|
1) Inleiding
Het zal in het jaar 1995 zijn geweest toen ik in contact kwam met de heer
en mevrouw Wittenberg.
Ik werkte toen als fiscaal jurist voor een vereniging van artsen welke
fungeerde als een soort totaal-dienstverlener voor (nagenoeg uitsluitend)
personen die werkzaam zijn in de medische en paramedische sector, zoals
huisartsen, dierenartsen, tandartsen, medisch specialisten, ziekenhuizen,
fysiotherapeuten etc. Het bedrijf was opgesplitst in diverse onderdelen:
een schade- en levensverzekeringsbedrijf, een adviesorganisatie, een
reisbureau en een accountants- en belastingadvieskantoor. Er was één
hoofdkantoor en een twaalftal regionale kantoren. Daarnaast was er een
samenwerkingsverband met een grote nederlandse bankinstelling teneinde ook
bancaire diensten te kunnen verlenen.
Het voordeel van een dergelijke organisatie is dat een cliënt van optimale
dienstverlening op alle van belang zijnde terreinen is verzekerd. De
medici en paramedici zijn vaak zelfstandige ondernemers die meestal zelf
weinig tot geen kennis en/of tijd hebben om zich bezig te houden met hun
boekhouding fiscaliteiten, verzekeringen e.d.
Het voordeel voor een dergelijk adviesbedrijf is dat op meerdere terreinen
geld wordt verdiend in verband met de werkzaamheden voor zo’n cliënt; in
verzekeringen zit een winstopslag en de cliënt betaalt voor de boekhouding
en verdere advisering. Het streven is om personen al in hun studententijd
lid te maken. In die tijd worden een aantal werkzaamheden dan ook nog
gratis verricht en als dit naar tevredenheid geschiedt, dan blijft zo’n
cliënt zijn verdere werkzame leven gebruik maken van alle diensten.
In 1995 hadden de Wittenbergs hun psychiatriepraktijk reeds (formeel)
gestaakt, maar veel patiënten waren blijkbaar patiënten voor het leven,
want zij werden nog met grote regelmaat aan huis ontvangen. Desnoods
werden zij gratis behandeld.
De Wittenbergs waren wel lid van de
artsenvereniging maar hadden nog nooit
diensten afgenomen.
Ik kwam met hen in contact via een collega van het verzekeringsbedrijf die
zij in die tijd om advies hadden gevraagd voor een verzekering. Nu was het
gebruikelijk dat werknemers van het verzekeringsbedrijf bij potentiële
cliënten ook de andere bedrijfsonderdelen onder de aandacht brachten. En
dit uiteraard wederzijds, hetgeen wel wordt aangeduid met het woord
‘kruisbestuiving’. Een boekhouding voerden zij niet meer, maar zij
vertelden hem dat zij voor hun belastingaangifte ruim vierduizend gulden
betaalden aan het accountantskantoor dat vroeger hun boekhouding had
verzorgd. De verzekeringscollega opperde dat hem dit een toch wel fors
bedrag leek en vroeg hen of hij een recente aangifte vrijblijvend mocht
voorleggen aan een collega van het belastingadvieskantoor.
Achteraf bezien moet ik zeggen ‘had hij dat maar nooit voorgesteld’, want
die collega was ik dus.
Hun belastingaangifte was vrij eenvoudig en bestond uit het invoeren van
de gegevens van vier jaaropgaven van pensioeninstanties, het invoeren van
de reeds door een drietal banken verzorgde jaartotalen aan effecten en één
aftrekpost in de vorm van een lijfrente. Alles bij elkaar een kwartier
kantoorwerk. Bij mijn bezoek aan de Wittenbergs heb ik verteld dat ik de
aangifte kon verzorgen voor
hfl 2.200-, zijnde de helft van het bedrag dat zij tot nu toe hadden
betaald. Het bedrag van hun vorige adviseur (4.400-) was schandalig hoog.
De hfl 2.200- was wat minder schandalig hoog, maar zo werkt het nu eenmaal
in de advieswereld.
Sindsdien bezocht ik hen tweemaal per jaar, éénmaal om de papieren voor de
aangifte op te halen en vervolgens nog een keer om de aangifte met hen
door te nemen. Dergelijke bezoeken voor ‘aangiftecliënten’ plande ik
altijd als ik in de omgeving andere afspraken had met andere
cliënten/ondernemers, welke laatste uiteraard van geheel andere aard waren
en meer tijd in beslag namen.
De heer Wittenberg praatte graag en dan eigenlijk uitsluitend over zijn
belevingen in de effectenhandel. Overigens belegde hij niet alleen in
effecten, maar ook in edele metalen en zelfs wijn. Zo vertelde hij eens
dat hij in Frankrijk een vat wijn had gekocht en deze in Nederland had
laten bottelen waarna het wachten was op de waardestijging van deze
voorraad. Mevrouw Wittenberg zat er altijd bij, maar liet het spreken
meestal aan haar man over. Zij was eveneens vriendelijk, maar kwam wat
stijfjes over. Eén van de eerste dingen welke mij opvielen, was dat de
heer Wittenberg ‘gewoon’ was gekleed, maar dat zijn vrouw er altijd bijzat
alsof zij op het punt stond naar een feestje te gaan.
De laatste tien dagen van het jaar neem ik altijd vrij. Toen ik na
nieuwjaar weer op kantoor kwam, vertelde mijn collega van het
verzekeringsbedrijf dat de heer Wittenberg eind december was overleden. Ik
denk dat dit december 1997 zal zijn geweest. Hij was zelfs naar de
begrafenis geweest. Ik heb mevrouw Wittenberg gebeld en een afspraak met
haar gemaakt. Ik heb altijd de indruk gehad dat zij een goed huwelijk
hadden. Tot hun beider verdriet was het huwelijk
kinderloos gebleven. Wat
doe je als je iemand bezoekt die intens verdrietig is? Je poogt een paar
troostende woorden te zeggen, maar het beste is om iemand te laten praten
en huilen. Omdat er meerdere zaken geregeld moesten worden, waaronder
uiteraard de overlijdensaangifte voor het successierecht en omdat de
bijzondere aangifte voor de inkomstenbelasting toch ook in de pen zat, heb
ik haar in die tijd meerdere keren bezocht. Door hetgeen zij vertelde,
vernam ik dat de relatie met haar eigen familie slecht was, die met de
familie van haar echtgenoot wel goed, maar er was geen sprake van
intensieve contacten. Gelukkig had zij wel een aantal goede vrienden in
haar nabije omgeving. Op ieder moment in een gesprek dat het op haar man
kwam, sloeg het verdriet toe en omdat zij nu eenmaal graag over haar man
sprak, was haar verdriet in feite nagenoeg altijd overheersend.
Zoals dit bij meer mensen het geval is, had haar man een hekel aan het
betalen van belasting. Vanwege het overlijden, zijn er zowel in de
inkomsten- als vermogensbelastingsfeer mogelijkheden tot een incidenteel
fiscaal voordeel. In deze situatie was dit een aanzienlijk voordeel,
hetgeen haar zichtbaar goed deed; alleen al vanwege het feit dat haar man
van dergelijke besparingen genoten zou hebben.
Op enig moment werd ik door haar gebeld over een kwestie waardoor zij
geheel ontstemd was. Vanwege haar weduwepensioen kwam zij wettelijk in
aanmerking voor het ziekenfonds, terwijl zij altijd particulier verzekerd
was geweest. Nu zullen slechts weinig mensen een probleem hiermee hebben,
maar mevrouw Wittenberg was geheel van slag. De reden was dat zij het
ziekenfonds niet bij haar ‘stand’ vond passen. Dubbel betalen – voor
ziekenfonds en particulier – wilde zij ook niet. Nu kan ik mij daar best
iets bij voorstellen: als iemand een dure particuliere verzekering wenst
te betalen, waarom zou iemand dan ook nog moeten betalen voor het
ziekenfonds terwijl hij/zij daar geen aanspraak op zal maken? Het antwoord
is uiteraard dat zoiets wettelijk is geregeld. Maar toch? Kortom, ik heb
er voor gezorgd dat er geen ziekenfondspremies op haar uitkeringen werden
ingehouden en dat zij zelf aldus geen nominale ziekenfondspremies hoefde
te betalen. Ik heb haar uiteraard verteld, dat een en ander niet geheel
conform de regels was, maar, mede in het kader over hoe haar man daarover
zou hebben gedacht, vond zij dit prachtig en was zeer dankbaar.
