© Ontworpen door Undercover
 

De Deventer moordzaak
Door Stan de Jong

 
 

Hoofdstuk XII. De Maigret van het oosten

Ach, waren er maar meer politiemannen als Jaap Visscher. De wachtmeester van de politie IJselland in Zwolle heeft in zevenendertig jaar trouwe dienst honderden ernstige delicten opgelost. Hij is nu eenmaal een 'doodnuchtere, beminnelijke doordouwer met een orginele, frisse kijk op het politiewerk'. Tenminste, dat schrijft Panorama. In de speciale uitgave Verdacht! van september 2002, die onder redactie staat van misdaadverslaggever Peter R. de Vries, wordt een standbeeldje opgetrokken voor Visscher. Hij wordt 'de Maigret van het oosten' genoemd, en zeker niet alleen doordat hij pijp rookt! De 57-jarige 'meesterspeurder' heeft een oplossingspercentage waar je u tegen zegt. Er is steeds meer vraag naar zijn 'creatieve inbreng bij het oplossen van De Misdaad.' Naast het recherchewerk zit Visscher bepaald niet stil. In zijn vrije tijd mag hij zich graag in wat cold cases - oudere, onopgeloste misdaden - verdiepen en werkt hij mee aan kwaliteitsrichtlijnen voor de bestrijding van de zware criminaliteit. En het mooie is: Visscher blijft onder dit alles opvallend bescheiden, lezen we in Panorama.

Maar ja, net zoals de echte Maigret wel eens een uitglijder maakte op de Place Pigalle of Saint-Germain-des-Prés is ook Visscher niet onfeilbaar gebleken.

Medio 1999 verrichtte de recherche IJsselland onderzoek naar de moord op de rijke Deventer weduwe Jaqueline Wittenberg. Het rechercheteam stond onder leiding van Jaap Visscher. De speurneus wist binnen twee maanden met een potentiële dader te komen: de 46-jarige jurist Ernest L. De rechtbank in Zwolle dreigde nog even roet in het eten te gooien door hem vrij te spreken. Maar in december 2000 kon Ernest door het Arnhemse gerechtshof netjes voor twaalf jaar worden opgeborgen in de Penitentiaire Inrichting Lelystad. De dekselse Maigret van het oosten had het hem weer gelapt!

Inmiddels zijn we ruim twee jaar verder. Alom rijst de vraag of Jaap Visscher niet iets té creatief te werk is gegaan bij het ontmaskeren van de moordenaar. Het bewijs tegen Ernest L. blijkt flinterdun. Zo dun, dat Ernests advocaat de Hoge Raad heeft verzocht de zaak tegen zijn cliënt te herzien. In december 2002 hoorde de Hoge Raad een getuige-deskundige over een aspect van het bewijs, de geurproef met het mes, waarmee de Deventer moordzaak in feite heropend werd. Of het ook tot een herziening komt – het terugverwijzen van de zaak naar een ander gerechtshof – wordt binnenkort (als ik deze regel schrijf is het eind maart 2003) duidelijk. Vooralsnog wijst alles op een gerechtelijke dwaling.

Herzieningen op grond van nieuwe feiten (zogenaamde nova) komen hoogst zelden voor. De afgelopen maanden heeft de zaak-Ernest L. dan ook veel aandacht gekregen in de media. Vaak is de vergelijking met de Puttense moordzaak getrokken: de verkrachting van en de moord op Christel Ambrosius. Op zich begrijpelijk. Ook de ‘twee van Putten’ werden veroordeeld door het gerechthof in Arnhem en later door een ander hof vrijgesproken, hoewel ze hun straf er toen al op hadden zitten. Ook in Putten waren het nieuwe inzichten bij een getuige-deskundige over één onderdeel van de bewijsvoering – sommige lezers zullen zich de discussie over de ‘sleeptheorie’ met het sperma herinneren – waardoor de hele zaak moest worden herzien.

Toch gaat de vergelijking met de Puttense moordzaak in zoverre mank dat de zaak van Ernest L. eigenlijk veel eenduidiger ligt. Er zijn drie verschillen. Ten eerste heeft Ernest L. altijd volgehouden onschuldig te zijn, waar de verdachten in Putten (afzonderlijk van elkaar) bekentenissen hadden afgelegd. Nu geldt een schuldbekentenis in het Nederlandse strafrecht, anders dan in de Verenigde Staten, niet als sluitend bewijs. Maar het is wel een tikkeltje meer dan alleen een belangrijke indicatie. Ten tweede waren er geen ooggetuigen die Ernest op het tijdstip van de moord in Deventer hadden gezien, terwijl dat in Putten wel het geval was. En ten derde is er in de Deventer moordzaak een belangrijke andere verdachte, terwijl die in de Puttense moordzaak lijkt te ontbreken.

In de voorafgaande hoofdstukken zijn al veel aspecten in deze bizarre zaak aan de orde gekomen. Een belangrijke vraag is echter goeddeels onbeantwoord gebleven: wat zit hier toch allemaal achter? Waarom moest de politie zo nodig Ernest L. hebben? En waarom wist het Arnhemse gerechtshof niet door het magere strafdossier heen te prikken?

Ik ontkom er niet aan nog even summier de belangrijkste gegevens op een rijtje te zetten. Op zaterdag 25 september 1999 wordt de 60-jarige rijke weduwe Jaqueline Wittenberg dood in haar woning aan de Zwolseweg in Deventer gevonden. Twee dagen ervoor – in de avond van 23 september – is zij door messteken om het leven gebracht. Niemand heeft die avond iets gezien of gehoord. Er zijn geen sporen van braak. Waarschijnlijk is de dader een bekende van het slachtoffer.

