| Geacht college,
Op 14 januari heeft mr Joris Demmink een klacht ingediend tegen Lex
Runderkamp, redacteur
in dienst van het NOS-Journaal, ondergetekende in zijn hoedanigheid van
hoofdredacteur van
het NOS-Journaal en ,,het medium NOS-Journaal (de rechtspersoonlijkheid
bezittende
Stichting Nederlandse Omroepstichting)”
Wij zullen in deze brief inhoudelijk op de klacht van mr Demmink,
verwoord door mr H.J.A.
Knijff, ingaan. Maar eerst dit:
Voor alles wat het NOS-Journaal doet of nalaat bezit ik, als
hoofdredacteur, de
eindverantwoordelijkheid. Mijns inziens gaat het om het journalistieke
equivalent van de
ministeriële verantwoordelijkheid. In die zin ben ik ook direct
verantwoordelijk voor alles wat
Lex Runderkamp in deze kwestie heeft gedaan of nagelaten. Naar mijn idee is
het logisch de
klacht tot mij te beperken, aangezien er geen licht kan zitten tussen wat
Runderkamp
eventueel te verwijten valt en mijn volle verantwoordelijkheid daarvoor.
Via U zou ik de klagende partij willen verzoeken de klacht tegen de
Stichting Nederlandse
Omroepstichting in te trekken, en zoniet U te vragen hem niet-ontvankelijk
te verklaren en wel
op basis van het volgende: de Stichting waarvan hier sprake is –daar ga ik
althans van uit- is de
in de wet beschreven bestuurlijke entiteit die de zgn uitzendconcessie
bezit, de organisatie die
nu bekend staat als ‘Publieke Omroep’, geleid door een Raad van Bestuur.
Deze Stichting
beheert en bestuurt het totale complex dat publieke omroep heet en bezit
geen
(eind)verantwoordelijkheid voor de inhoud van programma’s.
De Stichting is te vergelijken met een holding, c.q. een
uitgeversmaatschappij die kranten en/of
tijdschriften uitgeeft. Via zogenoemde programma- dan wel redactiestatuten
is de volle
inhoudelijke onafhankelijkheid ten opzichte van stichting c.q. bestuur (c.q.
directie) geregeld
als het gaat om de positie van de hoofdredacteur. De Stichting kan, mag (en
naar ik tot nu toe
vaststel) wil zich niet bemoeien met het journalistiek opereren van in mijn
geval het NOSJournaal.
Deze scheiding van verantwoordelijkheid (beschreven in het via onze website
beschikbare
programmastatuut) is van fundamenteel belang in de journalistiek.
Vaststellen van inhoudelijke
verantwoordelijkheid van de Stichting voor bestreden publicaties is in mijn
ogen fundamenteel
ongewenst.
Indien het toch tot een beoordeling van de klacht tegen de Stichting komt
zou ik de Raad
willen verzoeken mijn standpunt te bekrachtigen door de klacht, gericht
tegen de Stichting, niet
in behandeling te nemen.
Gemakkelijker echter zou het zijn, vandaar mijn beroep via U op de klagende
partij, om de
klacht tegen de Stichting in te trekken. Formeel is dat –voor mij althans-
van groot belang
terwijl het voor de materiële behandeling van de klacht geen betekenis
heeft, aangezien ik
volledig beschikbaar ben als hoofdredacteur tegen wie het klaagschrift zich
richt; daarnaast
betreft het hier een tuchtrechtelijke klacht en geen civielrechtelijke
procedure.
Relevanter en interessanter is natuurlijk de inhoud van de klacht, die
kort en goed neerkomt op
de vraag hoe het NOS-Journaal in het onderhavige geval met (anonieme)
bronnen is omgegaan,
die in het door mr Knijff genoemde overleg andere mededelingen doen dan zij
in de
vertrouwelijkheid van het gesprek met ons hebben gedaan.
Dat maakt deze klacht –en dat realiseer ik mij- een moeilijke. Tegenover de
ontkenning van mr
Demmink staat een andere lezing onzerzijds, waarbij ik meen dat wij niet
lichtvaardig met de
gegaarde informatie om zijn gegaan.
