Hoofdstuk XIII (Slot) Novum, geen novum
“De Hoge Raad der Nederlanden!” Het is dinsdag 11 maart 2003, aan het eind van de ochtend. Vijf mannen in toga komen via een deurtje de rechtszaal in Den Haag binnen. Ze nemen plaats achter een lange tafel. Het publiek mag nu weer gaan zitten.
Vandaag is de grote dag voor Ernest L. en voor iedereen die zich de afgelopen twee jaar om zijn zaak heeft bekommerd. Deze ochtend zal advocaat-generaal mr. J. Wortel van de Hoge Raad zijn ‘aanvullende conclusie’ presenteren. Als hij meent dat sprake is van een novum, wordt de Deventer moordzaak herzien. Een positief advies van het Openbaar Ministerie zal de Hoge Raad niet snel naast zich neerleggen. Zeggen ingewijden.
Slechts enkele misdaadverslaggevers zijn op de zitting aanwezig. De meesten zijn op hun redacties gebleven – zij wachten tot half één. Dan wordt een samenvatting van de conclusie gepubliceerd op de website van de rechterlijke macht. De artikelen, die in concept klaar zijn, kunnen dan nog met wat citaten worden aangevuld. Ze hebben hun hoofdredacties ervan op de hoogte gesteld dat vandaag wel eens spectaculair nieuws uit Den Haag kan komen. En dan nu eens een keer niet over prinses Margarita.
Via welke mechanismen het gebeurt – dat weet je achteraf nooit. Maar net als in een rechtbankthriller is de suspense de afgelopen dagen zorgvuldig opgebouwd. Gisteravond nog kwam Netwerk met een item over de zaak. Het programma was in het bezit geraakt van ‘geheime documenten’, waaruit zou blijken dat de Hoge Raad ‘vermoedelijk tot een vrijspraak’ zal komen. De voice-over had een zekere dramatiek in zijn stem gelegd. Het klonk spectaculair.
De geheime documenten betroffen het verhoor van de geurproefdeskundige dr. Addee Schoon. Zij had tegenover de leden van de Hoge Raad verklaard dat naar haar mening geen sprake was van een ‘eenduidige relatie’ tussen het mes en de moord. Dat was haar eertijds bij het gerechtshof in Arnhem niet duidelijk geworden. En dit zou dus een novum kunnen opleveren. Omdat mevrouw Schoon twijfelde of wat zij te zeggen had niet ‘was ondergesneeuwd’ had zij later nog een brief gestuurd aan de leden van de Hoge Raad. Daarin legde ze haar standpunt nog eens uit: het hof had de veroordeling niet mogen baseren op het resultaat van de geuridentificatieproef met het mes. Ook daaruit werd in Netwerk geciteerd.
“Als dit geen novum is, moet het systeem op de helling”, sprak professor Tak in de uitzending. Hij legde nog eens uit: “Zonder geurproef geen bewijs.” Het geheel was gebaseerd op een ‘denkconstructie’. Een foute denkconstructie, wel te verstaan.
Er was ook nog een stukje film uit een eerdere uitzending over de zaak te zien. We hoorden Ernest L. zeggen: “Ik ben veroordeeld op niets. Op een jurdisch niets.” Toen de presentator het item afsloot, herhaalde hij het nog eens: “Een juridisch niets...”
Al met al ziet het er deze ochtend gunstig uit voor Ernest L. En voor zijn voornaamste pleitbezorgers: meneer en mevrouw Waisvisz. “We worden suf gebeld”, had Wanda de vorige avond gezegd. “Morgen komt Omroep Flevoland filmen. Ik hang nu op, hoor.”
Het kan nauwelijks meer mis gaan. Nog een kwartier en dan is Wortel klaar met zijn verhaal. Misschien wordt Ernest wel ter plekke vrijgesproken. Dan kan het feest beginnen. En daarna met zijn allen Indisch eten. Ed heeft het zelf beloofd.
Het is half één. De advocaat-generaal is uitgesproken. De klap is hard aangekomen. Sommige aanwezigen zijn verbijsterd. Een journalist van Netwerk belt naar de gevangenis in Lelystad. Ernests advocaat is bij de uitspraak niet aanwezig – hij zit bij een andere zitting. Dus mag de journalist Ernest het nieuws vertellen. “Het moeilijkste telefoongesprek dat ik in mijn leven heb gevoerd”, vertelt hij later. “Ernest zit stuk.”