Al snel denkt de recherche aan een financieel motief: tien dagen voor haar dood heeft Jaqueline haar testament ingrijpend laten wijzigen. Vrijwel het gehele vermogen – bijna vier miljoen gulden – gaat naar een nog op te richten Dokter Wittenberg Stichting, die zich moet inzetten voor de hulp aan uitbehandelde psychiatrische patiënten. Dit conform een oude wens van haar overleden echtgenoot, de zenuwarts Willem Wittenberg. Tot uitvoerder van het testament heeft zij haar fiscaal adviseur Ernest L. benoemd, die bij haar overlijden tevens de eerste voorzitter van de stichting zal worden.

Maar aanvankelijk gaat de aandacht van justitie niet uit naar L., maar naar een aantal andere bekenden van het slachtoffer. Er zijn liefst drie verdachten. Ten eerste Pieter ter Velde, de vorige executeur-testamentair. Aangezien de vrouw en dochter van Ter Velde de voornaamste begunstigden in het oude testament waren, heeft hij, zo meent de recherche, een motief voor de moord. Al die miljoenen ziet hij aan zijn neus voorbij gaan. Maar Ter Velde heeft een sluitend alibi.

Rond deze tijd is de recherche ook gestuit op iemand die zich door zijn gedrag en verklaringen uiterst verdacht maakt. Het is Michael de J., een ex-patiënt van dokter Wittenberg, die wel eens klusjes voor Jaqueline opknapte. Als Michael op de dinsdag nadat het lijk is gevonden –28 september - op het politiebureau wordt ondervraagd, beweert hij dat hij voor het eerst verneemt van de moord op mevrouw Wittenberg. Maar een vriendin verklaart dat hij al op de zaterdag ervoor over het plaatsen van een rouwadvertentie heeft gesproken. De politie hoort vrienden en bekenden van Michael en ontdekt dat zijn verklaring op meer punten wankel is. Zo kan zijn vriendin hem geen waterdicht alibi verschaffen.

Al snel wordt duidelijk dat Michael de J. niet de beschaafde jongeman is die hij lijkt. Hij is dol op steek- en schietwapens, houdt zich bezig met antiekzwendel, en getuigen noemen hem labiel en agressief. Tijdens een tweede verhoor op 12 oktober wordt hem het vuur na aan de schenen gelegd. Halverwege dit verhoor lezen de rechercheurs Michael de cautie voor: hij is niet meer verplicht op vragen te antwoorden, omdat hij zichzelf kan belasten. Van getuige is hij verdachte geworden.

Uit alles blijkt dat de politie, die tot op dat moment vrij grondig te werk gaat, Michael als dé mogelijke dader ziet. Er volgt een derde verhoor op 18 oktober. Het lijkt slechts een kwestie van tijd voor hij zal worden gearresteerd. Dan stopt plotsklaps het onderzoek.

Ondertussen is ook nog een andere ex-patiënt van dokter Wittenberg in beeld gekomen: Henk R. Henk werkt bij de politie in Enschede en is een vriend van Michael de J.. Kort na de moord wordt hij voor het eerst gehoord door de recherche IJsselland. Wellicht alleen omdat hij goed bevriend was met de weduwe, hoewel zijn vingerafdrukken worden afgenomen. Henk zegt dat hij niets met de moord te maken heeft. Maar de verdenking tegen hem rijst als hij tijdens de koffietafel na de begrafenis van mevrouw Wittenberg tegenover de nabestaanden allerlei details over de moord vertelt. Details die niet door justitie naar buiten zijn gebracht. De recherche concludeert dat Henk over daderwetenschap beschikt: informatie die alleen de moordenaar kan bezitten.

Rond 17 oktober wordt Henk voor een tweede keer verhoord. Het zal tevens de laatste keer zijn. Tegen de tijd dat het speurwerk naar Michael de J.wordt stop gezet, eindigt ook het onderzoek naar Henk R.

Een maand later – op 19 november - wordt Ernest L. aangehouden.

Hoe valt deze miraculeuze wending in het onderzoek te verklaren? Zeker is dat er nog genoeg viel te rechercheren naar de twee verdachten. Al was het alleen maar naar de intrigerende verzameling koksmessen van Michael, waarvan inmiddels is gebleken dat één exemplaar naadloos past op de bloedafdruk van een mes op de blouse van het slachtoffer. Een huiszoeking zou wel op zijn plaats zijn geweest. Waarom verlegde de recherche dan toch het spoor naar Ernest L.?

Er zijn twee mogelijke scenario’s. Ofwel kreeg de recherche dermate belastende informatie over Ernest L. in handen, dat die verbleekte bij de informatie die men al tegen Henk R. en Michael de J. had verzameld. Ofwel was de politie er om duistere redenen alles aan gelegen Henk en Michael vrij te laten, en werd in Ernest – tenslotte moest iemand voor de brute moord opdraaien – de perfecte figuur gevonden de aandacht af te leiden.

Laat ik voorop stellen dat ik geen harde bewijzen hebben voor het laatste scenario. Of er onfrisse zaakjes tussen de recherche IJsselland en de verdachten Michael en Henk hebben gespeeld, weet ik niet. Maar er zijn wel aanwijzingen dat leden van het Deventer korps banden onderhielden met de twee verdachten, die een goede uitoefening van hun functie in de weg kunnen hebben gestaan.

Ten eerste is daar het voorval – het staat in het politiedossier beschreven - met studente Emilie, een bekende van Michael. Emilies vriendje werkt bij de Deventer politie. Op dinsdagavond 28 september vraagt Michael – het is de dag dat hij voor het eerst wordt verhoord – aan Emilie of zij via haar vriend iets te weten kan komen over de moord op mevrouw Wittenberg. Emilie hoort braaf haar vriendje uit. Ondanks dat de jongen haar op het hart drukt er met niemand over te praten, lekt ze de informatie door naar Michael. De jonge agent zal enige tijd later de politie verlaten – het is dan inmiddels uit met Emilie.

