Nawoord
Niet alleen acteurs en soldaten sterven in het harnas. Op een ochtend in 1925 werd langs de spoorlijn bij Giessen-Nieuwkerk (Zuid-Holland) het lichaam van een seinhuiswachter gevonden. Jacob de Jong lag naast een seinpaal, op ongeveer honderd meter afstand van zijn seinwachtershuisje. Behalve het feit dat hij was vermoord met een ijzeren hamer, tastte de politie in het duister. De seinhuiswachter was een rustige man, die voor zover bekend geen vijanden had. Er werd geen geld vermist. Er waren geen getuigen. Ieder spoor van de dader ontbrak. De brave spoorwegambtenaar leek het slachtoffer van wat we tegenwoordig met die eigenaardige term ‘zinloos geweld’ aanduiden.
Waarschijnlijk zou de moord bij Giessen-Nieuwkerk in de vergetelheid zijn geraakt als niet een eerzuchtige rijksrechercheur, die ook De Jong heette, maar beslist geen familie was, zich op de zaak had gestort. Maandenlang trok deze politieman, die volgens de overlevering ‘begerig naar promotie’ was, door berg en dal op zoek naar schuldigen. Met als enige aangrijpingspunt de hamer, die als bijzonder kenmerk had dat de steel niet van hout, maar van ijzer was.
Overal vroeg hij: ‘Herkent u dit ding?” En als de mensen van nee knikten, zei hij: “Weet u het zeker?” Maar hoe hij ook zijn best deed, hoeveel mensen hij ook aanklampte, niemand had het gereedschap ooit gezien.
Tot hij stuitte op een ijsventer die meende dat hij de ijzeren hamer ooit had zien liggen bij een zekere familie Kroon in Sliedrecht. Hoewel meneer en mevrouw Kroon ontkenden dat het ding van hun was, vormde dit het aanknopingspunt waarop De Jong ijverig voortborduurde.
Op de avond van de moord hadden de Kroons een rijkelijk met alcohol besprenkeld verjaardagsfeest gevierd. Daarbij waren ook twee lijnwerkers, de opzichter Teunissen en de arbeider Klunder, aanwezig geweest. Die zouden het vast wel geweest zijn, meende De Jong. Dat de moord vijftien kilometer verderop had plaatsgevonden en niemand zich kon herinneren dat de twee er die avond langer dan tien minuten tussenuit waren gepiept, mocht de pret niet drukken. De Jong sloot meneer en mevrouw Kroon op, speelde het bange echtpaar tegen elkaar uit, waarop die - murw gebeukt door zijn arglistige ondervragingstechnieken - uiteindelijk verklaarden dat Teunissen en Klunder ‘geruime tijd’ het partijtje hadden verlaten.
“Het spel is uit!’, riep De Jong.
De rechtbank in Dordrecht, noch het gerechtshof in Den Haag zag enig probleem. Terwijl de bewijsconstructie toch tamelijk vergezocht was. Teunissen en Klunder zouden met een stuk in hun kraag het verjaarspartijtje hebben verlaten, op een fiets zijn gesprongen – die ze niet hadden - urenlang over ’s heren wegen hebben gereden, daarbij op miraculeuze wijze sloten bedwingend, om vijftien kilometer verderop een seinhuiswachter te vermoorden, die zij nog nooit van hun leven hadden gezien. En om later weer vrolijk de festiviteiten bij de Kroontjes te hervatten.
Na diverse mislukte revisieverzoeken kwam de zaak-Giessen-Nieuwkerk in 1929 aan het rollen. Een jong journalistje van Het Volk (later: Het Vrije Volk) had zich met hart en ziel op de zaak gestort. Hij kreeg zelfs het al jaren met gewetenswroeging kampende echtpaar te Sliedrecht zover dat ze hun kroon(sic!)getuigenis introkken. In revisie sprak het Hof van Amsterdam Teunissen en Klunder vrij.
Sindsdien staat Giessen-Nieuwkerk bekend als het schoolvoorbeeld van een gerechtelijke dwaling.
Elke moordzaak is weer anders, zullen ze wel op de politieacademie leren. Toch zijn er enige interessante parallellen te trekken tussen de zaak Giessen-Nieuwkerk en de Deventer moordzaak - en dan heb ik het niet over het feit dat de naam De Jong is gevallen. De overijverige rechercheurs, het onbrekende motief, het moordwapen waarvan niemand wist of de vermeende dader het in handen had gehad, de bizarre bewijsconstructie - ook waar het de tijdsloop betreft - de falende rechters, en uiteindelijk dan het herzieningsverzoek dat jaren later volgde. Allemaal elementen die ook in dit boek terugkomen.
Waar de zaak van Teunissen en Klunder bekend staat als de gerechtelijke dwaling van de twintigste eeuw, zou de zaak van Ernest L. die van de eenentwintigste eeuw kunnen worden.