Ondertussen in Almere-Buiten. Mevrouw Waisvisz heeft een migraineaanval, zegt ze. Dan wordt ze gebeld door Barend & Van Dorp. Die hebben vanochtend een aardig interview met het echtpaar gelezen. In Trouw. Of Ed en Wanda vanavond gezellig bij Frits, Henk en Jan kunnen aanschuiven? De redactie van het programma is kennelijk nog niet van de uitslag op de hoogte. “We kunnen beter emigreren”, zegt Wanda . Ed zegt: “Het is een volstrekt tegenstrijdig verhaal.”
Om half twee kan ook de rest van Nederland het lezen. Het staat nu op teletekst. Het is een klein berichtje: “Geen herziening Deventer moordzaak”.
Met dat kleine bericht zou ook dit boek een logisch einde kunnen hebben. De poging de Deventer moordzaak te heropenen is mislukt. Daarmee blijft Ernest L. in zijn cel in Lelystad, en is zijn omstreden veroordeling nog steeds even omstreden. Dat is buitengewoon spijtig – vooral voor hemzelf. Maar het is niet het hele verhaal. Er werd die gedenkwaardige dag, dinsdag 11 maart 2003, nog heel wat gedelibereerd over de conclusie van de advocaat-generaal van de Hoge Raad. De Deventer moordzaak is, zo lijkt het, zelfs in een buitengewoon spannende, maar ook wel curieuze fase beland. Ik beschrijf hieronder hoe het verder liep, maar voeg er eerlijkheidshalve aan toe: wellicht is het enigszins voor de fijnproevers.
Nadat ‘s middags de stofwolken zijn opgetrokken, kan de volledige ‘aanvullende conclusie’ van advocaat-generaal Wortel wat grondiger worden bestudeerd. Het is krachtvoer voor juristen. De slotsom is dan wel bikkelhard – er is geen novum – maar waarom dan eigenlijk niet? Een novum is, ik herhaal het nog maar eens, een feit dat de rechter die over de zaak besliste, niet bekend was, maar als dit wel het geval was geweest wellicht tot een andere beslissing, bijvoorbeeld vrijspraak, had geleid.
De advocaat-generaal heeft toch ook de verhoren van geurproefdeskundige mevrouw Schoon gelezen? Zij had toch gezegd dat onder deze omstandigheden de geurproef niet had mogen worden gehouden? En dat zij dat niet eerder wist?
Welnu, het heeft er alle schijn van dat dr. Schoon zelf de ammunitie heeft aangedragen voor de negatieve aanbeveling van de advocaat-generaal aan de Hoge Raad. Tijdens haar verhoor blijkt ze een casus te hebben verteld, die over de (on)rechtmatigheid van een geurproef gaat. Een casus die de advocaat-generaal in zijn conclusie beschrijft, en die ik hier in mijn eigen woorden weergeef:
Stel, ergens in de buurt van Assen is een bankoverval gepleegd. De overvallers zijn er met een auto vandoor gegaan. Twee dagen later vindt de politie in Amsterdam een auto die onbeheerd is achtergebleven. Het staat de politie vrij in de auto geursporen af te nemen als er ‘enige reden’ is aan te nemen dat met deze auto het misdrijf is gepleegd. “Die redenen kunnen bijvoorbeeld gelegen zijn in de kleur of het merk van de auto”, schrijft Wortel.
Enige tijd later arresteert de politie een verdachte van de bankoverval. Er worden buisjes met lichaamsgeur afgenomen en die worden middels een geuridentificatieproef vergeleken met de geursporen in de auto. “Een schot in het duister”, geeft Wortel toe. “Maar het maakt het uitvoeren van de proef niet onrechtmatig.”
Wanneer de lichaamsgeur van de vermeende bankovervaller overeenkomt met de geursporen in de auto, moet de rechter nog twee vragen beantwoorden: is de gevonden auto inderdaad de auto van het misdrijf en bestaat er een verband tussen de verdachte en de bankoverval. Hoe dit gebeurt, raakt aan de ‘selectie en waardering van het bewijsmateriaal’ en is dus een zaak van de rechter. Niet van de Hoge Raad in een revisieverzoek.