De bijgevoegde artikelen van Panorama en de Gay-krant, plus de tekst van
het
hoofdredactioneel commentaar dat wordt geciteerd, laat ik buiten beschouwing
aangezien er,
mijns inziens, geen directe relevante is voor de klacht tegen
ondergetekende.
Voor een goed begrip van de werkwijze van het Journaal in deze volgt
hieronder een
gedetailleerd verslag van researchredacteur en verslaggever Lex Runderkamp,
die zich intensief
met de onderhavige zaak heeft bezig gehouden. Het gaat hier om een vrij
uitgebreide verklaring,
om een compleet beeld te schetsen van de wijze van opereren van het
Journaal.
Naar mijn inzicht wordt op deze wijze mijn stelling ondersteund dat onze
informatie niet op
lichtzinnige of gemakkelijke wijze in een uitzending terecht is maar is
gebaseerd op de
verklaringen van een relevante nieuwsbron uit de leiding van de betrokken
media.
“Topambtenaar van justitie Joris Demmink trok al in 2000 de aandacht van
de
researchredactie van het Journaal. In maart dat jaar deden we een onderzoek
naar de vraag of
de Belgische affaire Marc Dutroux vertakkingen had in Nederland. Het was de
tijd dat de
Zandvoortse kinderpornozaak weer was opgelaaid en de media voor de deur
lagen bij de
Belgische werkgroep Morkhoven. De naam Joris Demmink was me genoemd in
gesprekken
met opsporingsambtenaren. Die vertelden over een onderzoek dat in 1998 had
gedraaid vanuit
een zeer geheime locatie in Utrecht: een onderzoek naar een netwerk van
topambtenaren, twee
hoofdofficieren, een oud-bewindsman, een oud-advocaat van de Koningin en een
enkele
hoogleraar die seks met minderjarige jongens zouden hebben. Het onderzoek
was gestart op
aanwijzing van het College van Procureurs-Generaal – daartoe aangezet door
de hoofdofficier
van Amsterdam Vrakking.
Demmink speelde in dat onderzoek een belangrijke rol. Rechercheurs hadden
het vermoeden
dat deze topambtenaar informatie over het opsporingsonderzoek had
doorgespeeld aan een
van de hoofdverdachten, de Amsterdamse hoogleraar Van R., met wie hij
bevriend was. De
hoogleraar had daardoor vervolging weten te ontlopen, zo meenden de
rechercheurs. Het hele
zogeheten embargo-onderzoek was – in de visie van de betrokken justitie- en
politiemedewerkers - op de klippen gelopen doordat opsporingsinformatie bij
de verdachte
was beland via de ambtelijke top.
Zo raakten wij geinformeerd over het feit dat de positie van Demmink in de
top van justitie al
jaren onderwerp van intern debat is. Bij zijn benoeming tot
Secretaris-Generaal inventariseerde
en onderzocht de AIVD ongeveer veertig geruchten over de levenswandel van
Demmink.
Harde bewijzen ontbraken. Dus de AIVD gaf een verklaring van “geen bezwaar”
tegen de
benoeming. Maar de verdenking van notabene justitie-medewerkers tegen Joris
Demmink is
altijd blijven bestaan, weten we bij het Journaal uit eigen onderzoek.
8 oktober 2003 publiceren Panorama en de Gay Krant hun verhaal over de
topambtenaar. Het
Journaal krijgt voorinzage in de tekst maar besluit er niet over te
publiceren. Want de bladen
kunnen geen overtuigende bronnen aanhalen om de beweringen te onderbouwen.
Nova zet de
kwestie nationaal op de media-agenda met het Krol-interview. Maar wij houden
vast aan de
lijn dat er eerst echt nieuws moet ontstaan.
Wel volgt de researchredactie de kwestie op de voet. Want wij weten dat
er al zoveel ‘rook’ is
over deze topambtenaar dat de zaak politiek zou kunnen exploderen. Zo
ontdekken we in de
volgende dagen dat de hoofdredacteuren Hitzert en Krol op zondag 19 oktober
thuis bij
Demmink zitten te praten. Zonder juristen. Opmerkelijk zo’n prive-ontmoeting
bij de man
thuis op zondag terwijl de officiele lijn van justitie is dat de bladen hard
aangepakt gaan
worden. We horen de volgende dag dat Demmink het interview niet afgedrukt
wil zien in de
Gay Krant en in Panorama. Het Journaal bericht niets over deze mislukte
verzoeningsoperatie.