Achteraf heb ik wel eens gedacht dat dit voor haar mede een soort
bijzonder vertrouwen in mijn persoon heeft doen ontstaan.
2) Voorjaar 1999: Stichting wordt opgericht; de testamentkwesties
Toen ik in het voorjaar 1999 de papieren kwam ophalen teneinde de
belastingaangifte over 1998 te verzorgen, wilde zij iets met mij
bespreken. Zij was kort daarvoor bij een bankadviseur geweest die zij en
haar man al jaren kenden. Zij had met hem besproken dat het altijd de wens
van haar en haar man was geweest, dat na hun beider overlijden hun
vermogen zou worden bestemd voor de tijdelijke opvang van uitbehandelde
psychiatrische patiënten die na hun behandeling tussen wal en schip
dreigden te vallen.
De bankadviseur had haar geadviseerd om hierover contact op te nemen met
haar belastingadviseur. Blijkbaar hadden zij toch wat nader over het
onderwerp gesproken want zij vertelde mij dat de bankman had gesproken
over de mogelijkheid van een stichting waarbinnen zo’n doel zou kunnen
worden gerealiseerd.
Nu wist ik daar wel iets van, maar aangezien mij een dergelijke vraag in
mijn cliëntenbestand bij die toenmalige werkgever nog nooit was gesteld,
is het de praktijk om wat algemeenheden omtrent de mogelijkheden,
waaronder een stichting, te vertellen en toe te zeggen dat je je in die
‘specifieke kwestie nader zal verdiepen’ en er dan zo spoedig mogelijk op
zal terugkomen. In dit geval spraken wij af dat wij het nader zouden
bespreken wanneer ik weer langs zou komen om de aangifte door te nemen.
In de serie ‘Belastingwijzers’ bestaat een boekje over de stichting waar
je al dergelijke informatie kunt vinden. Met deze kennis en de ingevulde
aangifte bezocht ik haar nadien. Ik vertelde haar over de mogelijkheid om
bij testament te bepalen dat er op het moment van overlijden een stichting
kan worden opgericht waaraan een vermogen kan worden nagelaten waarmee een
gewenst doel zal worden verwezenlijkt.
Zij vertelde mij toen dat zij reeds een testament had laten opmaken. Uit
de wat teleurgestelde manier waarop zij dit zei, begreep ik dat zij dacht
dat een eenmaal opgemaakt testament iets definitiefs was.
Toen ik had uitgelegd dat niet het geval was en dat je een testament kon
intrekken, veranderen en dat in feite een nieuw testament het vorige
teniet deed, was zij zichtbaar opgelucht. Toen ook nog ter sprake kwam dat
een stichting een naam droeg en ik hierbij opperde dat dit bijvoorbeeld
‘De Wittenberg Stichting’ zou kunnen zijn, zei zij meteen dat die naam dan
de ‘Dokter Wittenberg Stichting’ moest worden. Op dat soort momenten werd
zij over-enthousiast en leek haar verdriet even te vergeten en uitte zij
zich op een wijze alsof zij in der veronderstelling verkeerde dat zoiets
dezelfde dag nog geregeld kon worden.
Ik heb haar uitgelegd dat er alvorens een dergelijk testament te laten
opmaken toch eerst de nodige overwegingen en beslissingen nodig zouden
zijn.
Het zal tijdens datzelfde gesprek zijn geweest dat zij mij vertelde hoe
het bestaande testament tot stand was gekomen.Toen de heer Wittenberg
overleed, was er geen testament. Dat was in feite ook niet nodig want zijn
vrouw was wettelijk toch de enige erfgenaam. Eigenlijk al in de eerste
dagen na zijn overlijden, realiseerde zij zich dat indien zij zou
overlijden dat dan ook haar familie (broer,
zuster en moeder) zouden
erven. Omdat zij al langere tijd met hen in onmin leefde, wilde zij dit
niet. Deze gedachte werd nog versterkt doordat er na de begrafenis van
haar man enige incidenten waren geweest rond de erfenis.
Zij heeft toen een goede huisvriend om advies gevraagd. Deze adviseerde
haar om een testament te laten opstellen, zodat haar familie buiten de
erfenis zou blijven. Zoals zij mij vertelde heeft zij een en ander
grotendeels aan die huisvriend overgelaten. Zij heeft wel een aantal
personen genoemd die middels een legaat een bedrag zouden krijgen. Dit
waren een aantal ex-patiënten die nog steeds over de vloer kwamen en een
aantal familieleden van haar man. Buiten deze legaten zou het hele
vermogen na haar overlijden toekomen aan de huisvriend en zijn dochter; de
begunstiging op de bestaande levensverzekering werd ook overgeschreven op
de dochter.
Dit kind speelde een nogal belangrijke rol in het geheel. Omdat de
Wittenbergs
kinderloos waren, was dit kind van de huisvriend een soort
oogappel van hen geworden. Nog tijdens het leven van de heer Wittenberg
kwamen de huisvriend, zijn echtgenote en hun dochter regelmatig op bezoek.
Na het overlijden van haar man verwaterde de relatie echter. Ik begreep
dat er verschil van inzicht over geld geweest was, maar dat ook het
overheersende karakter van haar verdriet hierbij een rol gespeeld zou
kunnen hebben. Hoe het precies zat was eigenlijk mijn zaak niet, voor mij
relevant was dat zij besloten had dat de stichting nu de enige erfgenaam
zou worden. In de bestaande legaten wilde zij ook een aantal andere
wijzingen aanbrengen. Ik had uiteraard nog meer cliënten die dag en omdat
ik het testament voor het eerst inzag terwijl zij probeerde om mij
allerlei wijzigingen duidelijk te maken, stelde ik haar voor dat zij al
hetgeen zij wilde op papier zou zetten en dat zij mij zou bellen als zij
daarmee gereed was.
Dat telefoontje liet niet lang op zich wachten, zodat ik niet lang nadien
weer bij haar zat.
Bij successierechten had zij nog nooit stilgestaan, maar toen ik haar daar
over vertelde leidde dat nog tot een hele rekenexercitie om de legaten qua
successierecht te optimaliseren, met het uiteindelijk doel om zoveel
mogelijk aan het stichtingsdoel over te laten. Verder stond in het
testament de huisvriend als executeur-testamentair vermeld. Vanwege de
inmiddels slechte relatie wilde zij dit eigenlijk niet meer.
Nu had zij inmiddels ook verteld over haar voornemen om te verhuizen. Aan
de rand van het centrum zouden aan de IJssel een aantal luxe koopflats
worden gebouwd. Zij zou de flat geheel uit haar vermogen kunnen betalen.
Ik adviseerde haar bestaande, tamelijk risicovolle beleggingen op te
heffen, en de flat niet via een hypotheek te financieren. Dit was de
oplossing met de minste risico’s.
Uiteindelijk vroeg zij voorzichtig of ik als executeur zou willen
fungeren. Alhoewel ik het opvallend vond dat zij mij hiervoor vroeg
(blijkbaar had zij weinig vrienden en kennissen), voelde ik mij op dat
moment toch enigszins vereerd dat zij dit aan mij vroeg; het getuigt toch
van vertrouwen dat iemand in je stelt. Ik had wel reserves. Ik had met
dergelijke zaken geen ervaring. Bovendien wist ik dat zij gelovig was,
terwijl ik daar weinig zicht op heb. Aan de andere kant was zij pas 59
jaar en ik meende dat haar moeder al in de negentig was. Mede, en
misschien wel voornamelijk, omdat het mij altijd moeilijk valt om iemand
iets te weigeren en omdat ik er vanuit ging dat het een zaak zou zijn
welke pas in de verre toekomst zou spelen, heb ik bevestigend geantwoord.
Omdat het natuurlijk mogelijk zou zijn dat ik eerder zou overlijden, moest
er nog een opvolgend executeur gevonden worden. Uiteindelijk heb ik haar
voorgesteld om daarvoor mijn kantoorhoofd daarvoor op te nemen. Die was
jonger dan ik en ik kon haar verzekeren dat dit een serieus persoon was.
Zij ging hiermee akkoord.