Ook Henk R. heeft zo zijn contactjes binnen het Deventer korps. Tot 1979 heeft hij daar zelf gewerkt, zo vertelde hij in een gesprek dat de adjunct van HP/De Tijd en ik in september 2002 met hem voerden. Volgens Henk moet hier de oorzaak van zijn daderkennis worden gezocht: zijn oude maten, die overigens al wel in de vut zaten, waren niet te beroerd geweest allerlei details over de moord te verklappen. Daarover had hij – stom, stom, stom –op de begrafenis zitten keuvelen, en zo werd hij dus verdacht. Volgens Henk vonden de rechercheurs die hem verhoorden deze uitleg zo plausibel, dat ze hem verder met rust lieten.

Eerlijk gezegd: wij hadden wat meer moeite met de lezing van Henk. Dat ze bij de Deventer politie niet al te zorgvuldig omgaan met vertrouwelijke informatie in strafzaken, was ons onderhand wel duidelijk geworden. Maar dat vuttende politiemannen naar hartelust in openstaande dossiers kunnen grasduinen, ging onze verbeeldingskracht te boven. Daar kwam bij dat we toevallig wisten dat Henk eerder met een andere verklaring voor zijn daderwetenschap was gekomen. Tegenover anderen had hij verteld hij dat hij de voor hem zo belastende informatie had verkregen via zijn neef, die in het rechercheteam werkte dat het onderzoek naar de moordzaak deed. Hiermee door ons geconfronteerd, zei Henk echter stellig niet van de detectivewerkzaamheden van zijn neef op de hoogte te zijn geweest. Ondanks dat de familie R. naar zijn eigen zeggen nogal vaak bij elkaar op de koffie komt.

Al met al kronkelde Henk zo opzichtig om de waarheid heen, dat het ons aannemelijker leek dat hij op een andere manier aan zijn daderwetenschap was gekomen. Niet van zijn vuttende ex-collega’s, niet van zijn neef –gewoon van de dader zelf. Wellicht dus van zijn vriend Michael. Maar waarom hadden de rechercheurs dan alles wat Henk zei wèl voor zoete koek geslikt? Zijn politieagenten zo goedgelovig? Of moest een agent die in de problemen zat, onder het mom van maten onder elkaar, worden gedekt?

Er is nog één andere mogelijkheid: Henk jokte toen hij ons vertelde dat de rechercheurs zijn uitleg geloofwaardig vonden. Misschien waren ze wel net zo sceptisch als wij. Maar ja, dan valt nog altijd niet te begrijpen waarom het onderzoek naar Henk abrupt werd beëindigd. Wellicht dat de verhoren van Henk R. meer duidelijkheid hadden kunnen verschaffen. Maar helaas, die waren door justitie opmerkelijk genoeg nooit aan het procesdossier toegevoegd.

Aangezien ik de innige contacten tussen de politieman Henk R. en de belangrijke verdachte Michael de J. nogal ernstig vond, had ik in een eerder stadium al de inlichtingendienst van de rijksrecherche op de hoogte gesteld. Dit is dé instantie waar het gaat om de bestrijding van corruptie binnen de politie.

Eind september 2002 vond in het Amsterdamse Mercure-hotel een ontmoeting plaats met twee rijksrechercheurs. Ik zal hun namen hier niet noemen, ze opereren waarschijnlijk vaak undercover. De ene droeg een imposante snor (geen plaksnor overigens) de andere was een krullenbol die zijn hemd had openstaan. De rijksrechercheurs dronken koffie en keken serieus. De krullenbol luisterde, de snor stelde vragen. Daarbij keek hij mij voortdurend doordringend aan, alsof ik de belangrijkste verdachte was van de moord. Misschien had hij dat op de politieschool geleerd, peinsde ik. Er was in ieder geval sprake van een duidelijke rolverdeling. Je hoorde wel eens van die technieken, dat noemden ze dan good cop, bad cop. Enfin, de twee waren zeer geïnteresseerd in het verhaal over Henk R.. We spraken af contact met elkaar te houden.

Korte tijd later kon ik hun tippen dat ik een interview met Henk en (wellicht) Michael had weten te regelen in restaurant De Keizerskroon in Deventer. Misschien konden ze in de buurt van de Stromarkt komen posten of zo? Ik had geen idee hoe men zoiets bij de rijksrecherche aanpakte. De rechercheurs hadden geen tijd, zeiden ze, maar meldden alles te willen weten over het verloop van het gesprek.

Nadien heb ik niets meer van hen vernomen. Wel heb ik inmiddels van een bron binnen de politie begrepen dat de rijksrecherche ‘met de zaak in de maag zit’. Hetgeen natuurlijk best mogelijk is. Alleen verkeerde ik in de veronderstelling dat deze dienst nu juist in het leven was geroepen om ongerechtigheden in het maagdarmstelsel van politie en justitie op te sporen en onschadelijk te maken. Wellicht had ik mij vergist.

Er ligt iets te rotten in de stad Deventer – zoveel is wel duidelijk. Maar zijn al die verknopingen tussen politiemensen en verdachten er ook de oorzaak van geweest dat Ernest L. moest bloeden? Was hij een ‘patsy’, zoals de Amerikanen zeggen? Zoals gezegd, daarvoor heb ik geen hard bewijs gevonden.