De media spreken steeds over “een topambtenaar” van justitie. Minister
Donner dreigt alle
media voor de rechter te slepen die de ambtenaar nader identificeren. Het
ANP meldt:
“Minister Donner van Justitie ziet vooralsnog geen reden om een onderzoek in
te stellen. ‘Er
is nog geen spoor van rook, laat staan vuur’, aldus Donner in een reactie.
De ziedende
minister hekelde in het Radio 1 Journaal ‘deze vorm van journalistiek die op
geruchten is
gebaseerd’. Hij kwalificeerde het stuk als ‘moddergooien’.”
Ook de woordvoerder van minister Donner, Annemarie Stordiau, kondigt een
stevige reactie
van Justitie aan. Juristen bekijken hoe de twee tijdschriften kunnen worden
aangepakt. Deze
woordvoeringslijn wordt strak voortgezet hoewel wij weten dat het slechts
een deel van de
waarheid is. Want we weten bijvoorbeeld dat Henk Krol heimelijk benaderd is
door een
ambtenaar van justitie.
Het journalistieke moment voor het Journaal breekt aan op 14 oktober
2003. De
jongensprostituee Frank L. doet formeel aangifte bij justitie tegen Demmink.
Woordvoerders
van zowel parket Den Bosch als het College van Procureurs-Generaal in Den
Haag bevestigen
formeel tegenover het Journaal dat de rijksrecherche is ingeschakeld om de
aanklacht te
onderzoeken. Aangifte tegen de hoogste ambtenaar van Justitie is nieuws,
menen we bij het
Journaal. Daarom spreken we ook niet verhullend over “een topambtenaar”,
zoals de meeste
media wel doen. Dat de aangifte is gericht tegen de secretaris-generaal is
relevant. Dus dat
bericht het Journaal dan ook, zonder overigens de naam Joris Demmink te
gebruiken. Want die
naam is niet relevant. Het is een kort bericht van 80 seconden, zonder
verslaggever in beeld,
niet al te nadrukkelijk gebracht.
De media gaan er vervolgens van uit dat Justitie nu het Journaal gaat
aanpakken omdat wij de
“topambtenaar” veranderd hebben in de “secretaris-generaal”. De minister had
nog zo gezegd
dat hij “dreigt met juridische stappen als de naam van de betrokken
ambtenaar openbaar zou
worden gemaakt”(ANP).
Maar mr. Knijff, de advocaat van Demmink, neemt het op de radio op voor
het Journaal. “Het
Journaal doet verslag van de gebeurtenis van vandaag (de aangifte/Lru). Dat
is niet meer dan
normaal.”
Twee dagen later meldt Justitie dat de aangifte weer is ingetrokken. De
jongensprostitué zou
hebben toegegeven dat hij een valse verklaring had afgelegd. Het Journaal
meldt die
ontwikkeling meteen al in de middagjournaals. En ook ‘s avonds meldt het
Journaal dat de
aangifte volgens justitie vals is. De researchredactie heeft wel een extra
check uitgevoerd.
Diezelfde middag was via een tussenpersoon de melding gekomen dat de
aangever Frank L.
ontkent dat hij een valse aangifte heeft gedaan. Hij zou onder druk zijn
gezet om zijn
verklaring in te trekken. Ik ontmoet de jongen in Cromvoirt, een half uur
voor het acht uur
journaal. Logistiek staat alles klaar - camera, straalverbinding etc. Als
deze getuige zelf
aannemelijk kan maken dat Justitie niet de volledige waarheid vertelt, dan
gaan we zijn
bewering uitzenden, zo is met de hoofdredactie afgesproken. Op voorhand
besluiten we om
het acht uur journaal over te slaan, want de belangrijke inschatting over de
betrouwbaarheid
van de bron moet niet overhaast gemaakt worden. Na een lang gesprek oordeel
ik zelf dat
Frank L. deze avond geen overtuigend verhaal kan vertellen. Hij is
gestresst, in de war,
achterdochtig, wil vooral zichzelf rechtvaardigen. Dus de avondjournaals
beperken zich tot de
melding dat de aangifte tegen de topambtenaar is ingetrokken, precies op
dezelfde wijze als
alle ander media dat doen. Frank L. heeft zijn zaak inmiddels in handen
gelegd van advocaat
Hamer uit Amsterdam.