Het zal naar aanleiding van het voorgaande zijn geweest dat zij mij vroeg
of ik er dan ook voor zou zorgen dat alles omtrent de stichting zou worden
geregeld, dit zegde ik haar toe. Ik had een kopie van het eerste testament
meegenomen om aan de hand daarvan een brief voor de notaris op te stellen.
Ik heb nog contact met de notaris gehad inzake de stichting, hij zou
standaard statutaire bepalingen in het testament verwerken. Zelf had ik
nog in de belastinggids “Erven en Schenken’ gekeken hoe ik mijn rol moest
omschrijven. Ik begreep daaruit dat ik alles aangaande de stichting zou
kunnen regelen vanuit de functie van bewindvoerder. Dit heb ik ook in de
brief aan de notaris aldus verwoord. Nog diezelfde week werd ik door de
notaris gebeld en die vertelde mij dat in dit geval bewindvoering niet
mogelijk was en dat ik – gezien de bedoeling van mevrouw Wittenberg – in
het testament zou moeten worden benoemd als eerste voorzitter. Vanwege
mijn komende vakantie heb ik hem gevraagd om dit zelf met mevrouw
Wittenberg op te nemen, hetgeen is gebeurd en aldus in het testament
verwoord.
Ik was vier weken op vakantie geweest en eind augustus was ik weer terug
op kantoor. Tijdens de vakantie had de notaris een concept verzonden. Mijn
kantoorhoofd had het nagezien en akkoord bevonden. Naar mijn mening was de
inhoud van mijn brief er ook goed in verwerkt. Nog in mijn eerste week
belde mevrouw Wittenberg. Uiteraard had zij ook een concept ontvangen en
had een aantal taalfouten in de tekst ontdekt. Bovendien deelde zij mij
mee dat zij tijdens mijn vakantie hard aan het werk was geweest en een
‘dossier’ had samengesteld waarvan zij graag had dat dit bij ons op
kantoor in de kluis diende te worden bewaard. Dat wij geen kluis hadden en
dat cliëntgegevens gewoon in een ladenkast of hooguit een archief werden
bewaard, liet ik maar in het midden. Kort daarna bezocht ik haar weer. De
fouten in het concept heb ik telefonisch aan de notaris doorgegeven. Zij
maakte mij er ook attent op dat zij nog niets van de verzekeraar had
gehoord. Ik moet bekennen dat ik deze kwestie geheel was vergeten. Reeds
voor mijn vakantie had ik haar beloofd dat ik een brief zou opstellen voor
de verzekeraar waar haar levensverzekering liep teneinde de begunstiging
te wijzigen. In plaats van de dochter van de huisvriend diende de
toekomstige stichting als begunstigde te worden opgenomen. Ik zegde haar
toe om daar op korte termijn voor te zorgen.
Vervolgens kwam er een (als ik mij goed herinner) oranje dossiermap op
tafel waarin zij allerlei documenten had verzameld, welke naar haar mening
van belang waren voor een executeur in geval van haar overlijden. Nu is
het uiteraard voor een executeur zeer handig om een naam- en adreslijst te
hebben van personen die na iemands overlijden moeten worden aangeschreven.
Nou, zo’n lijst had zij opgesteld, maar er was nog veel meer. Naast een
aantal officiële documenten zat er een heel pakket handgeschreven papieren
bij inhoudende hetgeen zij wilde dat er na haar overlijden diende te
gebeuren, zoals de tekst van de rouwkaart, de bloemen alsmede de winkel
die de bloemen moest verzorgen, de zaak waar de letters op de grafsteen
moesten worden gemaakt en zelfs had zij de tekst geschreven die de pastoor
moest voordragen tijdens de uitvaartplechtigheid. Alles zodanig tot in
detail dat het wat bizar op mij overkwam voor iemand die nog gezond van
lijf en leden was. Ik kreeg ook een huissleutel welke ik op kantoor met
plakband op de binnenzijde van de dossiermap heb geplakt. Zij vertelde dat
er nog een aantal documenten aan het ‘dossier’ ontbraken, maar zij zou mij
bellen als zij die had ontvangen. Ik beloofde haar dat ik alles in de
‘kluis’ zou bewaren. Op kantoor toonde ik de stukken aan het
kantoorhoofd
die nog opmerkte: “zij is toch niet levensmoe?”.
Enige tijd daarna belde zij mij en vertelde dat zij een
document had
ontvangen dat ook in het dossier hoorde en vroeg of ik het langs wilde
halen als ik in de buurt was. Ik vertelde dat ik haar dan van te voren zou
bellen.
3) De fatale donderdag 23 september 1999
Op deze dag had ik een afspraak in Schalkhaar met een specialist voor de
bespreking van jaarstukken.
De bespreking zou om 10.30 uur beginnen. Schalkhaar grenst aan Deventer en
vanuit mijn kantoor in Zwolle kom ik dan dicht in de buurt waar mevrouw
Wittenberg woonde. Omdat ik had toegezegd nog iets bij haar op te halen,
heb ik haar woensdagavond 22 september gebeld, vertelde haar dat ik in de
buurt moest zijn en vroeg of het goed was dat ik rond 10.00 uur zou
langskomen. Zij had echter op dat tijdstip
een afspraak met de huisarts en vroeg mij of ik na mijn afspraak langs kon
komen. Omdat ik na Schalkhaar naar een afspraak in Almere moest en dit al
krap aan zou worden, was dit niet mogelijk. Omdat zij het merkbaar jammer
vond en het compleet maken van het dossier voor haar belangrijk was, is
uiteindelijk afgesproken dat ik tegen
09.30 uur zou langskomen. Normaliter
neem ik jaarstukken voorafgaand aan een bespreking nog even door (in dit
geval was dit die woensdagavond), maar dat heb ik die avond niet meer
gedaan omdat ik daar ’s ochtends na het bezoek aan mevrouw Wittenberg nog
tijd voor zou hebben.
Donderdagochtend ben ik eerst naar kantoor gereden en daarna naar
Deventer. Omdat de straat waaraan zij woonde was
opgebroken, was er geen
doorgaand verkeer mogelijk. Waarschijnlijk was het daarom moeilijk een
parkeerplaats te vinden. Een stuk vóór de woning heb ik mijn auto met de
voorkant op de stoep gezet. Dat was voor een huis waar werklieden met hoge
ladders bezig waren. Omdat ik in een stationwagen met dakrails reed, dacht
ik nog: ‘als er toevallig politie langskomt, zullen zij denken dat die
auto bij de werklieden hoort’. Bovendien zou het maar voor een paar
minuten zijn.Eenmaal in de woonkamer toonde mevrouw Wittenberg mij de
brief, waarvan ik mij later alleen herinnerde dat de met opvallende grove
en wat onscherpe letters was getypt, alsof het inktlint bijna op was. Het
viel op mede omdat je in die tijd eigenlijk nooit meer brieven van een type-machine zag. De blauwe handtekening stak opvallend af bij de wat
grijzige letters. Ik had begrepen dat het een brief was over bevestiging
van
aangekochte grafrechten. Ik vond dat soort ‘toekomstige’ zaken
eigenlijk nogal wat overdreven. Tijdens het tonen van de brief had ik
naast haar gestaan omdat ik dacht direct weer weg te aan. Zij had echter
nog een korte vraag en vroeg mij even te gaan zitten.
Zij vertelde dat zij vroeger in de
St. Jan te Den Bosch waren getrouwd.