Vooralsnog moet ik er dus van uitgaan dat de recherche IJsselland in elk geval in de aanvangsfase te goeder trouw was. Er was zulk explosief materiaal gevonden tegen Ernest L. dat men niet anders kon dan het hele onderzoeksteam in zijn richting te dirigeren. Maar ook dit scenario heeft iets onbevredigends. Want wat kan dat materiaal dan zijn geweest? De belangrijkste onderzoeken – die naar het moordwapen en naar Ernests alibi - vonden pas na zijn aanhouding plaats. Ik kan eigenlijk maar een ding bedenken: het moet iets te maken hebben gehad met het beruchte ‘laatste telefoontje’.

Hoe zat het daar ook al weer mee?

Op zaterdag 23 september om half negen ’s avonds voert Jaqueline Wittenberg haar laatste telefoongesprek. Kort daarna zou zij zijn vermoord. Het telefoontje is afkomstig van haar fiscaal adviseur, Ernest L. Wanneer Ernest op 27 september door twee agenten op zijn kantoor wordt bezocht – hij is dan nog getuige, geen verdachte – vertelt hij dat hij mevrouw Wittenberg die avond vanuit zijn auto had gebeld om het belastingvrije bedrag van een donatie door te geven. Op dat moment zou hij zich hebben bevonden op de snelweg A28, ergens tussen Harderwijk en ’t Harde. Kennelijk ziet de politie geen aanleiding aan zijn verhaal te twijfelen.

Maar dit verandert – en nogal radicaal – wanneer KPN-gegevens beschikbaar komen. Dat gebeurt medio oktober en valt dus inderdaad min of meer samen met het tijdstip van de beëindiging van de verhoren van Michael en Henk. Uit het KPN-onderzoek blijkt dat het mobiele telefoongesprek is opgevangen door een basisstation in Deventer. Ruim twintig kilometer verwijderd van de snelweg bij ’t Harde, van waar Ernest zegt te hebben gebeld. Volgens de recherche is het vrijwel onmogelijk dat een mobiel telefoonsignaal over zo’n grote afstand een zendmast kan aanklikken. Kortom, Ernest moet zich om half negen ‘s avonds ‘in of in de onmiddellijke omgeving van Deventer’ hebben bevonden. En daarmee is hij uiterst verdacht. Volgens de politie althans.

Ik zal de lezer op deze plaats niet opnieuw vermoeien met alle technische details over het telecommunicatie-verkeer dat die avond plaatsvond. Laat ik het houden bij twee constateringen. Nieuw onderzoek heeft aangetoond dat het wel degelijk mogelijk is over een afstand van ruim twintig kilometer een zendmast aan te klikken. En er ging werkelijk van alles fout bij de registratie van het bewuste telefoontje. Om 20.36 uur belde Ernest vanuit zijn auto, terwijl het telefoongesprek om 20.25 bij mevrouw Wittenberg in de huiskamer binnenkwam. Een verschil van elf minuten! Terug in de tijd! Ik schreef het eerder: zoals er in Dallas een magic bullet bestaat, zo heeft Deventer zijn magic call.

Maar ook al zóu Ernest zich die avond in of in de onmiddellijke omgeving van Deventer hebben bevonden? Wat dan nog? Waarom werd hij daardoor plotseling tot topverdachte gepromoveerd? Deventer is, voor de liefhebbers, een leuke provinciestad. Misschien wilde Ernest gewoon een ommetje door het oude centrum maken. Of – ik heb er geen enkele aanwijzing voor, hoor – een bezoek brengen aan de meisjes van plezier.

Zou het dan de (vermeende) leugen zijn geweest die de argwaan heeft gewekt van de recherche? Tja, wie liegt, heeft iets te verbergen. Het is geen goed teken. Maar we hebben inmiddels ervaren dat het duo Michael/Henk ook liegt dat het gedrukt staat. En tegen hen was het onderzoek reeds in gang gezet. Alleen al vanuit een opzicht van zorgvuldig omgaan met belastingmiddelen zou het toch logischer zijn geweest dit spoor verder te volgen.

Nee, al met al blijft het voor mij een raadsel waarom nu juist dit telefoontje alle alarmbellen bij de politie in werking zette. Maar goed, ik heb dan ook niet zo’n voortreffelijke staat van dienst als rechercheur Jaap Visscher. Het hoofd van de recherche IJsselland zag er kennelijk aanleiding in alle kaarten op Ernest L. te zetten. En vanaf dat moment werd naarstig ‘gezocht’ naar aanvullend bewijs en werden signalen dat de verdachte het niet had gedaan genegeerd.

Want wat had de politie nu eigenlijk verder tegen Ernest L. in te brengen? Bar weinig. Er waren geen ooggetuigen die hem die drukke donderdagavond in Deventer hadden gezien. Noch in zijn pantalon, noch in zijn stationwagon werd een spatje weduwenbloed gevonden. En van het hagelnieuwe keukenmes waarmee hij de gruwelijke moord zou hebben gepleegd, stond allerminst vast dat het het moordwapen was. Er zaten geen bloedsporen, vingerafdrukken of dna-materiaal op. Was de politie trouwens zelf wel zeker van zijn zaak? Weken later werd een ander mes opgestuurd voor onderzoek naar de moord. Of zou Deventer zo crimineel zijn dat uit voorzorg maar alle keukenmessen die op straat worden gevonden naar gerechtelijke laboratoria worden gezonden?

Als Ernest L. de koelbloedige moordenaar was, die justitie in hem zag, moet hij wel de domste koelbloedige moordenaar aller tijden zijn geweest. Na de moord zou hij anderhalve kilometer met het mes over de Zwolseweg in het centrum van Deventer hebben gelopen om het vervolgens in het portiek van een hofje te leggen waar geregeld iemand zijn fiets uit de kelderbox haalde. Daarbij vijvers en plantsoenen passerend, waar hij met gemak het corpus delicti had kunnen lozen.