Justitie draait die namiddag wel op volle toeren richting de media. Nog
geen half uur nadat
Frank L. zijn verklaring heeft ingetrokken gaat er een persbericht uit. Dat
persbericht is al
eerder die dag voorbereid terwijl Frank L. nog wordt verhoord, verklaren
woordvoerders van
het College van PG’s later tegenover ons. Annemarie Stordiau belt mij
ongevraagd met een
reactie van minister Donner (die in het buitenland verblijft). Het geeft aan
dat Justitie alles in
het werk stelt om het imago van de topambtenaar te repareren.
Drie dagen later, op zondag 19 oktober, zit Demmink thuis te praten met
Henk Krol en Frank
Hitzert. Het gesprek is tot stand gekomen dank zij bemiddeling van iemand
die zich “Fred
Bakker” noemt, een ambtenaar van justitie (hoofd wagenpark) die in het
weekend namens de
Secretaris-Generaal contact heeft gezocht met Henk Krol! Het Journaal heeft
de hand gelegd
op een emailcorrespondentie tussen Demmink en hoofdredacteur Hitzert van
Panorama,
waaruit blijkt dat het contact “achter gesloten deuren”, zoals het Journaal
het in de betwiste
uitzending noemde, daadwerkelijk op 19 oktober plaatsvond.

Demmink wil dat de bladen rectificeren; de bladen willen dat niet. Ze
willen slechts
weerwoord halen op het eerdere artikel. Er wordt die zondagavond een
interview uitgetypt.
Enkele citaten uit de originele tekst die aan Demmink wordt gemaild.
QUOTE

UNQUOTE
QUOTE

UNQUOTE
Die “goede vriend” was de Nederlandse ambassadeur in Praag in die jaren,
geeft Demmink toe
in het gesprek.
De bladen houden Demmink voor dat de eigenaar van de
Pinocchiobar en een chauffeur van
de club Demmink herkend hebben op een foto. Demmink zegt:
QUOTE

UNQUOTE

Dat is één van de “jonge mannen” waarover het Journaal spreekt.
Demmink laat aan Hitzert weten dat hij het niet eens is met het interview.

Demmink bestrijdt de weergegeven feiten niet. Hij had een rectificatie
verwacht.

Wij verwachten dat Demmink nu wel naar de rechter zal stappen. Maar omdat
geen van de
partijen een duidelijke stap zet berichten we er niet over in het Journaal.
Op 5 november verschijnt, na het laatste gesprek ten kantore van mr. Knijff
in aanwezigheid
van alle juristen, het wat tweeslachtige hoofdredactionele commentaar van de
twee bladen, met
als inleiding dat het “tijd is om u eens bij te praten.” Het is geen echte
rectificatie, maar er staat
wel: “Wij concluderen dat onze oorspronkelijke bronnen op basis waarvan
de indruk werd
gewekt dat hij (de topambtenaar) zich schuldig heeft gemaakt aan onoorbaar
gedrag
onbetrouwbaar zijn gebleken.”
Kort voor 5 november al krijg ik een telefoontje van een bron, die mij al
langer veel details
verstrekt over de kwestie. Die meldt: er is rumoer op de redacties, want
redacteuren begrijpen
niet dat hun bladen moeten rectificeren terwijl Demmink in zijn gesprekken
heeft toegegeven
dat hij op jonge mannen valt. (De hoofdredacteuren zwijgen kennelijk niet op
hun eigen
redacties).
Ik vind dat een opvallend element in het verhaal. Want het zou verklaren
waarom Demmink zo
opereert in deze kwestie. Waarom hij de bladen niet juridisch aanpakt. De
woordvoerder van
minister Donner had al tegen me gezegd: “Ik heb hem geadviseerd om met
juridische middelen
keihard terug te slaan, maar hij wil dat niet.”