Deze kerk had geld nodig voor
restauratie. Zij wilde een bedrag doneren en
vroeg mij hoe dat fiscaal zo gunstig mogelijk kon worden gedaan. Daartoe
vroeg ik welk bedrag zij van plan was te schenken. Zij dacht aan 40.000
gulden. Nu is er in de fiscale wetgeving bij giften een onder- en
benedendrempel, afhankelijk van iemands belastbaar inkomen. Uit mijn hoofd
wist ik niet hoe hoog haar belastbaar inkomen was. In ieder geval kon ik
haar vertellen dat één procent van het inkomen in ieder geval niet fiscaal
aftrekbaar was en beloofde dat ik dit op kantoor zou navragen en haar dit
zou laten weten. Omdat aldus niet het gehele bedrag aftrekbaar kon zijn,
vertelde ik haar dat er misschien nog een andere mogelijkheid was, maar
dat ik dat eerst zelf moest nazien. Ik had sinds kort een nieuwe cliënt en
het kwam mij voor dat bij hem al langer een speciale constructie liep
waardoor de gehele gift aftrekbaar was. Nu wist ik wel dat een gift
volledig (dus zonder drempels) aftrekbaar is als dit in de vorm van een
lijfrente wordt gegoten, maar dat moet dan een periode van minimaal vijf
jaren zijn en die kerk had het bedrag bij voorkeur nu nodig en niet in de
toekomst. Bij het weggaan was er dus de afspraak dat ik haar zo spoedig
mogelijk zou laten weten wat de onderdrempel was in geval van de normale
giftenregeling en dat ik binnenkort schriftelijk zou berichten of er nog
een andere optie was en zo ja, wat deze inhield. Met de
brief ben ik terug
naar mijn auto gelopen en kort na het wegrijden heb ik een collega op
kantoor gebeld waar ik altijd mee samenwerkte. Ik vertelde haar waar het
om ging en vanachter haar computer gaf zij mij door dat het meest recente
belastbaar inkomen 175.000 was. De niet-aftrekbare onderdrempel was aldus
1.750 gulden. Omdat ik nog voldoende tijd had voor mijn volgende afspraak,
was het logisch geweest als ik dit direct had doorgebeld aan mevrouw
Wittenberg, maar omdat ik wist dat zij naar de huisarts was heb ik
natuurlijk niet gebeld. Omdat ik na mijn aanhouding mijn telefoonlijst
onder ogen kreeg, kon ik zien dat ik (ik geloof) 09.32 uur naar kantoor
heb gebeld. Omdat ik veronderstelde zo’n 10 minuten binnen te zijn
geweest, kon ik daaruit afleiden dat ik om of kort na 09.15 uur de woning
moest hebben betreden. De
brief die zij mij had gegeven heb ik verder niet
meer bekeken en de volgende dag in haar dossier gestopt.
De werkster
Nadat mevrouw Wittenberg mij had gevraagd om nog even te gaan zitten in
verband met haar vraag over de voorgenomen gift aan de kerk, was er een
voorval dat later nog een belangrijke rol zou gaan spelen. Ik rook
namelijk opeens een duidelijke spiritusgeur, nogal vrij sterk en temeer
opvallend omdat ik geen verfijnd reukorgaan heb. Toen ik mevrouw
Wittenberg op de geur attent maakte (ik weet dat spiritus een zeer
brandbare vloeistof is), vertelde zij dat
de werkster op de boven-étage
aan het werk was en vertelde daarbij dat zij nog een ouderwetse werkster
had die sommige dingen met spiritus schoonmaakte. Ik wist tot dat moment
niet eens dat zij een werkster had. Ik heb die werkster tijdens mijn
aanwezigheid niet gezien; ik heb haar zelfs niet gehoord.
Mijn verdere activiteiten op donderdag 23 september 1999
Zoals eerder vermeld had ik om 10.30 uur een rapportbespreking
(jaarstukken) in Schalkhaar. Om 13.00 uur had ik een afspraak bij een
cliënt in Almere. Omdat de tussenliggende tijd nogal krap was, was ik wat
later in Almere. Om 16.00 uur had ik een rapportbespreking bij een cliënt
in Lelystad. Tussen 18.00 uur en 18.30 uur had ik aan een cliënt in
Amersfoort beloofd dat ik zijn tas met administratie zou afgeven.
Vervolgens moest ik om 19.00 uur in de Jaarbeurs te Utrecht zijn voor een
lezing van de Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs.
Deze dag vereist nog enige nadere specificatie omdat dit later nog van
belang zou worden en eigenlijk
– op het moment dat ik dit schrijf - nog steeds van belang is. De afspraak
in Amersfoort om de administratie af te geven had ik pas de avond daarvoor
gemaakt. Gewoonlijk geef ik thuis in het weekend door of ik tijdens het
avondeten thuis ben of niet. Omdat ik om 16.00 uur een afspraak in
Lelystad had (waar ik ook woon) en pas om 19.00 uur in Utrecht moest zijn,
zou ik tussendoor thuis kunnen eten. Mijn vrouw had dan ook in haar agenda
geschreven: ‘ wel eten, daarna Ernest weg’. Echter, omdat ik naar Utrecht
moest en ik alsdan langs Amersfoort kom, had ik de avond ervoor de
betreffende cliënt gebeld en nadat ik de afspraak met hem had gemaakt, heb
ik tegen mijn vrouw gezegd dat ik dus niet thuis zou eten. Zij heeft toen
over het woord ‘ wel’ het woord ‘niet’ geschreven.
Na mijn afspraak in Almere ben ik overigens die middag nog wel langs huis
geweest. Ik was daar kort na 15.00 uur en heb toen brood gegeten.
Het volgende lijkt een onbelangrijk detail, maar dit bleek later anders.
Bij thuiskomst die middag was er behalve mij vrouw ook haar vriendin. Deze
laatste wist zich later nog te herinneren dat ik die middag thuis was
gekomen en dat ik hagelslag op mijn brood had gedaan.
Ik meen dat ik nog voor 18.30 uur bij de cliënt in Amersfoort was. Ik heb
zijn administratie overhandigd zonder binnen te gaan; hij wist dat ik op
doorreis was. Tussen Amersfoort en Utrecht was het vrij druk, hetgeen
waarschijnlijk mede kwam omdat het koopavond was. Ik was dan ook vrij laat
in de Jaarbeurs te Utrecht. Nu ging ik daarheen omdat je voor het bijwonen
van een dergelijke lezing vijf studiepunten krijgt. Op jaarbasis moest je
60 studiepunten halen. Nu kon je deze punten halen door naar vrij dure,
maar wel goede lezingen te gaan, hetgeen ik ook deed, maar je kon ook 20
punten halen door viermaal naar een (gratis) lezing van de Federatie te
gaan. Deze lezingen waren van mindere kwaliteit, zodat bij veel
beroepsgenoten de praktijk was ontstaan om bij binnenkomst te tekenen en
vervolgens weer te verwijnen. Ik behoorde ook tot die groep. Omdat ik toch
maar kort binnen was, parkeerde ik niet op het terrein van de Jaarbeurs,
want dat kostte ongeacht de parkeertijd 15 gulden, maar ik plaatste mijn
auto altijd in een zijstraat van de Croeselaan. Ik schat dat ik tegen
19.20 uur weer terug bij mijn auto was en toen op weg ging naar huis.
Normaliter ben ik dan tegen 20.30 uur thuis. Niet dat Utrecht-Lelystad nou
zo’n grote afstand is, maar op koopavond is het nogal tijdrovend om
Utrecht uit te komen. In die maand (september) was er vanuit Utrecht nog
geen aansluiting van de Stichtsebrug (over het randmeer) naar de A6 welke
door Flevoland loopt. Het verbindend stuk snelweg in Flevoland is pas
geopend na 19 november 1999, want terwijl ik in de cel zat, heb ik die
opening op TV gezien. Omdat de weg toen nog direct na de Stichtsebrug
ophield en daardoor op drukke tijden een
file ontstond, nam ik , zoals zo
velen, de route via Harderwijk, weliswaar wat omrijdend maar wel beduidend
sneller.
Echter, nog vóór ik nabij Harderwijk het viaduct bereikte voor de afslag
Flevoland liep ik vast in een
file, eerst stilstaand en daarna langzaam
rijdend. Het verkeer werd geduid rechts te houden, maar, zoals
gebruikelijk in Nederland, zijn er altijd bestuurder die zo lang mogelijk
toch links proberen door te rijden.