Maar ja, van de recherche IJsselland had zich reeds een grote gretigheid meester gemaakt. Op 30 november werd een geursorteerproef met het vermeende moordwapen gehouden. Snuffelhond Spike rook eerst aan een doek waarop de geur van het mes zat, vervolgens aan buisjes met lichaamsgeur van zes personen, en toen hij Ernests luchtje rook, gromde het beest bloeddorstig. Bingo!

Nu willen we Spike niet beledigen, maar in dit geval viel er wellicht wat op zijn reukvermogen af te dingen. De andere buisjes met geur waren namelijk van politie-agenten. En wanneer het team van ‘bijleggers’, zoals dat in het jargon heet, zo eenvormig is samengesteld, is een geurproef riskant. Het mes had trouwens dagen in weer en wind in een portiek gelegen voordat het door de politie in beslag werd genomen, waardoor een deel van de geur verloren kon zijn gegaan. Als het mes er al niet lag voordat de moord werd gepleegd – hetgeen de vinder niet eens zeker wist.

We hebben het nog niet eens gehad over de rommelige proces-verbalen. Op het ene staat dat de geurproef met het mes op 29 november werd gehouden, op het andere staat een datum van 30 november. Ook de documenten over het veiligstellen van het mes vertonen eigenaardige tegenstrijdigheden. Slordigheid? Of moest er – zoals Ernest L. vermoedt - snel iets in elkaar worden geflanst? Hoe dit ook zij: er zat een luchtje aan dat mes. Of beter gezegd: dat zat er nu juist niet aan

Ook het motief werd door de recherche met veel creativiteit in elkaar geknutseld. Als voorzitter van de Dokter Wittenberg Stichting zou Ernest - alleen al de formulering - ‘zich mogelijk de miljoenen kunnen gaan toeëigenen’ Uit een accountantsonderzoek was echter niets van fraude gebleken. Wat overbleef waren een paar foldertjes van vakantiehuizen die in Ernests woning waren gevonden en de incriminerende verklaringen van een collega.

Wat begon met een ‘verdacht’ laatste telefoontje is daar dus ook eigenlijk bij gebleven. En zelfs dat is te veel eer voor de recherche. Maanden nadat mevrouw Wittenberg werd vermoord, vroeg de officier van justitie toch maar eens aan een patholoog-anatoom of die het tijdstip van overlijden kon aangeven. De lijkschouwer kon dit niet met zekerheid vaststellen. Zo kwam de theorie dat de weduwe kort na het laatste telefoontje van half negen ’s avonds was vermoord op losse schroeven te staan. De dader kon uren later hebben toegeslagen. In welks geval Ernest al lang en breed bij moeders thuis zat.

En zo zou ik nog wel even kunnen doorgaan. Zelfs wanneer ik alle ontlastende informatie die pas achteraf bekend is geworden achterwege laat, was er geen enkele aanleiding Ernest L. te vervolgen. Laat staan hem te veroordelen. Hoe is hij dan toch achter slot en grendel gekomen? Hadden de rechters die dag collectief een off day? Of speelde er iets anders?

Rechters zijn net mensen. Ze hebben wel eens ruzie met hun vrouw en dan zijn ze minder scherp. Ze zijn gevoelig voor sfeer, laten zich beïnvloeden door de media, maar denken zelf natuurlijk van niet, en hebben zo hun voor- en afkeuren. In wezen verschillen ze maar in één opzicht van andere burgers: ze kunnen goed rechtspreken. Dat is hun vak.

Een moeilijk vak, dat wel. Binnen vrij korte tijd moet je je een strafdossier eigen maken, waarvan maar de vraag is of alles dat er in moet staan er ook in staat. Hoe beoordeel je dat als rechter? Hoe weet je of het Openbaar Ministerie niet allerlei voor de verdachte ontlastende verklaringen achter de hand heeft gehouden? Laat je dat enkel en alleen afhangen van wat een advocaat te berde brengt? Een zekere professionele argwaan lijkt tenminste wel vereist.

En dan is een rechter nog niet eens aan het echte werk begonnen. Een tenlastegelegd strafbaar feit dient ‘wettig en overtuigend’ te worden bewezen, zoals dat zo mooi heet. Dat ‘wettige’ is het moeilijke nog niet: het wetboek van strafvordering somt keurig de bewijsmiddelen (getuigen, deskundigen, enzovoorts) op. Alleen: hoe betrouwbaar is zo’n getuigenverhoor of zo’n verklaring van een deskundige? Hoe schat je dat als rechter in? Of moet je je misschien mede baseren op circumstancial evidence? Zoals het motief.

Of dat alles bij elkaar dan ‘overtuigend’ genoeg is, is een oordeel dat je helemaal zelf velt. Want daarover zegt het wetboek niets. Het enige dat zeker is, is dat de zaak begint met de presumptie dat de verdachte onschuldig is. Inderdaad, presumed innocent. Wil je iemand de gevangenis insturen, moet je dus ook nog eens stevig in je schoenen zitten. Ga er maar aanstaan. Als rechter.

Net als elke beroepsgroep zal de rechterlijke macht prutsers kennen. Dit laat onverlet dat de meeste magistraten prima hun werk zullen doen. Deskundig, onafhankelijk, onpartijdig. In elk geval integer. Zoals het hoort.

In maart 2000 spreekt de Zwolse rechtbank Ernest L. vrij wegens gebrek aan bewijs. Gezien het hierboven beschrevene lag dat voor de hand. De officier van justitie, die vijftien jaar gevangenisstraf had gevorderd, gaat in hoger beroep. Van zijn advocaat krijgt Ernest te horen dat hij zich geen zorgen hoeft te maken. Het appèl dat het Openbaar Ministerie instelt, wordt gezien als een ‘pro forma’-actie, hetgeen wel vaker zou gebeuren bij zaken die de rechtsorde ernstig hebben ondermijnd.