Om dit gegeven te checken bel ik met ‘de Journaalbron’. Betrokkenen hebben
moeten beloven
dat ze nooit iets naar buiten zullen brengen over de “deal” met Demmink,
gemaakt op 30
oktober 2003 op het kantoor van mr. Knijff. Wie de afspraak schendt vreest
juridische
gevolgen. Dus ik kan niet zeggen met wie ik heb gesproken. Het Journaal wil
zijn bronnen niet
nader omschrijven. Maar om de journalistieke methode van het Journaal te
kunnen beoordelen
is wel van belang te weten dat we informatie uit de eerste hand hebben
gekregen van een van
de hoofdredacteuren (of van beiden).
Ik bel de Journaalbron die eerst om geheimhouding vraagt en vervolgens
begint te vertellen. Hij
zegt meteen: “Ik ben tegen mijn zin onderdeel van een doofpotaffaire
geworden.” Ik noteer dat
in mijn kladblok en laat dat tijdens het telefoongesprek al aan mijn collega
Robert Bas zien. De
zwarte delen beschermen de bron.

Hierboven in mijn notitieblok staat:
Ik nu onderdeel doofpotaffaire
Geen dienstauto in Anne Frankp
Ik heb eieren voor m’n geld
gekozen
Ik ben niet “met de dienstauto”
In het AFP geweest.
Hamer, brief Justitie
thuis Krol
Ook de chef Binnenland van het Journaal, Edith Janmaat, kan bevestigen dat
er een gesprek
met de Journaalbron plaatsvindt, want ik meld haar via de computer gedurende
het gesprek:
“Heb XXX nu aan de lijn”. Edith kijkt naar mij om en lacht. Zij had mij
namenlijk gezegd dat
de hoofdredacteuren al dagen niets wilden zeggen.
Al snel onderbreek ik de bron, want over alles wat hij mij verteld moet ik
zwijgen, zo hebben
we afgesproken. Ik wil hém dus vertellen (en dus checken) dat ik heb gehoord
dat Demmink
heeft toegegeven in een gesprek met de hoofdredacteuren dat hij op jonge
mannen valt. De
Journaalbron beaamt het direkt. Demmink heeft drie jonge mannen genoemd met
naam en
toenaam, onder wie de Tsjechische vriend die zo’n twintig jaar jonger is dan
hij. De Tsjech
heeft hij leren kennen tijdens een zijn vele bezoeken aan Praag. De jongen
was een pornoster in
homoseksuele films. De kwetsbaarheid van de topambtenaar, zo was gebleken in
het privégesprek
achter gesloten deuren, zit hem er in dat hij met zijn clubbezoeken in Praag
niet kan
uitsluiten dat hij ooit met een minderjarige geslapen heeft. Hij is er nooit
bewust op uit
geweest, maar kan het niet uitsluiten. Hij zou ook hebben gezegd, probeer ik
te checken bij de
Journaalbron, dat hij niet altijd om de leeftijd heeft gevraagd. Ook dat
beaamt de bron. Dat
heeft Demmink gezegd toen het gesprek ging over Fons Spooren. Demmink kon
zich het
argument van Spooren dat hij nooit om de leeftijd van de jongensprostitué’s
had gevraagd heel
goed voorstelen. Demmink kan niet uitsluiten dat hem hetzelfde is overkomen.
Ik realiseer me dat ik op een belangrijk punt ben aangekomen. De bevestiging
van de
Journaalbron verklaart waarom de topambtenaar niet naar de rechter is
gestapt. Het verklaart
ook waarom de topambtenaar alles via onderonsjes probeert te regelen. Dus ik
leg de bron
voor dat ik daar in het Journaal melding van wil maken. Tenzij de betrokken
bladen
publiekelijk gaan ontkennen dat dit achter gesloten deuren is gezegd.
De Journaalbron belooft berichtgeving in het Journaal op dit punt niet te
zullen ontkennen.
Maar kan het publiekelijk niet gaan bevestigen.
Ik bel op 5 november de advocaat van Demmink, mr. Knijff. We voeren een vrij
lang gesprek.