In de file
Een paar auto’s voor mij reed een vrachtauto die opeens half naar links op
de weg ging rijden teneinde te voorkomen dat de linksrijders er nog
voorbij konden. De auto’s voor mij gingen dicht op elkaar rijden om te
voorkomen dat er linksrijders konden invoegen. Ik heb aan dat ‘spelletje’
meegedaan omdat het onterecht doorrijden van sommige bestuurders mij ook
altijd ergert. Het gevolg van dat bumper aan bumper rijden was echter wel
dat ik pas aan de afslag dacht toen het viaduct al zo dichtbij was dat het
te laat was om nog af te slaan. Direct na het viaduct zag ik rechts op de
afrit wagens staan van een wegenbouwbedrijf. Kort na het viaduct was de
weg weer vrij en kon ik gewoon doorrijden. Hetgeen mij nog ergerde was het
feit dat ik geen wegwerkers zag, omdat je dan de indruk hebt dat je
zinloos in de
file hebt gestaan. Pas na mijn aanhouding is een en ander
mij duidelijk geworden en dat de wegwerkzaamheden pas later zijn
aangevangen en dat de
file waarin ik verzeild was geraakt alleen maar werd
veroorzaakt door een breedtetransport met beton-elementen. Omdat de
file
vanwege het breedtetransport in feite incidenteel en voorbijgaand was, is
deze
file niet op de radio gemeld. Uit de politiedossiers heb ik later
vernomen dat er wel een
filemelding op het nieuws is geweest om 21.05 uur,
maar dit was een
file met een andere oorzaak, namelijk werkzaamheden aan
de weg. De bijzonderheden, waaronder de wijze van wegafzetting en
-geleiding kon ik uitsluitend weten omdat ík die
file had meegemaakt.
Ik moest toen doorrijden tot de afslag ’t Harde en vervolgens ben ik naar
huis gereden. Hierbij merk ik nog op dat dit voor mij niet zo bijzonder
was omdat ik in ieder geval iedere ochtend en meestal iedere avond de
route via ‘t Harde reed. Ik reed deze route al vele jaren en kon deze
spreekwoordelijk met gesloten ogen rijden. Vanwege de
file en het omrijden
was ik niet tegen 20.30 uur thuis, maar pas rond 21.00 uur. Dit heb ik
naderhand aan de hand van meerdere omstandigheden kunnen aangeven.
Na het viaduct en dus na het moment dat de weg weer vrij was, kon ik
ongestoord verder rijden. Nu werd ik pas aangehouden op 19 november en dus
twee maanden na deze dag (23 september 1999), maar omdat mij op maandag 27
september werd gevraagd wanneer ik voor het laatst met mevrouw Wittenberg
had gesproken, heb ik later kunnen reconstrueren waarom en vanuit welke
locatie ik haar had gebeld.
Het beruchte mobiele telefoongesprek
Toen mij op 27 september naar het laatste contact werd gevraagd, heb ik
gezegd dat ik haar de daaraan voorafgaande donderdagavond vanuit mijn auto
had gebeld. Het tijdstip speelde toen nog geen rol en toen de politie mij
daar naar vroeg heb ik geantwoord dat ik dacht dat dit om ongeveer 20.00
uur moest zijn geweest. Mede omdat dit gesprek met de politie kort na de
moord plaatsvond, heb ik later kunnen bepalen dat ik ergens op de snelweg
tussen het viaduct te Harderwijk en de afslag ’t Harde moest hebben
gebeld. De aanleiding was duidelijk want ik zou haar nog laten weten wat
de onderdrempel van de giftenvrijstelling was. Ik heb de gewoonte om
cliënten niet later te bellen dan 21.00 uur en omdat ik besefte dat ik
mogelijk niet meer voor dat tijdstip thuis zou zijn, heb ik vanuit de auto
gebeld. Ik heb op de snelweg gebeld omdat er na de afslag ’t Harde tot aan
huis nog slechts een tweebaansweg is. Overigens is door de politie in de
woning een papiertje gevonden waarop mevrouw Wittenberg het bedrag 1.750
had geschreven. Hierover later nog meer.
’s Avonds naar huis
Nu kon ik mij na twee maanden, bij de eerste ondervraging, niet direct de
betreffende avond volledig herinneren, maar met behulp van mijn agenda en
diverse omstandigheden is dat naderhand toch nog aardig gelukt. Een
belangrijke omstandigheid die ik in mijn agenda zag, was het feit dat ik
het weekend 25 en 26 september in Belgie was omdat mijn werkgever daar een
feest had georganiseerd (iedere 5 jaar is er een groot feest). Het feest
gaat gepaard met muziek en dans. Ik kon mij herinneren dat ik bij sommige
bewegingen last had van mijn ribben. Zodoende kon ik mij weer herinneren
hoe dit was ontstaan. Toen ik namelijk die voorafgaande donderdag (dit was
23 september) thuiskwam, vroeg mijn vrouw mij om vanachter dak een lamp te
pakken, want die moest zij de volgende dag (vrijdag) meenemen voor iemand
van school. Zij vroeg mij dit direct na thuiskomst omdat mijn zoontje net
in bed lag en nog niet sliep, zodat ik hem nog niet in zijn slaap zou
storen. In die tijd ging mijn zoontje stipt om 21.00 uur naar bed. Mijn
dochter moest om 22.00 uur naar bed. Enigszins geïrriteerd omdat dit op
een hip en een drip moest gebeuren, liep ik naar zolder en liep daar vol
tegen het stalen stuur van een home-trainer op. Nu had ik die fietstrainer
daar zelf neergezet, maar met het stuur andersom. Naderhand vertelde mijn
vrouw dat zij het apparaat had omgedraaid omdat zij zo beter bij het
wasrek kon dat bovenaan de trap hing. Ik heb daar toch enige Amsterdamse
kreten geslaakt, want de punt van zo’n ijzeren stuur komt hard aan. Tot
vermaak van vrouw en kinderen was dit verder in huis ook goed hoorbaar.
Vervolgens heb ik de lamp gepakt, waarbij ik een keus had uit twee lampen.
De ene was van mijn dochter geweest en de ander van mijn zoontje. Ik heb
gekozen voor de oudste lamp welke van mijn dochter was geweest. Ik kon mij
nog herinneren dat toen ik met de lamp beneden kwam, zij dit in eerste
instantie niet leuk vond. De lamp had namelijk jarenlang in haar vorige
kamer gehangen. Door al dit soort voorvallen heb ik mij naderhand ook de
avond weer vrij goed voor de geest kunnen halen. Hierover later nog nader.
4) Maandag 27 september 1999 – Afwikkeling van het overlijden
In de loop van deze 27e september werd ik op kantoor gebeld door de
politie met de mededeling dat mevrouw Wittenberg dood was en werd mij
gevraagd of er iemand langs kon komen. Omdat ik het weekend in België was
geweest, hadden zij mij niet eerder kunnen bereiken.Mijn eerste gedachte
was dat zij zich zelf om het leven had gebracht; dit vanwege het in mijn
ogen nogal vergaande dossier dat zij had samengesteld. Echter na de komst
van de rechercheur vernam ik dat zij was vermoord. De man vertelde mij dat
zij bij het doorzoeken van haar papieren het nieuwe testament hadden
aangetroffen met daarin mijn naam als executeur-testamentair. Dit nieuwe
testament bleek zij op 13 september – dus minder dan twee weken daarvoor –
te hebben ondertekend. Na contacten met familie en vrienden had de
voormalige huisvriend zich dat weekend al gemeld. Hij bleek in de
veronderstelling te verkeren dat het oude testament nog steeds geldig was
en dat hij dus de executeur zou zijn. De rechercheur vertelde mij dat het
hem uiteraard bevreemdde dat er een nieuw testament was en dat de moord
kort hierna had plaatsgevonden. Hij vroeg mij dan ook of ik iets kon
vertellen omtrent de reden van de testamentwijziging. Ik heb hem
grotendeels verteld hetgeen ik van mevrouw Wittenberg had vernomen en in
het bijzonder omtrent de oorspronkelijke wens om hun vermogen te doen
toekomen aan ex-psychiatrische patiënten. Verder heb ik hem verteld
hetgeen ik van haar had vernomen omtrent de verslechterde relatie met de
huisvriend en zijn familie. Naderhand - na mijn aanhouding – heb ik in de
vele verhoren van haar kennissen kunnen lezen dat zij hen ook uitgebreid
over deze kwesties had verteld en dat alles dus feitelijk in ruime kring
al bekend was. Tenslotte vroeg de man mij naar het laatste contact, waarop
ik hem heb geantwoord dat ik haar de donderdag daarvoor in de loop van de
avond had gebeld. Omtrent het tijdstip heb ik gezegd dat dit ergens om een
uur of acht (20.00 uur) moest zijn geweest. Er werd mij niet naar een
exact tijdstip gevraagd. Dit had ik op dat moment ook niet geweten. Toen
de man vertrok spraken wij af dat wij elkaar wederzijds op de hoogte
zouden houden van de komende gebeurtenissen.