Verschillen zijn er natuurlijk ook. Ten eerste de uitkomst van de zaak, die in het geval van Ernest L. nog hoogst onzeker is. Op het moment van dit schrijven is de herzieningsprocedure in volle gang. Of L. net als zijn illustere voorgangers Teunissen en Klunder wordt vrijgesproken, is de vraag. En al helemaal wanneer. Het valt voor hem te hopen dat één poging voldoende is. Misschien dat het helpt dat mr. G. J. Knoops, de advocaat die ook de Puttense zaak heropend kreeg, zich kort geleden bij het team van advocaat Boksem heeft aangesloten. Bij een gunstige afloop zal L. dan wel op een schadevergoeding van honderdduizenden euro’s kunnen rekenen. Nog een verschilletje met die zaak uit de jaren twintig van de vorige eeuw: Teunissen en Klunder kregen respectievelijk 12.000 en 9.000 gulden, hetgeen exact het bedrag was van het loon dat ze in die jaren waren misgelopen.
Een ander onderscheid mag evenmin onvermeld blijven. De moordenaar van de seinhuiswachter werd nooit gevonden, terwijl daar in het geval van de (werkelijke) dader van de moord op mevrouw Wittenberg nog wel kans toe bestaat. Wellicht dat dit boek enige interessante aanknopingspunten voor justitie kan bieden, hoewel er nog genoeg ‘door te rechercheren’ valt, zoals dat heet.
Want wat heeft politieman Henk R. nu toch allemaal verklaard tegen de recherche IJsselland? Hoe is de bewuste donderdagavond van Michael de J. – van minuut tot minuut, van kroeg tot kroeg - verlopen? Welke geheimen nam dokter Wittenberg mee zijn graf in? Zou bij zijn persoonlijke geschiedenis niet de ontknoping van deze zaak moeten worden gezocht?
Helaas was mijn onderzoek niet toereikend alle vragen te beantwoorden.
In een in 1957 uitgegeven verhalenbundel Weet je nog wel… (‘een boek vol pluche en plezier’) haalt C.H. Geudeker vrolijke herinneringen op aan de zaak Giessen-Nieuwkerk. Ik heb er hierboven rijkelijk uit geput. Geudeker was namelijk het jonge journalistje van Het Volk. Wat begon met het lezen van een kort berichtje over een revisieverzoek leidde tot een bombardement aan geruchtmakende artikelen van zijn hand.
Niet tot vreugde van iedereen op de courant. “Men versleet ze voor een journalistieke canard van de eerste rang en noemde ze een blamage voor onze krant”, schrijft Geudeker. “Zelfs mijn hoofdredacteur Ankersmit sprak meermalen zijn ernstige twijfel over mijn publikaties uit en liet mij niet in het onzekere dat, mochten zij onjuist blijken te zijn, dit het einde van mijn journalistieke carrière zou betekenen.”
En dat is dan nog een verschil met de Deventer moordzaak: de leiding van HP/De Tijd heeft nimmer op mijn ontslag gezinspeeld. Integendeel. De hoofdredactie heeft – al snel overtuigd van de omstreden veroordeling van Ernest L. – mij steeds gesteund en vele kolommen in het blad ingeruimd, waarvan dit boek dan weer een uitvloeisel is. Hoogstens was er wel eens een kunstredacteur die verzuchtte dat ‘dit kleine zaakje’ toch wel erg veel aandacht kreeg.
Extra dank ben ik verschuldigd aan adjunct-hoofdredacteur Gerard Mulder, die een luisterend oor bood, met intelligente suggesties kwam en zelfs eenmaal bereid was letterlijk zijn niet geringe fysiek in de strijd te werpen.
Overigens, nadat Teunissen en Klunder werden vrijgesproken, kreeg Geudeker alsnog veel lof toegezwaaid voor zijn journalistieke werk. “Later, toen alles goed ging, had iedereen het natuurlijk wel geweten, maar zo gaat het altijd…” In alle bescheidenheid voegt hij eraan toe dat niet hij, maar een zekere meneer Stuy die eer toekomt. Deze Baarnse aannemer, de zwager van Teunissen, verzette niet alleen bergen werk, maar gooide er ook duizenden guldens tegenaan om via revisieverzoeken een herziening van het vonnis te krijgen. "Zonder zijn stoere onverzettelijkheid en vasthoudendheid zouden Teunissen en Klunder ongetwijfeld hun straf geheel hebben moeten uitzitten, ware het alleen maar omdat zonder hem het revisie-verzoek van mr. Roobol niet zou zijn gedaan”. Aldus C.H. Geudeker.
Hetzelfde kan dan weer gezegd worden van de Deventer moordzaak. Mocht Ernest L. worden vrijgesproken, dan zijn de ware helden in dit epos niet de advocaten die zich voor Ernest L. inspanden, noch de journalisten die ook zo hun steentje bijdroegen, maar ene meneer en mevrouw Waisvisz. Nog steeds kantoorhoudend te Almere-Buiten.
Amsterdam, april 2003