Aldus zo ongeveer Wortel.
Daarmee iedereen flabbergasted achterlatend.
Nadat ik het verhaal op mij heb laten inwerken, probeer ik de redenatie van Wortel toe te passen op de Deventer moordzaak. Ik doe echt mijn uiterste best het met hem eens te zijn. Daar gaan we.
In Deventer werd dus een mes gevonden waarvan ‘enige reden’ was aan te nemen dat dit het moordwapen was, want het werd vlakbij de plaats van het delict aangetroffen. (Vergelijk het met de ‘kleur’ van de wagen). Om die reden mochten ‘geursporen’ van het mes worden afgenomen. Later kwam verdachte Ernest L. in beeld, die zijn geur afstond, en de lichaamsgeur werd vergeleken met de geur op het mes. Ook dat was niet onrechtmatig.
Goed, het was een schot in het duister, maar in dit geval een raak schot. Hond Spike snuffelde eens lekker aan de doek met geursporen van het mes en herkende daarna Ernests luchtje. De Deventer politie rechercheerde nog wat verder en uiteindelijk legde justitie het bewijsmateriaal aan het hof in Arnhem voor. De rechters mochten het zelf ‘selecteren’ en ‘waarderen’ en konden concluderen dat het het mes het moordwapen was (het kwam qua vorm overeen met een bloedafdruk op de blouse van het slachtoffer) en dat er een relatie bestond tussen de verdachte en het misdrijf (Ernest had een motief en hij was die avond volgens een geregistreerd telefoongesprek in Deventer geweest).
Niks aan de hand.
Dat het mes niet qua vorm overeenkwam met het moordwapen, dat het mes niet vlakbij werd gevonden, dat de verdachte geen motief had, dat het telefoontje geenszins aantoonde dat hij in Deventer was geweest, en zo voorts en zo verder – het moge allemaal zo zijn, maar dat was nu eenmaal een zaak van de rechter.
Ik geloof dat ik er uit ben.
Alleen moet ik ineens sterk denken aan ‘De moord met het plastic lepeltje’.
‘De moord met het plastic lepeltje’ bestaat niet echt. Ik heb het misdaadverhaal ooit verzonnen om vrienden duidelijk te maken hoe lastig het is een herziening van een zaak bij de Hoge Raad te krijgen en tot welke onrechtvaardigheden het vasthouden aan het criterium van een ‘novum’ kan leiden. Tot welke absurditeiten ook.
De zaak ligt zo:
In een woning wordt een vrouw gevonden. Haar hersens zijn ingeslagen. Naast het lijk ligt een plastic lepeltje. De politie denkt dat dit lepeltje wel eens het moordwapen kan zijn. Na enige tijd wordt een man gearresteerd. Hij blijkt het lepeltje in handen te hebben gehad. De verdachte ontkent dat hij de moord heeft gepleegd, maar de politie gelooft hem niet. De vrouw heeft kort ervoor hun relatie verbroken. De man heeft dus een motief voor de moord. Bovendien is hij de laatste persoon die in de buurt van de woning is gezien.
Justitie legt de zaak aan de rechtbank voor. De verdediging heeft een rapport op laten stellen door een deskundige, die aantoont dat het onmogelijk is met een plastic lepeltje iemands hersenpan in te slaan. De rechters bestuderen het dossier en spreken de verdachte vrij wegens gebrek aan bewijs. Maar het Openbaar Ministerie gaat in hoger beroep en het gerechtshof veroordeelt de verdachte alsnog tot twaalf jaar gevangenisstraf.
Nadat het cassatieverzoek is afgewezen, wordt jaren later een poging gedaan de zaak te heropenen. De verdediging heeft een nieuwe deskundige gevonden, die bevestigt dat je met een plastic lepeltje niet een dergelijke forse hoofdwond kunt toebrengen. Het herzieningsverzoek wordt voorgelegd aan de Hoge Raad der Nederlanden. En afgewezen. De wijze waarop de moord zou zijn gepleegd mag dan niet aan het gezond verstand appelleren, zelfs technisch onmogelijk zijn – een juridisch nieuw feit, een novum is het niet. De feiten waren destijds ook al bekend bij de raadsheren van het gerechtshof - de onnozelaars hadden het alleen niet gezien.