Nu zal het volgende misschien wat vreemd op de lezer overkomen, maar nadat
de rechercheur mij had gebeld, was één van de dingen die mij toen nogal
bezighielden het feit dat ik besefte dat er in de komende dagen een groot
aantal zaken geregeld moesten worden en dat ik daar eigenlijk helemaal
geen tijd voor had. Eén van de eersten die ik erover aansprak was mijn
kantoorhoofd, die mij gelukkig meedeelde dat hij een aantal zaken kon
overnemen. Eén van de eerste personen die ik moest bellen was de
begrafenisondernemer. Hiertoe kwam het dossier van mevrouw Wittenberg goed
van pas, want zij had daarin zelfs de naam vermeld van degene die de
uitvaart moest regelen. Nu bleek deze man afwezig te zijn, maar er zou een
collega komen. Ik heb het kantoorhoofd gevraagd om bij dit onderhoud
aanwezig te willen zijn omdat ik nu eenmaal niets van kerkelijke zaken
wist. Wederom gelukkig maakte hij daar tijd voor vrij. Het onderhoud met
de begrafenisondernemer vond nog die middag plaats. Nagenoeg alles met
betrekking tot de uitvaart zou hij regelen, zo ook de kerkdienst. Ik kon
hem uiteraard kopieën van de door mevrouw Wittenberg geschreven wensen
meegeven, waaronder de tekst voor de preek. Ik meen dat ik mijn afspraken
voor die dag naar de avond heb laten verplaatsen.
Nog diezelfde middag werd ik gebeld door de broer van mevrouw Wittenberg
die vertelde dat hij de volgende dag met de huisvriend wilde langskomen.
Zoals afgesproken heb ik de politie van het komende gesprek in kennis
gesteld.
De volgende dag kwam dus de broer, de
huisvriend en (naar ik meen) een
neef. De huisvriend, waar ik toch wel benieuwd naar was, was duidelijk
aangeslagen en had grote moeite om zijn tranen te bedwingen; hij heeft
niet veel gezegd want het spreken viel hem moeilijk. Voorzover ik mij
herinner, heeft de neef in het geheel niets gezegd. De broer was eigenlijk
de enige die het woord voerde.
Later heeft de broer mij in de
media aangeduid als iemand die tijdens het
onderhoud nogal koel en afstandelijk was en weinig vragen wilde
beantwoorden. Nou, ik moet bekennen dat dit uiterlijk beeld best juist zal
zijn geweest. Maar daar had ik wel mijn redenen voor, maar daar weet de
broer niets van zodat ik hem die mening ook niet kwalijk kan nemen.
Natuurlijk wilde hij graag weten wat er in het testament stond en was hij
teleurgesteld dat ik daar niets over kon zeggen, vanwege de delicate
verhoudingen en omdat de politie mij dit opgedragen had. Ik denk wel dat
mijn houding wat beïnvloed was door de verhouding tussen zijn
belangstelling voor de erfeniskwestie en zijn wel erg neutrale houding ten
aanzien van het overlijden van zijn zuster, vooral gezien de reactie van
de huisvriend, die erg aangeslagen was.
De broer heeft zich later via de media er over beklaagd dat hij slechts
enkele waardeloze zaken uit de nalatenschap had ontvangen. Ja, dat is
waar. In een later stadium heb ik de afhandeling van de boedel in handen
gegeven van een veilinghuis dat samenwerkte met het notariaat. De
persoonlijke zaken welke niet konden worden geveild, zijn door hen
verzameld en deze zaken heb ik doen toekomen aan de familie van
respectievelijk de heer en mevrouw Wittenberg. Op grond van de
testamentaire bepalingen was de Dokter Wittenberg Stichting de enige
erfgenaam/eigenaar van alle zaken en had ik aldus geen enkele wettelijke
bevoegdheid om eigendommen van deze stichting aan een ander te doen
toekomen. Had ik dat wel gedaan, dan had men mij daarvoor zelfs
aansprakelijk kunnen stellen. Ik begrijp echter best dat dit voor een
ander moeilijk te begrijpen is.
In de periode na de begrafenis ben ik gestart met de uitvoering van het
testament. Zoals eerder vermeld was de stichting de enige erfgenaam, maar
waren er daarnaast een aantal legaten; als ik mij goed herinner een stuk
of twaalf. De legaten betroffen bedragen bestemd voor voormalige
patiënten, familieleden van de heer Wittenberg en een tweetal goede
doelen. Over de legaten moest uiteraard successierecht worden afgedragen,
zo ook over de verkrijging van de stichting. Verder moest de inboedel van
de woning worden verkocht waarna de woning kon worden overgedragen aan de
verhuurder.
Zoals hiervoor al geschreven waren dit werkzaamheden waar ik in feite geen
tijd voor had; ik had al werkweken van in ieder geval 60 uur en soms wel
oplopend richting 80 uur. Mijn gedachte was om de testamentaire
afwikkeling in het begin van 2000 af te ronden en mij dan vervolgens in
februari/maart 2000 op de stichting te richten. Het eerste kwartaal van
een jaar is het over het algemeen iets rustiger, maar vanaf april begint
de aangifteperiode en stromen de administraties weer binnen.
In de tijd toen mevrouw Wittenberg mij over haar voorgenomen verhuizing
vertelde, had zij ook over hun de loop der jaren verzamelde antiek
verteld. Dit was voor hen ook een vorm van belegging geweest. Zij schatte
de huidige waarde op zo’n 800.000 gulden. In verband met de toekomstige
verhuizing heb ik toen wel de vraag geopperd of zij voldoende verzekerd
was in geval van eventuele schade tijdens de verhuizing. Op haar verzoek
heb ik dit laten nazien bij haar verzekeraar en het verzekerd bedrag bleek
minder dan de helft te zijn, dus dik onderverzekerd. Ik heb haar toen
geadviseerd om de inboedel te laten taxeren en aan de hand van een op te
stellen taxatierapport de polis te laten aanpassen. Eén en ander speelde
kort voor de moord en of zij nog actie in die richting heeft ondernomen is
niet duidelijk geworden.
‘Echt’ antiek bleek nep
Ik schrijf dit in kader van een nogal opvallende kwestie. In de
veronderstelling dat er sprake was van een aanzienlijke waarde aan antiek
had ik contact gezocht met een expert van
veilinghuis Christie’s. Omdat de
politie in een bankkluis o.a. sieraden had aangetroffen, had ik met de
expert een afspraak op het politiebureau te Deventer gemaakt waarbij hem
tevens de aangetroffen sieraden werden getoond. Vervolgens ging er een
rechercheur mee naar de woning om deze voor ons te openen. De expert hield
het echter al spoedig voor gezien, want alle veronderstelde antieke
voorwerpen bleken namelijk nep te zijn. Zo waren er klokken met een
weliswaar antieke kast, maar het uurwerk bleek niet antiek. Omdat er
nagenoeg geen stukken waren met een waarde per stuk van meer dan duizend
gulden was de inboedel voor Christie’s niet interessant. Alvorens de
expert vertrok bracht hij mij in contact met een veilingmeester van een
door het notariaat opgezette organisatie welke, ongeacht de waarde, ervoor
zorgt dat boedels te gelde worden gemaakt. Deze man kwam nog dezelfde dag
en met hem heb ik afgesproken dat hij voor de gehele boedel zou
zorgdragen. Hij zou ervoor zorgen dat de woning schoon werd opgeleverd,
zodat ik daar verder geen omkijken naar had.
Het vermeende antiek hadden de Wittenbergs in de loop der jaren
aangeschaft via een voormalige patiënt. Die dag merkte ook de rechercheur
nog op dat het op zich nogal sneu was dat de mensen dus achteraf door die
ex-patiënt gigantisch in de maling bleken te zijn genomen. Overigens bleek
deze voormalige patiënt in het eerste testament als legataris te zijn
opgenomen, maar stond hij in het nieuwe testament niet meer vermeld.
’s Ochtends had ik op het bureau de sleutels gekregen van de bankkluis
omdat de politie daarin ook nog een geldbedrag had aangetroffen. Ik heb
hiertoe een
bankrekening geopend. Het geld heb ik die dag uit de kluis
gehaald en nog deze dag op deze rekening gestort.