Ik leg hem uit dat ik het een probleem vind om me te beperken tot het
simpele bericht dat de
bladen gerectificeerd hebben. De zaak is gecompliceerder, zeg ik. Ik vertel
ongeveer alles wat ik
weet over Demmink aan de advocaat, inclusief het geheime Utrechtse
onderzoek. Dit om mijn
punt te onderstrepen dat er wel degelijk sprake is van ‘rook’ rondom de SG
(wat de minister
ontkent). Het geheime onderzoek, ja, dat kent mr. Knijff. “Maar dat heeft
toch tot niets
geleid?” Natuurlijk verwacht ik dat de advocaat gaat ontkennen dat er achter
gesloten deuren
iets is toegegeven. Maar ik weet ook van de Journaalbron dat de advocaat
zelf niet bij die
gesprekken aanwezig is geweest. Dat vraag ik hem ook, ter bevestiging. Mr.
Knijff erkent dat
zijn cliënt zonder juridische adviseurs met de hoofdredacteuren heeft
gesproken. “ Dus ik
weet niet wat daar allemaal besproken is,” erkent hij.
In algemene zin ontkent hij dat Demmink zoiets als seks met minderjarigen
zou hebben gehad.
Ik zeg dat ik dat best wil aannemen, maar het gaat erom dat de topambtenaar
een levenswandel
heeft waarbij hij niet kan uitsluiten dat het wel eens verkeerd is gegaan.
Dat hij niet altijd de
leeftijd zou hebben gevraagd “ach wat moet het Journaal daar mee?”, vraagt
Knijff. Als wij,
heteroseksuelen, een jonge vrouw ontmoeten, dan vragen we toch ook niet hoe
oud ze is? Het
is een vreemd gesprek. Maar een kernachtige ontkenning, gebaseerd op feiten,
is het niet. De
boodschap van de advocaat is: ik was er niet bij en mijn cliënt ontkent
alles.
Ik heb er bewust voor gekozen om de privé-advocaat van Demmink om commentaar
te vragen,
niet het ministerie. Het gaat hier immers om het privé-leven van de
ambtenaar. Toch word ik
binnen een half uur gebeld door de woordvoerster van de minister, Annemarie
Stordiau. Ze
zegt te weten dat ik zojuist met Knijff heb gesproken. Hij vond het een
prettig gesprek, zegt
zij, maar hij is er niet zeker van dat alles goed zal komen. Dat bevestig
ik. Ik leg haar uit dat de
lijn van het Journaal zal zijn: de bladen zijn vandaag door de knieën
gegaan, maar het uitblijven
van de aangekondigde juridische stappen heeft te maken met het verleden van
de
topambtenaar. Hij is gewoon niet van onbesproken gedrag. Dat belemmert hem
om de positie
van SG ook juridisch keihard zuiver te houden.
De kwetsbaarheid van de SG mag ook blijken uit een citaat dat Panorama en de
Gay Krant
optekenen tijdens het verboden interview:

Ook dit illustreert de kwetsbaarheid van de hoogste ambtenaar van Justitie.
Het Journaal bericht die avond over de bladen die door de knieën zijn
gegaan. In de slotalinea
leg ik uit waarom de zaak in der minne is geschikt. Dat is de betwiste
alinea, die aan het eind
van het verhaal opduikt omdat het duiding is. Als we het gedrag van Demmink
op zich zelf
nieuwswaardig hadden gevonden zou het aan het begin van het Journaalbericht
hebben gestaan.
Mr. Knijff belt meteen na acht uur en protesteert dat het Journaal
suggereert dat zijn cliënt
seks heeft met minderjarigen. Ik verwijs naar de letterlijke tekst, waarin
dat absoluut niet staat.
Zijn cliënt kan het niet uitsluiten, dat is wat het Journaal beweert. En dat
maakt dat de zaak in
der minne is geschikt. Maar mr. Knijff houdt vol dat het Journaal suggereert
dat de SG seks
heeft met minderjarigen. Om hem ter wille te zijn zeg ik toe om in de latere
uitzending expliciet
in de laatste alinea erbij te vermelden dat van “onoorbaar gedrag” nooit is
gebleken.
Het debat die avond raakt de kern van onze twist. Volgens Demmink heeft het
Journaal
beweerd dat hij seks met minderjarigen zou hebben gehad. Dat is de
misvatting. Het Journaal
heeft alleen willen beweren dat de kwestie met de bladen in der minne is
geschikt omdat a) de
bladen hun feiten niet konden hard maken en b) Demmink zich kwetsbaar voelt
over zijn
privé-leven.