Einde verhaal.
Zo kras als ‘de moord met het plastic lepeltje’ is de Deventer moordzaak misschien niet. Maar echt veel scheelt het niet.
Zijn we dan nu klaar over die middag? Nog niet helemaal. In zijn conclusie kraakt de advocaat-generaal enkele harde noten over het herzieningsverzoek. Hij zegt het niet letterlijk, maar hij meent dat L.’s advocaat Jan Boksem prutswerk heeft afgeleverd. Omdat hij het sneu zou vinden – wederom mijn eigen woorden – wanneer het revisieverzoek alleen al om die reden zou worden afgewezen, heeft hij ‘ambtshalve’ nader onderzoek laten doen. Daartoe is de topman van het Openbaar Ministerie kennelijk gerechtigd.
Nu wil het toeval dat Wortel enige maanden geleden een voordracht bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft bijgewoond, zo schrijft hij. Het ging over DNA-onderzoek in strafzaken. Sinds zeer korte tijd zouden technieken beschikbaar zijn die het mogelijk maken op voorwerpen minieme hoeveelheden lichaamsmateriaal te traceren. Daaruit zouden voldoende ‘DNA-merkers’ te verkrijgen zijn om een betrouwbaar rapport op te stellen. “Deze technieken”, aldus Wortel, “waren, zo begreep ik, ten tijde van het vooronderzoek in de onderhavige zaak nog niet beschikbaar.”
Dat mag je inderdaad wel hopen! In een eerder rapport had het NFI immers laten weten dat geen DNA-materiaal op het mes was aangetroffen. Om die reden had de verdediging nimmer laten onderzoeken of lichaamsmateriaal op het mes correspondeerde met lichaamsmateriaal van het slachtoffer, mevrouw Wittenberg, of met dat van de verdachte, Ernest L. Dat had toen geen zin meer.
Enfin. Op verzoek van Wortel stelde de officier van justitie in Zwolle het mes voor nader onderzoek ter beschikking aan het NFI. De resultaten werden bekendgemaakt in een rapport van 27 februari 2003. Zeer kort geleden dus. En de inhoud is ronduit spectaculair te noemen.
Op het lemmet van het mes werden enkele sporen aangetroffen waaruit DNA-materiaal kon worden verkregen. De sporen leverden het DNA-profiel van twee ‘individuen’ op, maar geen van de twee profielen kwam overeen met het DNA-profiel van het slachtoffer, mevrouw Wittenberg. Aangezien al eerder vast stond dat op het mes geen bloedsporen werden aangetoffen – ‘opmerkelijk’, aldus Wortel, ‘aangezien bloedresten zich moeilijk volledig laten verwijderen’ – is daarmee nog sterker aangetoond dat een relatie tussen het gevonden mes en het slachtoffer ontbreekt. En die is cruciaal voor het uitvoeren van de geurproef.
Waarmee de advocaat-generaal van de Hoge Raad hoogstpersoonlijk een nieuwe opening in de Deventer moordzaak heeft gecreëerd. Wat een vakmanschap. Bravissimo!
Te vroeg gejuicht.
In zijn conclusie neemt Wortel vast een voorschot op de vraag of de nieuwe gegevens tot een novum kunnen leiden. Zijn redenatie begint veelbelovend. “Het is zeker belangwekkend dat er menselijk DNA-materiaal op het lemmet van het mes is achterhaald dat niet van het slachtoffer afkomstig is”, schrijft hij. En: “Ik zou verwachten dat op een wapen waarmee steekverwondingen zijn toegebracht lichaamsmateriaal van het slachtoffer achterblijft”.
Inderdaad, dat zou je verwachten. Echter: “Ik ben geen fysicus, maar het lijkt mij uitermate voorstelbaar dat een deskundige niet zal uitsluiten dat lichaamsmateriaal van een glad en ondoordringbaar voorwerp, zoals het lemmet van een mes, weer kan verdwijnen.”
Wortel weet het nog sterker te vertellen. Zelfs acht hij het mogelijk dat het gevonden lichaamsmateriaal vóór de moord op het mes is gekomen, ‘maar om de een of andere reden is achtergebleven, terwijl het lichaamsmateriaal van het slachtoffer verdween.’