De zakelijke rekening met het geld uit de kluis
Het openen van deze
rekening was ook nog een kwestie welke naderhand een
rol heeft gespeeld. Ik wist dat advocaten en notarissen zogenaamde derden-rekeningen hebben waarover geldzaken van cliënten lopen. Ik had
gekozen voor de bank waar mijn werkgever mee samenwerkte. Ik kwam daar dus
aan de balie met de bedoeling om zo’n
derden-rekening te openen. Toen ik
vertelde dat de rekening bedoeld was voor gelden van een overleden cliënt,
vroeg de
bankmedewerkster of ik advocaat of notaris was en of ik een
uittreksel van het Handelsregister bij mij had. Ik antwoordde haar dat ik
geen zelfstandig ondernemer was, maar in loondienst werkzaam en ik dus
niets met het Handelsregister te maken had.
Zij vertelde mij dat een
derden-rekening een zogenaamde zakelijke rekening
was en dat daarvoor toch echt een uittreksel nodig was. Op mijn verzoek
heeft zij nog navraag gedaan bij een andere bankmedewerker, maar deze
bevestigde haar standpunt. Het feit dat het niet mogelijk bleek om een
bankrekening te openen, irriteerde mij enigszins. Achteraf besefte ik ook
wel dat dit mede met mijn eigen onkunde te maken had; ik wist voordien
namelijk niet dat voor een zakelijke rekening een uittreksel van het
Handelsregister vereist was. Ik had nog nooit met zo’n kwestie te maken
gehad.
Het ging om een bedrag van 20.000 gulden en ik had geen zin om zo’n bedrag
mee naar huis te nemen. De
medewerkster adviseerde mij toen om een
rekening op mijn eigen naam te openen, maar ik vertelde haar dat ik dat
wat vreemd vond omdat het andermans geld betrof. Uiteindelijk stelde zij
toen voor om een zogenaamde ‘beheerrekening’ te openen. Dit was weliswaar
een rekening met mijn naam, maar waar het woord ‘beheerrekening’ op
vermeld stond. Dit vond ik een goede oplossing, want dit leek mij toch
bijna zoiets als hetgeen ik had bedoeld. Zo is de rekening dan ook
geopend, met de duidelijk vermelding dat het een
beheerrekening betrof.
Het geld heb ik hier vervolgens op gestort.
Omdat de oplossing nogal enige tijd had geduurd, heb ik er onderwijl nog
even aan gedacht om het geld tijdelijk op mijn eigen postgiro te storten.
Gelukkig heb ik dat niet gedaan want dat had later ongetwijfeld tot
onbegrip bij de politie geleid, maar formeel was ik daartoe gerechtigd
geweest omdat ik als executeur op grond van de inhoud van de zgn.
verklaring van executele alles inzake de nalatenschap onder mij had kunnen
nemen. Pas in 2004 zou een altijd door de politie
achtergehouden
verklaring opduiken waarin de bankmedewerkster de gang van zaken, exact
als hiervoor beschreven, verklaarde.
Nadat ik toestemming had verkregen van de politie, ben ik gestart met het
aanschrijving van de legatarissen inzake het bedrag dat hen op grond van
het testament toekwam. Voor één van hen (een ex-patiënt) heb ik – na eerst
een oproep in een landelijk dagblad te hebben laten plaatsen - de politie
nog om hulp moeten vagen omdat deze man niet traceerbaar was en de oproep
niet tot een reactie had geleid. Via de politie heb ik toen zijn adres
gekregen.
In die periode werd ik ook nog een keer gebeld uit Luxemburg door de
rechercheur waar ik steeds contact mee had. Ik was op dat moment onderweg.
De recherche had ontdekt dat de Wittenbergs een geheime bankrekening in
Luxemburg hadden. Ik hoorde dit nu voor het eerst, want de zij hadden mij
daar nooit iets over verteld. Alhoewel het ongebruikelijk was, vroeg de
rechercheur mij of ik per telefoon toestemming wilde geven om de
bankgegevens te mogen inzien. Ik meen dat ik toen een bankdirecteur aan de
lijn kreeg en ik bevestigde dat ik daar geen bezwaar tegen had. Pas later
vernam ik dat er op dat moment geen saldo meer op de rekening stond. Na
het overlijden van haar man bleek mevrouw Wittenberg met een ex-patiënt
naar Luxemburg te zijn gegaan om de rekening leeg te halen. Het laatste
toen in contanten opgenomen bedrag was
60.000 gulden geweest. Volgens de
ex-patiënt had zij dit thuis bewaard, maar na de moord is dit geld niet in
haar woning gevonden. In haar woning was slechts 3.000 gulden aangetroffen
en in de kluis van haar bank in Deventer 17.000 gulden. (Dat was de 20.000
welke ik op de geopende bankrekening had afgestort.) Die kwestie is dus
altijd nogal vaag gebleven. Het kan natuurlijk zijn dat zij van dat bedrag
de 14.000 voor het paard had betaald, maar dan nog blijft er een verschil
over.
5) Vrijdag 19 november 1999: Arrestatie
De volledige afwikkeling van testament en boedel heb ik niet meer
meegemaakt omdat ik op vrijdag 19 november ben gearresteerd, een
krankzinnige gebeurtenis welke ik zal proberen te beschrijven.
Zoals hiervoor al aangegeven heb ik diverse malen contact met de politie
gehad. Ik ben een paar keer op hun verzoek op het politiebureau in
Deventer geweest omdat zij gereed waren met het onderzoek aan zaken uit de
woning. Die spullen kreeg ik dan mee waarbij de ruime bagageruimte van
mijn auto dan vaak goed van pas kwam. Donderdag 18 november werd ik
wederom gebeld met de vraag of ik de volgende dag langs wilde komen. De
volgende vrijdag had ik om 17.30 uur een afspraak met een cliënt in
Harderwijk zodat ik antwoordde dat 15.30 uur mij het best schikte. Dat was
akkoord.
Op het plein voor het bureau waar je gewoonlijk kon parkeren stond een
grote tent. In de veronderstelling dat ik weer spullen moest meenemen,
plaatste ik mijn auto naast de tent op een daar niet voor bedoelde plek,
hetgeen ik tegen de agent achter de balie vertelde. Het was geen probleem.
Zoals gewoonlijk moest
ik even wachten in de hal tot iemand van de recherche mij kwam halen. Het
duurde die dag nogal lang. De man die uiteindelijk naar beneden kwam en
mij voorging naar de lift kende ik niet. In de lift spraken wij nog over
de tent voor het bureau. Het bleek om een informatiedag te gaan voor
geïnteresseerden voor een baan bij de politie. De weg op de bovenste etage
kende ik inmiddels al. Zoals gewoonlijk wilde ik al naar de kantine lopen,
maar de man verzocht mij in een kamer rechts voor de kantine plaats te
nemen. Vervolgens verontschuldigde hij zich. Het duurde al weer lang.
Omdat ik nog en afspraak in Harderwijk had, dacht ik eraan om zelf maar
iemand op te zoeken om te zeggen dat ik niet zo veel tijd had. Maar voor
het zover kwam, was de man er weer, ging zitten en vertelde mij dat ik
werd aangehouden omdat ik verdacht werd van de moord. Hij zal het wel in
andere woorden hebben gezegd, maar hier kwam het wel op neer. Hij vertelde
mij dit direct nadat hij was gaan zitten, in slechts enkele woorden en
zonder enige inleiding. Wat er op dat moment door mij heen ging, kan ik
niet precies beschrijven. Ik geloof dat dit in eerste instantie niet eens
zoveel was. Nu had je op TV programma’s waarbij mensen in de maling worden
genomen. Zoiets heeft, geloof ik, wel even door mijn gedachten geflitst.
Maar dan slechts heel kort, want ik begreep dat je over zoiets geen grap
maakt en dat de man het serieus bedoelde. Eigenlijk direct komt er dan een
soort woede in je op. Ik geloof dat mijn eerste woorden waren: “wat is dit
voor onzin!” Het zal voor iemand die zoiets niet heeft meegemaakt niet te
begrijpen zijn, maar het is een onvoorstelbaar krankzinnige situatie om
zomaar, plotsklaps, door iemand die je nooit eerder hebt gezien, van een
moord te worden beschuldigd. Meer kon ik tegen de man ook niet zeggen,
want direct na zijn mededeling stond hij op en terwijl hij de kamer
verliet, kwamen twee rechercheurs de kamer binnen waarvan ik er één kende.