Een miscalculatie, zo blijkt. Op 22 december 2000 veroordeelt de meervoudige kamer van het gerechtshof te Arnhem Ernest L. tot twaalf jaar cel. De drie raadsheren mr. Kerssemakers, mr. Boerwinkel en mr. Vegter, allen al zeer lange tijd actief binnen de rechterlijke macht, achten het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte mevrouw Wittenberg in koelen bloede had vermoord. Op basis van dezelfde gegevens als de rechters in Zwolle tot hun beschikking hadden.

Zou de standplaats Arnhem zo onaantrekkelijk zijn dat hier alleen de echte kneusjes werken? Er zijn wel eens negatieve berichten geweest over het Arnhemse paleis van justitie, maar die stammen toch al weer van jaren terug. Dat de rechters zich hadden laten meeslepen door het enthousiasme van het Openbaar Ministerie ligt ook niet voor de hand. Van deze ervaren professionals mocht toch worden verwacht dat ze daar koeltjes mee omgingen. Of hadden de rechters zo’n hekel aan Ernest L. dat ze alle objectiviteit uit het oog verloren?

Uit diverse bronnen valt op te maken dat het optreden van Ernest op de twee terechtzittingen niet goed viel in Arnhem. Hij zou arrogant en driftig zijn overgekomen. Achteraf bezien niet zo verwonderlijk. Gaande de twee zittingen bekroop de verdachte immers het nare gevoel dat hij alsnog de boot inging. Bovendien had hij een advocaat met weinig ervaring, die niet bepaald, zo verklaren mensen die bij de terechtzitting aanwezig waren, werd ‘geholpen’ door de rechters van het hof. Integendeel zelfs. De getuigen à décharge werden nogal bruusk bejegend en konden hun ei niet kwijt. Dus voerde Ernest zelf het woord – en dat maakte op de juristen een betweterige indruk.

Kan dat dan de reden zijn geweest dat de koele blik van de magistraten werd vertroebeld? In principe niet. Tenzij de negatieve beeldvorming rond Ernest natuurlijk al veel langer bestond. Maar ja, waar hadden de raadsheren hun vooroordelen dan vandaan?

Als er ergens haatgevoelens tegen Ernest L. worden gekoesterd, dan is het onder familie en bekenden van Jaqueline Wittenberg-Willemen. Dat de mogelijke moordenaar van een dierbare niet met grote hartelijkheid wordt tegemoet getreden, is volstrekt begrijpelijk. Maar ook nu er grote twijfels zijn gerezen of Ernest L. de dader is, volharden de nabestaanden in hun wrok. Dit blijkt uit diverse uitlatingen in de media van Kees Willemen – de oudere broer van het slachtoffer – die zich heeft opgeworpen als woordvoerder van de familie.

Ook ik had een lang telefonisch onderhoud met Willemen, die enige roem geniet als politiek tekenaar. En ook mij viel op hoe diep de haat tegen Ernest L. zit. Maar ook hoe irrationeel die is. Willemen noch enig ander familielid kende Ernest voordat deze in beeld kwam als executeur-testamentair. Ernest behoorde niet tot het kringetje van vrienden en kennissen van de weduwe. Hij was een zakelijke relatie. Een buitenstaander. Maar ja, wel een buitenstaander die als stichtingsvoorzitter ineens de baas was geworden over een miljoenenvermogen. En daar lijkt ‘m nu precies de schoen te wringen.

Iedereen die wel eens in een erfeniskwestie is verzeild geraakt, weet hoe hoog de emoties kunnen oplopen. Hele families, waarvan de leden voorheen uitstekend met elkaar overweg konden, zijn er door verscheurd. Het is blijkbaar des mensen aard. Hoe vaker Kees Willemen in de media verkondigt dat zijn bezwaren tegen Ernest niets te maken hebben met het geld hoe minder ik dan ook geneigd ben dit te geloven. In De Telegraaf van 5 oktober 2002 zegt hij: “Iedereen zal wel denken dat wij rancuneus zijn, omdat we er in de erfenis bekaaid zijn afgekomen. Maar dat is onjuist.”

Goh. Maar wat viel er dan verder helemaal op executeur-testamentair en stichtingsvoorzitter Ernest L. aan te merken?

Op de dinsdagochtend nadat het lijk is gevonden, hebben Kees Willemen en Pieter ter Velde – de vorige executeur-testamentair – een eerste ontmoeting met Ernest L. Volgens hen stelde Ernest zich buitengewoon hardvochtig en ontoegankelijk op. Op verzoek enkele stukken uit de nalatenschap voor de familie veilig te stellen, reageerde hij afhoudend. Uiteindelijk moest de familie genoegen nemen met, zoals Willemen het op 13 januari 2002 in de Volkskrant verwoordde, ‘een doos met wat uit hun lijstjes gerukte foto’s’. Uit ditzelfde interview: “Alles moest naar de stichting, zei L. Het hoeft niet op schuld te wijzen, maar het is toch wel ontzettend raar.” De koele wijze waarop Ernest de begrafenis had geregeld, stemde al evenzeer tot bitterheid. De nieuwe executeur-testamentair leek zelfs nauwelijks te porren voor het organiseren van een koffietafel.