Na publicatie in het Journaal krijgen wij, net als de bladen, te maken met
het dubbele gezicht
van Joris Demmink. Naar buiten toe wordt het bericht in het Journaal
bestreden, maar intern
stuurt Demmink aan op een onderonsje. Eerst verzoekt hij ons te rectificeren
omdat de
hoofdredacteuren zouden ontkennen met ons gesproken te hebben. Dat weigert
het Journaal.
Vervolgens hoeft het Journaal niet te rectificeren maar slechts de
gelegenheid te geven aan mr.
Knijff om in het Journaal – enkele dagen later - te kunnen zeggen dat zijn
cliënt het niet met de
berichtgeving eens is. Ook dat weigeren we. Vervolgens komt het voorstel om
in een verslag
over de kwestie Anne Frankplantsoen (de rechtbank doet later die week
uitspraak) terloops
mee te nemen dat de topambtenaar het niet eens is met de eerdere melding in
het Journaal dat
hij op jonge mannen valt en niet altijd naar de leeftijd heeft gevraagd. We
hoeven mr. Knijff
dan niet eens te interviewen. Ook dat weigert het Journaal. Dan kondigt mr.
Knijff “fermere
juridische stappen”s aan. Wij zeggen dat we dat met vertrouwen tegemoet
zien.”
Tot zover het verslag van Lex Runderkamp, waaraan ik nog het volgende zou
willen
toevoegen.
De relevantie van de publicatie wordt door de klager niet ter discussie
gesteld. Uiteraard
hebben wij afgewogen of zaken die een kennelijk privé-karakter hebben, toch
een plek in de
openbaarheid zouden moeten vinden. Wij hebben, gegeven de belangwekkende
positie van de
secretaris-generaal van het ministerie van justitie, de hoogste ambtenaar
dus van het
departement waar wetten worden voorbereid en gemaakt en morele kaders in
wetgeving
worden vastgelegd, gemeend wel tot publicatie te moeten overgaan: zijn
functioneren zou
ongetwijfeld precair worden indien zijn persoonlijke handel en wandel ter
discussie zou komen
te staan en daardoor mogelijk het opereren van het departement beïnvloeden.
Ik vind dat, en dat meen ik, overigens een moeilijke afweging, die ook
speelde in de zaak-
Oudkerk, omdat ik me realiseer wat de gevolgen kunnen zijn van aanhoudende
publiciteit voor
de persoonlijke en werkomstandigheden van mensen die door onze
belangstelling worden
getroffen. Dit terzijde.
Mr Demmink vraagt U ons te verzoeken Uw uitspraak ook in uitzendingen van
het NOS-Journaal
te openbaren, ik neem aan in samengevatte vorm.
Zoals U wellicht weet heeft het NOS-Journaal het zogenoemde convenant met de
Raad niet
ondertekend; wij hebben bezwaren tegen het in onze ogen te grote automatisme
dat uitspraken
in het eigen medium gepubliceerd dienen te worden (tenzij er zwaarwegende
belangen zijn die
zich daartegen verzetten). Het convenant schakelt op dit punt in essentie
–meen ik althans- de
eindverantwoordelijkheid van de hoofdredacteur voor de publicaties in zijn
of haar medium te
zeer uit en is daarbij niet toegesneden op het medium televisie.
Ik hecht er echter aan om in deze zaak nu al te verklaren dat, indien de
Raad de klacht van mr
Demmink volgt, het NOS-Journaal die uitspraak (in samengevatte vorm) zal
publiceren in de
eigen uitzending. Dat lijkt mij een kwestie van ‘fair play’. Ik neem aan dat
mr Demmink het
met mij eens zal zijn dat publicatie in het Journaal achterwege kan blijven
indien de klacht
wordt afgewezen.
Tot slot: de volledige tekst van de uitspraken van Uw Raad publiceren wij,
voor zover ze het
NOS-Journaal betreffen vanzelfsprekend, altijd op onze website, die sinds 15
mei 2003 actief
is.
Op basis van bovenstaande wil ik volhouden dat het NOS-Journaal terecht en
op juiste wijze
heeft geopereerd, en verzoek ik de Raad de klacht van mr Demmink af te
wijzen.
Met vriendelijke groet,
Hans Laroes
Hoofdredacteur NOS Journaal
|