De cursivering is van mij.
Tja. Ik ben ook geen fysicus, maar het lijkt me een sterk staaltje. Een novum kan het in elk geval niet opleveren, volgens Wortel. Want – daar zijn we weer – het hof had andere redenen te veronderstellen dat het mes het moordwapen was. Namelijk dat de vorm en het formaat van het mes overeenkwamen met de bloedafdruk op de blouse, dat het mes op korte afstand van de woning was gevonden, en dit dan ook nog eens korte tijd nadat het misdrijf was gepleegd.
Allemaal misverstanden, zo weten we inmiddels, maar ja, wikken en wegen is een exclusieve bevoegdheid van de almachtige rechter. Waarmee de cirkel van onrechtvaardigheid weer rond is.
Alleen blijft dan natuurlijk wel de vraag: als het op het mes aangetroffen DNA-materiaal niet van het slachtoffer is, van wie is het dan wel? Er zijn twee (relevante) mogelijkheden: een van de twee individuen van wie lichaamsmateriaal is gevonden, is L., of is niet L. Wanneer het lichaamsmateriaal van L. afkomstig is, zijn we snel uitgepraat. Het mes is dan nog altijd niet het moordwapen, maar hij heeft het, tenzij er wederom gesjoemeld is, wel in zijn handen gehad. Misschien wel na de moord, maar erg gunstig voor hem zal het niet uitpakken.
Maar wat nu als het DNA-profiel niet van L. is? Dan mag je toch spreken van een doorbraak? Op dat moment is immers aangetoond dat niet alleen de relatie tussen het moordwapen en het slachtoffer ontbreekt, maar ook die tussen het moordwapen en de verdachte. Dat moet dus als de bliksem worden uitgezocht, zou je denken.
Helaas. De advocaat-generaal beveelt de Hoge Raad expliciet aan geen nader onderzoek in te stellen. Een novum zal het namelijk niet opleveren. Voor de redenen verwijst Wortel naar hierboven: het lichaamsmateriaal van Ernest L. zou van het ‘gladde, ondoordringbare’ lemmet kunnen zijn verdwenen, terwijl het lichaamsmateriaal van iemand anders daar om de een of andere reden op kan zijn achtergebleven. Maar die iemand anders is dan niet mevrouw Wittenberg.
Je zou bijna wensen dat de advocaat-generaal niet ambtshalve de spectaculaire nieuwe onderzoeksmethoden had laten beproeven. Dit is wel heel frustrerend. Bijna wreed te noemen.
De woorden van professor Tak echoën die middag nog lang door mijn hoofd: ‘Het systeem moet op de helling…’
Rond vier uur diezelfde middag bel ik Jan Boksem. De immer laconieke advocaat noemt het ‘niet zo aardig’ dat Wortel zich zo kritisch over zijn herzieningsverzoek heeft uitgelaten. Maar de jurist ziet ‘interessante aanknopingspunten’. De advocaat-generaal heeft immers gezegd dat hij ‘geen fysicus’ is. Wellicht dat een echte expert kan aantonen dat het onmogelijk is dat het lichaamsmateriaal van het slachtoffer van het mes is afgegleden. Boksem krijgt tot 6 mei de tijd om te reageren. Het klinkt allemaal wat positiever.
’s Avonds om acht uur. Telefoon uit Lelystad.
“Mijnheer De Jong, met Ernest.”
“Verdomme. Hoe gaat het met je?”
“Tja, uh...”
“Ik had niet verwacht dat het zou worden afgewezen.”
“Nee...”
“Er zijn nieuwe aanknopingspunten. Zegt Boksem ook.”
“Pfff….”
“Ken je de zaak Giessen-Nieuwkerk? Begin vorige eeuw. Er waren verschillende herzieningsverzoeken nodig. Maar het lukte uiteindelijk wel.”
“Wat heb ik daar aan? Dan kan het nog jaren duren.”
“Ja, sorry, dat is waar..”
“…”
“Het is een cliché, maar houdt moed. Het is nog niet gedaan.”
“…”
“Ernest?”
“Mijn kaart is bijna op. Ik bel u morgen weer. Ik uh… Goedenavond.”