Maar laten we deze ontmoeting nu eens vanuit het perspectief van Ernest L. bezien. Voor het eerst van zijn leven ziet hij een familielid en een oude vriend van mevrouw Wittenberg. Over beiden heeft hij nare dingen gehoord. Uit het hele dossier – dus niet alleen uit Ernests verklaring – komt naar voren hoe mevrouw Wittenberg de laatste maanden van haar leven was afgeknapt op de Ter Veldes. Ze noemde hen zelfs ‘aasgieren’. Met haar familie was zij al lang gebrouileerd. Jaqueline nam het haar broer en zus kwalijk dat die naar haar smaak te weinig begrip toonden voor het verdriet dat zij voelde over de dood van Willem. Ook zouden ze soms een te warme belangstelling aan de dag hebben gelegd voor haar fortuin.

Tot in de puntjes had Jaqueline haar heengaan geregeld. Misschien is Ernest L. niet de warmbloedigste persoon ter wereld, maar hij was gebonden aan strikte opdrachten. De Willemens mochten beslist geen cent krijgen. In feite waren ze nauwelijks welkom op de begrafenis. Dat de executeur-testamentair ‘op eigen houtje handelde’, zoals hem is aangewreven, is een onzinnig verwijt. Heel de boedel moest per se geveild worden. Zo had Jaqueline dat bepaald.

En dan moeten we niet vergeten dat er een moord was gepleegd. Wie – ik spreek nog altijd vanuit het perspectief van Ernest L. – hadden er nu eigenlijk baat bij de dood van de weduwe? Degenen die naast de poet grepen natuurlijk. Dat gold dus zowel de familie van Pieter ter Velde, die nota bene verdachte bleek te zijn, als de familie Willemen. Daarbij komt nog dat L. van de politie opdracht had gekregen prudent om te gaan met allerlei informatie waarover hij als executeur kon beschikken– justitie was immers druk bezig met het opsporen van de dader – en kon hij niet al te openhartig zijn.

Maar Kees Willemen heeft hier blijkbaar allemaal geen boodschap aan. Hij blijft, net als andere bekenden van mevrouw Wittenberg, met de beschuldigende vinger richting L. wijzen. Daarbij wordt een grote vindingrijkheid aan de dag gelegd. Hoe dubieus Ernest had gehandeld, zou in het genoemde artikel in de Volkskrant weer blijken uit de samenstelling van de Dokter Wittenberg Stichting. Daar zat geen enkele medicus in! Maar Ernest had wel degelijk contact gezocht met een psychiater – de afspraak stond al in zijn agenda genoteerd. Alleen werd hij vlak daarvoor gearresteerd.

Wie zich inzet voor de vrijlating van L., zoals meneer en mevrouw Waisvis, krijgt natuurlijk ook vanonder uit de zak. En dan worden evenmin schijnargumentaties geschuwd. In De Telegraaf van 1 oktober 2002 zegt Willemen: “Als familie hebben wij meer vertrouwen in het vonnis van het gerechtshof.” In het Deventer Dagblad van 2 oktober verklaart hij zich nader: “Na tal van zittingen en nauwkeurig wikken en wegen heeft de rechtbank hem veroordeeld. Wie ben ik dan om het beter te weten en op de stoel van de rechter te gaan zitten.” (Willemen bedoelt: wie is Waisvis dan.)

Uitspraken die blijk geven van een enorm respect voor de autonomie en het beslissingsvermogen van de rechterlijke macht. Maar dan toch alleen voor zover die doet wat Willemen c.s. wensen. Want nadat Ernest L. wordt vrijgesproken door de rechtbank in Zwolle blijkt de familie helemaal niet zo onder de indruk van het ‘nauwkeurig wikken en wegen’ van rechters. Dan laat men de huisadvocaat het Openbaar Ministerie bestoken met lange brieven vol aantijgingen jegens L. voorzien van kattebelletjes (‘Direct doorsturen svp’) die justitie weer snel op het goede spoor moeten zetten.

In de gehaaste pogingen L. in een duister daglicht te brengen lijkt de familie zichzelf dan ook nog danig tegen te spreken. Zo stelt (weer) broer Kees Willemen in diverse media dat de oprichting van een stichting hem wel bekend was. Dit zou het probleem niet zijn. Dat we dat niet denken!

Maar als hij kort na de moord wordt verhoord blijkt hij nog van niets te weten. Evenmin als zijn gelegenheidscompaan Ter Velde. Die laatste verwachtte daarover pas door Jaqueline Wittenberg te worden ingelicht op zondag 26 september 1999, de dag dat hij bij haar op visite zou komen. Een afspraak die, zij werd op zaterdag gevonden, natuurlijk geen doorgang meer kon vinden.

In een brief aan justitie, waaruit wordt geciteerd in een uitzending van het programma Peter R. de Vries, misdaadverslaggever, schrijft Willemen dan: “De openbaarmaking van het testament had zeker tot commentaar, waarschuwingen en adviezen geleid met het aanmerkelijke risico dat – beïnvloedbaar en onzeker als zij was – L. zijn functies als executeur en stichtingsbestuurder zou verliezen. Hetgeen hij tot elke prijs wilde voorkomen.”

Omineuze woorden. Maar waarom zou ‘de openbaarmaking van het testament’ dan tot zulke dringende adviezen en waarschuwingen geleid hebben? Het was toch al lang bij Willemen bekend dat het echtpaar Wittenberg een stichting in het leven wilde roepen? Daar was toch niets mis mee?

Nee, de conclusie is onontkoombaar dat de negatieve gevoelens ten opzichte van Ernest L. gebaseerd zijn op emoties. Emoties die – het is min of meer een kenmerk van die dingen – ongefundeerd zijn. En áls ze al ergens op gefundeerd zijn dan toch eerder op het feit dat een buitenstaander er met het kapitaal ‘vandoorging’ dan op diep verdriet over het heengaan van de dierbare Jaqueline.

