begrijp ik het wel”, zegt Ernest. “De Hoge Raad wil niet dat alle gedetineerden in Nederland aan de poort kloppen. Dan zou een herziening een tweede beroepsinstantie worden. Aan de andere kant: dan moeten politie en justitie maar hun werk goed doen. Dan heb je geen herzieningen nodig.”

Soms bekruipt hem de angst dat men niet op een hernieuwde behandeling van zijn zaak zit te wachten. Zo kort na ‘Putten’ zou een tweede gerechtelijke dwaling ook wel een afgang voor de Nederlandse rechterlijke macht zijn. “Maar je kunt je niet voorstellen dat ze niet inzien dat hier een enorme blunder is gemaakt. De zaak ligt toch helder?” Hij vindt het ‘een enge gedachte’ dat zijn lot kan worden bezegeld door vijf rechters. Hoe juridisch onderlegd die ook zijn. Alsof hij in een vliegtuig zit dat in een storm is verzeild geraakt en afhankelijk is van de stuurmanskunst van de piloot. Tenminste, hij denkt dat dit een zelfde gevoel geeft. Hij heeft nog nooit in zo’n kist gezeten. “Noem het vliegangst, ja.”

Het is paradoxaal. Enerzijds houdt de hoop op een spoedige invrijheidstelling hem op de been. Anderzijds zorgt diezelfde hoop keer op keer voor teleurstellingen. “Ik moet telkens mijn ambities bijstellen”, legt hij uit. “Eerst verwachtte ik voor de kerst thuis te zijn, daarna focuste ik me op de verjaardag van Anneke, op 12 januari, en zo gaat het maar door. En nu is het alweer bijna maart 2003.”

Met de kerstdagen had hij een behoorlijke inzinking. Zoals de meeste gedetineerden. Dan denkt iedereen aan thuis, aan hoe ze zich daar voelen. Overdag was er bingo.’s Avonds was er een kerstdiner. Dat laatste klonk beter dan het was. Het betrof de gewone hap. Plus een schuimtoetje en een bakje appelmoes. “De enige keer in het jaar dat je hier appelmoes ziet”, zegt Ernest.

De feestdagen in de gevangenis hebben slechts één voordeel. Dan is het lekker rustig. Het personeel spoedt zich ’s avonds vroeg naar huis en de celdeur gaat op slot. Dan kan hij weer nadenken over zijn zaak – en dan vallen hem altijd wel weer ‘dingetjes’ op.

Zo las hij onlangs het verhaal van advocaat-generaal Wortel nog eens na. “Die vindt het geen novum dat die vriendin van Michael verklaarde dat hij al op zaterdag sprak over het plaatsen van een rouwadvertentie. Volgens hem had het Hof dit ook allemaal al kunnen lezen in het dossier. Ja, denk ik dan, dat had gekund. Maar het Hof hééft het niet gelezen!”

“Enfin, zo blijf ik doorspeuren. Neem ook de verklaring van de man die de geursorteerproef met de paraplu zou hebben gedaan. Die zou ik wel eens willen spreken! Of hij is een enorme sukkel, of hij weet helemaal niet dat zijn handtekening onder het proces-verbaal staat. Want er is nooit een geurproef met die paraplu gedaan.”

Wie denkt dat de fiscalist na een eventuele vrijspraak de zaak laat rusten, vergist zich lelijk. Daarvoor is hij te tanig, te getergd ook. “Zo gauw ik hier uit ben, ga ik aangifte tegen een paar mensen doen”, kondigt L. aan. Hij somt op:

“Ten eerste de officier van justitie. Zij heeft de kluit belazerd. Tot tweemaal toe heeft ze de raadkamer in Zwolle, die besliste over de verlenging van mijn voorlopige hechtenis, voorgelogen. Ze vertelde dat de verlenging noodzakelijk was, omdat ze nader onderzoek wilde laten verrichten naar de relatie tussen het mes en de kleding van de weduwe. Het mes was met dat doel opgestuurd naar het gerechtelijk laboratorium in Rijswijk. Maar later op de rechtszitting bleek dat het onderzoek helemaal niet was gebeurd!”

“Daar geloof je toch niets van? Het Nederlands Forensisch Instituut had het mes en had de kleding van mevrouw Wittenberg – en die zouden ze nooit bij elkaar hebben gebracht? Kom nou!”

“Vervolgens ga ik de inspecteur aanpakken, die het onderzoek leidde. Hij heeft op meerdere punten de zaak gemanipuleerd. Daarna – dat zal lastig worden - ga ik de raadsheren van het hof in Arnhem aanklagen, want die hebben de valse verklaringen geaccepteerd over de geursorteerproef met de paraplu. Maar ik begin met de hondenman. Als die gaat praten, komt de rest ook…”

Ernest is nog niet klaar. “De Dokter Wittenberg Stichting ga ik ook aanpakken. Die stichting is fondsvormend – heeft iemand daar al ooit iets over gehoord. Zijn er nieuwe fondsen aangeboord? Nee!”

Als hij ooit wordt vrijgesproken, kan hij op een forse schadevergoeding van de staat rekenen. Niet dat dit het aangedane leed kan compenseren. “Stel, ik kom vrij, dan ben ik bijna vijftig jaar. Ik krijg waarschijnijk nooit meer een baan. Wat moet ik dan de hele dag doen? Met mijn miljoen in de tuin zitten soms? Nou ja, misschien kan ik wat boekhoudklusjes doen.”

“Mijn leven is verruďneerd. Als ik denk aan de situatie waarin ik ben beland… Noem het een vorm van zelfmedelijden. In het begin zette ik me daar gemakkelijker overheen. Dan dacht ik: ik ben er toch straks uit. Maar nu het wat langer duurt… Zeker als er problemen aan het thuisfront zijn. De hypotheek is straks weer een probleem. Anneke en de kinderen worden nu onderhouden door de familie, maar dat kan ook niet zo doorgaan.”

“Buiten is het misschien nog wel moeilijker dan hier”, mijmert hij. “Vooral Anneke heeft het zwaar. Als ze naar een verjaardag gaat en daar allerlei stellen zitten, en zij is in d’r eentje. Soms verwijt ze mij dingen. Zegt ze: jij ook altijd met je werk! Andere mannen werken toch ook maar veertig uur per week? Waarom moest jij ’s avonds altijd op pad? Waarom moest je zo nodig nog dat executeur-testamentairschap erbij doen?”

De gevangene kijkt om zich heen. Van de vrolijkheid die hier aanvankelijk leek te heersen, is niets meer over. Het bezoek neemt afscheid. Er vallen tranen. Er wordt ‘kop op’ gezegd. En ‘hou je taai’. Het is kwart voor vijf in De Pil. Ernest L. zegt: “Misschien heeft Anneke wel gelijk Ik had beter bij de PTT kunnen blijven.”

 

Lees over de twijfels in de Deventer moordzaak!