DEN HAAG, 23 april 2009 Bij een art.12 procedure, aangespannen door Ernest Louwes, heeft het hof in Leeuwarden besloten twee rechercheurs (R. en O.) te verhoren. Zij hebben in december 2003 op verzoek van het Hof te Arnhem een proces verbaal opgemaakt over wat er in de vier jaar met de blouse van het slachtoffer was gebeurd tot in december 2003 DNAonderzoek werd uitgevoerd. Dit Proces Verbaal speelde een sleutelrol bij de veroordeling van Ernest Louwes. Er zijn sterke aanwijzingen dat dit Proces Verbaal valselijk is opgemaakt door de beide rechercheurs.
Begin 2007 heeft Ernest Louwes een aangifte ingediend tegen deze rechercheurs van de Technische Recherche IJsselland. Omdat het OM vervolging van de rechercheurs weigerde, heeft Louwes daartegen vorig jaar op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering beklag ingediend. Het gerechtshof heeft in december 2007 zowel het OM als Louwes gehoord. Zij heeft nu besloten om de twee beklaagden op 23 april 2009 te horen.
Bij de veroordeling van Ernest Louwes speelde de blouse van het slachtoffer een sleutelrol. Pas vier jaar na de moord werd er door het NFI sporenonderzoek op uitgevoerd. Het gevonden DNA van Ernest Louwes zou zowel tijdens de moord, als tijdens het ochtendbezoek van Louwes aan mevrouw Wittenberg op de blouse gekomen kunnen zijn. Op basis van de locaties van de sporen werd echter via een ingewikkelde argumentatie door het NFI betoogd dat het waarschijnlijker was dat de sporen er tijdens de moord op gekomen zouden zijn.
De aangifte van de heer Louwes heeft betrekking op hetgeen de Technische Recherche medewerkers R. en O. over deze periode hebben verklaard aan het hof te Den Bosch. Er is namelijk vastgesteld dat een belangrijk proces-verbaal over de behandeling en de bewaaromstandigheden van de blouse, waar het gerechtshof van Den Bosch op 8 december 2003 expliciet om had gevraagd, valselijk was opgemaakt.
Omdat het onderzoek op de blouse pas vier jaar na de moord plaatsvond, vond het hof van den Bosch dat er vastgesteld moest worden wat er in die vier jaar met de blouse was gebeurd. Dit wordt door deskundigen de “chain of custody” genoemd. Van essentieel belang was dat steeds bekend was waar de blouse was geweest en onder welke omstandigheden de blouse was bewaard. Juist bij het zeer delicate DNA-onderzoek kan contaminatie en cross-contaminatie [overdracht van sporen van de ene plek naar de andere], makkelijk plaatsvinden en zijn harde conclusies in dergelijke gevallen niet te trekken.
Bij het hof in Den Bosch lag in december 2003 een brief van eind oktober 2003 van de Officier van Justitie waaruit bleek dat de blouse op dat moment zoek was. Volgens die brief dacht rechercheur R. dat de blouse bij het NFI in Rijswijk was of in Zwolle lag. De blouse werd in november echter in een open doos teruggevonden op een zolder van een politiegarage in Deventer. Daarom vroeg het hof aan de destijds verantwoordelijke TR rechercheur R. en zijn collega O. om middels een proces-verbaal te verklaren wat er in die vier jaar ervoor met de blouse was gebeurd.
Dit proces-verbaal is op 16 december 2003 door de beide rechercheurs opgesteld. Daarin staat zonder enig voorbehoud dat beiden wél precies wisten wat er tussen 25 september 1999 en november 2003 met de blouse was gebeurd. Er staat o.a. vermeld “wij stuurden de blouse in oktober 1999 naar het NFI” en “wij ontvingen de blouse in december 1999 van het NFI terug”. Ook gaven ze aan te weten dat de blouse in Deventer was opgeslagen.
In 2006 is bij onderzoek door een groep burgers rond Maurice de Hond gebleken dat een deel van dit proces-verbaal haaks stond op andere informatie uit het dossier. Nog los van het feit dat rechercheur R. in oktober 2003 nog had aangegeven dat hij niet wist waar de blouse was geweest bleek uit andere stukken dat de blouse een tijd ergens anders geweest was dan in het proces-verbaal stond aangegeven.
Het Hof Den Bosch heeft in zijn veroordeling van Ernest Louwes in 2004 expliciet verwezen naar dit proces-verbaal van R. en O. om aan te geven dat de technische recherche de blouse goed had behandeld en altijd wist waar de blouse was geweest.
Omdat het proces-verbaal echter niet overeen kwam met de andere dossierstukken en de inhoud van dit proces-verbaal onjuist is, heeft Ernest Louwes anderhalf jaar geleden aangifte gedaan tegen rechercheurs R. en O. bij de het OM district IJsselland. Bij het onderzoek dat in 2007 door het OM is uitgevoerd, is rechercheur R. niet gehoord, maar rechercheur O. wel. Die laatste verklaarde toen dat hij enkele dagen na de moord, in september 1999, door zijn rug was gegaan, vervolgens zes maanden thuis had gezeten en daarna ook niet meer bij het onderzoek betrokken is geweest. Dat staat dus haaks op de informatie in het door hem ondertekende Proces Verbaal waaruit niet alleen zou blijken dat hij wel aanwezig was geweest, maar ook zelf activiteiten met de blouse had verricht.
Volgens een reactie op de aangifte in 2007 door Louwes van het OM was er echter niets aan de hand en weigerde het OM tot vervolging van rechercheurs R. en O. over te gaan.
Louwes is van mening dat het verzoek van het hof in december 2003 expliciet aan rechercheurs R. en O. was gedaan om te weten te komen wat er werkelijk met de blouse was gebeurd. Juist omdat men pas vier jaar na dato de blouse had onderzocht. Maar in werkelijkheid wist R. niet waar de blouse was geweest en O. was door ziekte niet eens aanwezig geweest. Zij hadden dus nooit een procesverbaal met deze inhoud op ambtseed/ambtsbelofte mogen ondertekenen. Een proces-verbaal dat uiteindelijk een belangrijke rol bij zijn veroordeling heeft gespeeld. Het onderzoek van het OM in 2007 bevestigde juist de gegrondheid van de stelling van Louwes over het valselijk opgemaakt proces-verbaal, maar het OM weigerde dit te erkennen, ondanks de voor Louwes ondersteunende verklaring van rechercheur O.
Louwes acht het van fundamenteel belang dat de inhoud van door politieambtenaren opgemaakte processen-verbaal, die in het strafprocesrecht een meer in het bijzonder in het bewijsrecht van fundamentele betekenis zijn, voor waar moet worden gehouden en dat waar dat evident niet het geval is de betreffende politieambtenaren ter verantwoording worden geroepen. Daarom heeft Louwes het hof in Leeuwarden gevraagd via een beklagprocedure het OM de opdracht te geven rechercheurs R. en O. te vervolgen. Op 15 december 2008 zijn Louwes en het OM daarover in een besloten raadkamerzitting gehoord. Het hof heeft besloten om de twee beklaagden op 23 april 2009 te horen. Op kort termijn wordt er een beslissing van het hof verwacht.

Het recht krijgt een loop.
jetty schreef:
Maar de beide heren kwamen niet opdagen.
Hoe staat het hier nu mee? Zouden ze niet nog een keer de gelegenheid krijgen om hun zegje te doen? Wanneer is dat dan?
Weet jij het Undercover?