Maar de hamvraag is: konden die emoties van de familie zijn overgeslagen op de raadsheren in Arnhem? En hoe dan? Welnu, de sleutel ligt vermoedelijk in diezelfde Dokter Wittenberg Stichting.

Ruim drie jaar na de moord op mevrouw Wittenberg lijdt de Dokter Wittenberg Stichting een slapend bestaan. Een opvanghuis voor uitbehandelde psychiatrische patiënten is er nog niet. Gezien het belang dat justitie aan een zorgvuldig beheer van het vermogen van mevrouw Wittenberg hechtte – als stichtingsvoorzitter zou Ernest L. immers de vier miljoen gulden met gemak hebben kunnen stelen – was ik zeer benieuwd naar de samenstelling van het bestuur. Daarbij stuitte ik in een eerder stadium al meteen op een verrassing: Pieter ter Velde. Inderdaad, die verdacht werd van de moord, maar een alibi had. Na de arrestatie van L. werd Ter Velde opnieuw benoemd tot executeur-testamentair. Voor de stichting beheert hij de kas. Een medicus is hij overigens niet.

Volgens Ter Velde hoef ik me geen zorgen te maken: het vermogen van mevrouw Wittenberg is intact. Het staat netjes op allerlei rekeningen en beleggingsfondsen. Een opvanghuis voor patiënten zit er niet in – die twee miljoen euro zou dan wel heel snel zijn opgesoupeerd. Er wordt gekeken naar samenwerkingsprojecten met andere zorginstellingen. Het heeft gewoon allemaal wat langer geduurd dan voorzien, zegt de penningmeester.

Stichtingsvoorzitter Sape Braaksma beaamt het verhaal. Hij voegt eraan toe dat de controle goed is geregeld. Zelfs voor kleine uitgaven moet de penningmeester het hele bestuur vooraf om toestemming vragen. Er kan geen eurocent zo maar verdwijnen. Braaksma is de voormalige buurman van Willem en Jaqueline Wittenberg. Hij was directeur van het Sophia-ziekenhuis in Zwolle. Inmiddels is hij gepensioneerd, en doet hij hier en daar wat advieswerk. Een medicus is hij niet.

Hoe zit het met de rest van het vierkoppige bestuur? Algemeen bestuurslid is mevrouw W. de Koning-Wittenberg, de schoonzuster van Jaqueline. Voor zover mij bekend geen medicus, maar wel actief in de zorgsector. Dat kan echter niet van het laatste bestuurslid worden gezegd: de secretaris mr. J.B.H. Röben. Die is in het dagelijks leven rechter. Bij het gerechtshof in Arnhem.

Over rechters en bijbaantjes schreef ik ooit een lang verhaal in HP/De Tijd. In een notendop kwam het hierop neer: de combinatie is in zijn algemeenheid niet verstandig. Rechters moeten de schijn van partijdigheid vermijden. Op zich valt het te prijzen dat Röben zijn nevenfuncties openbaar heeft gemaakt – sommige rechters lappen deze wettelijke verplichting aan hun laars – maar hoe heeft de raadsheer in Arnhem toch uitgerekend déze klus kunnen accepteren? Hij moet toch hebben geweten dat dit heel gevoelig ligt.

Wanneer ik mijn bevindingen aan voorzitter Braaksma voorleg, schrikt hij zichtbaar. “U moet daar niets achter zoeken”, zegt hij. “Röben is gewoon een prima vent. Ik ken hem van het CDA in Deventer – we zaten samen in de gemeenteraad.” Hij benadrukt dat Röben pas in een laat stadium bij het stichtingsbestuur is gevraagd.

Uit de lijst van nevenfuncties die de rechter openbaar heeft gemaakt, staat dat Röben op 1 juli 2002 bestuurslid is geworden. In de registers bij de Kamer van Koophandel staat een wat oudere datum vermeld: 29 november 2001. Nader onderzoek wijst uit dat Röben in de loop van 2001 door Braaksma werd benaderd. Het hof in Arnhem had toen Ernest L. al wel veroordeeld, maar het cassatieberoep bij de Hoge Raad liep nog. Kortom, de zaak was nog ‘onder de rechter’.

Maar ligt het niet voor de hand dat Röben al voor die tijd wel eens met zijn collega’s bij het hof over de zaak-Ernest L. had gesproken? Daarover moest hij toch wel iets gehoord hebben van zijn goede vriend Braaksma. En zou die hem dan niet hebben verteld wat een schobbejak de verdachte was? Zo koelbloedig en hartvochtig. Kan het niet zo zijn geweest dat de drie collega-raadsheren vervolgens een tikkeltje bevooroordeeld waren toen ze Ernest in het beklaagdenbankje zagen zitten?

Volgens Röben, die ik in februari 2003 sprak, zoek ik spijkers op laag water. Hij is geen lid van de strafkamer van het Arnhemse hof, maar doet fiscale zaken. Dat schijnen twee volstrekt gescheiden compartimenten te zijn. Van enigerlei contact over de Deventer moordzaak met zijn drie collega’s in het ‘strafdeel’ is in elk geval beslist geen sprake geweest. Trouwens, zo vaak ziet hij die Braaksma nu ook weer niet.

Tja, Röben kan moeilijk iets anders zeggen. Dan zou hij zichzelf en zijn collega’s bij het hof wel in een heel lastig parket brengen. Dat het plaatsnemen in de Dokter Wittenberg Stichting achteraf bezien niet zo’n gelukkige stap was, lijkt hij wel in te zien. Ten gevolge van de publiciteit over de Deventer moordzaak heeft de rechter zich eind 2002 uit het stichtingsbestuur teruggetrokken.

 

Lees over de twijfels in de Deventer moordzaak!