Dat was namelijk de man waar ik al meermaals contact mee had gehad,
dezelfde rechercheur die ook de maandag na de moord bij mij op kantoor was
geweest. De ander was een zowel letterlijk als figuurlijk nogal grijs
overkomend persoon. Het gekke is dat er vervolgens ontzettend veel door je
hoofd gaat. Eén van de eerste dingen na binnenkomst van die mannen was ‘ik
heb nu geen tijd om met die mannen te praten, want ik moet om 17.30 uur in
Harderwijk zijn’. Er wordt dan voor gezorgd dat de cliënt wordt
geïnformeerd over het feit dat je bent verhinderd. Vervolgens wil je er op
aansturen dat ze wel opschieten met hun vragen, want tegen mijn vrouw had
ik gezegd dat ik om ongeveer 19.00 uur thuis zou zijn. Steeds blijf je
denken ‘ik zal die mannen even duidelijk maken dat ze het fout hebben en
dan ga ik naar huis’.
Maar zo werkt het in de praktijk niet. Wat ik toen nog niet wist, is dat
men iemand in ieder geval drie dagen kan vasthouden (dit heet
inverzekeringstelling). Er werd mij gevraagd waar ik mij bevond toen in op
donderdagavond 23 september met het slachtoffer had gebeld. Nu kon ik die
vraag niet à la minute beantwoorden want die datum was inmiddels twee
maanden geleden. Er werd mij ook voorgehouden dat ik indertijd had gezegd
dat ik om 20.00 uur had gebeld, maar dat zij dit hadden gecontroleerd en
dat gebleken was dat ik om 20.36 uur had gebeld. Echter, twee maanden
geleden was mij niet naar een exact tijdstip gevraagd. Ik had toen grofweg
een tijd genoemd; ik zou ook toen niet geweten hebben hoe laat ik exact
had gebeld. Ik zag op dat moment het probleem van dat half uur verschil
ook niet, alhoewel die twee mannen het schijnbaar nogal van belang vonden.
Nu mocht ik mijn agenda gebruiken en aan de hand daarvan kon ik mij na
enige tijd de toenmalige situatie weer vrij redelijk voor de geest halen;
dit temeer toen ik ook de andere dagen bekeek. Het tijdstip 20.36 uur
hielp mij ook daarbij. Omdat ik op de
weekend-pagina’s met grote letters FEEST (in België) had geschreven, kwam
ik - terugredenerend –
ook weer op het stoten aan de fietstrainer en daarmee aan de vraag om
direct na thuiskomst (omdat mijn zoontje net in bed lag en nog niet sliep)
een lamp vanachter dak te halen. De vrijdag hielp mij daarbij ook nog
omdat ik toen een afspraak had in Amsterdam bij een cliënt die ik had
meegenomen van mijn vorige werkgever en dat was naast zakelijk ook altijd
een gezellig bezoek.
Dus al doende kwam ik erop dat ik ongeveer 21.00 uur thuis moest zijn
gekomen. Omdat ik normaliter vanuit Utrecht rond 20.30 uur thuiskwam,
herinnerde ik mij ook weer aan de
file en bijkomende bijzonderheden. Dat
alles had inderdaad zo’n half uur tijd gekost.
Wederom het telefoongesprek
Het door de politie vermelde beltijdstip 20.36 uur maakte het beeld nog
duidelijker, want dit maakte het mij mogelijk om terug te rekenen. Ik had
die avond de afslag ’t Harde genomen. Echter, zoals eerder geschreven,
reed ik die route al vele jaren en ik wist dat de afstand ‘afslag ’t Harde
tot huis’ een klein half uur in beslag nam. Uitgaande van de situatie dat
ik rond / kort na 21.00 uur thuis was gekomen, moest ik mij dus om 20.36
uur ergens in de buurt van ’t Harde hebben bevonden. Daaruit heb ik dan
ook afgeleid (omdat ik eerder op de snelweg bel dan op een tweebaansweg)
dat ik op de snelweg nabij ’t Harde moest hebben gebeld. Nu heb ik nooit
gezegd dat ik in of bij ’t Harde heb gebeld, want het punt van
daadwerkelijk bellen weet ik natuurlijk niet. Ik heb dan ook alleen gezegd
dat ik ergens tussen het viaduct Harderwijk en de afslag ’t Harde zal
hebben gebeld en dat ik verwachtte dat – vanwege het tijdstip 20.36 uur –
het eerder nabij ’t Harde dan nabij het viaduct Harderwijk zal zijn
geweest. Dat stuk weg neemt per auto ook slechts een minuut of vijf in
beslag. Jaren later zou worden bepaald dat ik hoogstwaarschijnlijk nabij
Nunspeet zal hebben gebeld; dat is inderdaad nabij ’t Harde.
Vervolgens werd mij echter verteld dat de KPN zou hebben verklaard dat
mijn mobiele telefoongesprek was binnengekomen op een gsm-mast in Deventer
(dit wordt een cell genoemd) en deze gsm-mast/cell zou het nummer 14501
hebben. De 5 heb ik onderstreept omdat dit cijfer later nog van belang zal
worden.
Deze mast staat op de kerk in Deventer. Volgens de politie had de KPN hen
meegedeeld dat ik mij alsdan in de buurt van die cell 14501 moest hebben
bevonden tijdens het bellen. Ik kon hen alleen maar antwoorden dat ik die
avond beslist niet in Deventer was geweest.
De brief die ik wel maar ook weer niet zien mocht
Vervolgens werd ik voor eigenwijs uitgemaakt omdat, naar hun zeggen, de
KPN in een brief zou hebben vermeld dat e.e.a. onomstotelijk vaststond.
Toen ik zei dat ik die brief dan wel eens zou willen zien, moest één van
beiden eerst de kamer uit om te overleggen. Na enige tijd kwam hij terug
met een brief, welke zij mij vanaf de andere kant van de tafel toonden.
Toen ik vroeg om deze te mogen lezen, werd de brief voor mij neergelegd
maar de rechercheur hield zijn hand erop. Het waren twee A-4-tjes. Ik
begreep uit hun vreemde gedrag dat ik het tweede blad niet mocht lezen. Op
het voorblad stond geen conclusie. Toen ik echter het eerste blad opsloeg,
las ik in de laatste alinea de woorden ‘niet waarschijnlijk’. Zodoende kon
ik hun vertellen dat de KPN dus helemaal niet over ‘onomstotelijk bewezen’
sprak. In de brief schreef de KPN namelijk dat het niet waarschijnlijk was
dat het gesprek van buiten Deventer of van buiten de nabijheid van
Deventer was gevoerd. Ik moest echter toegeven dat ik het zelf ook vreemd
vond want ik was zelfs niet in de nabijheid van Deventer geweest.
Veel later zou blijken dat de snelweg van waar af ik had gebeld op een
afstand van 22 kilometer vanaf cell 14501 lag en bovendien dat deze cell
in noord-westelijke richting was opgesteld, dus precies in de richting van
de bedoelde snelweg. Daarbij straalde de cell over de IJssel en een
wateropervlak zorgt voor reflecties waarbij signalen verder kunnen dragen
dan normaal. In principe is het bereik van een cell zelfs 35 kilometer.
Het zou overigens nog tot 2002 duren voordat ingeschakelde gsm-experts
werden ingeschakeld (door mensen die mij inmiddels hielpen) en hierover
middels een uitgebreid rapport verklaarden.
Maar zoals hiervoor geschreven, op dat moment vond ik het zelf ook vreemd.
Ik kon zelfs begrijpen dat die rechercheurs het abnormaal vonden.
Normaliter bel je namelijk niet over 35 km in, maar wordt de
dichtsbijzijnde cell aangeseind. Pas als deze cell ‘vol’ is, wordt de
volgende cell gekozen en zodoende zou je dan bij volle belasting van een
aantal cellen eventueel een cell op 35 km kunnen aanseinen. N.B.: uit het
later te bespreken expertise-rapport van 2002 zou trouwens blijken dat
regelmatig nog grotere afstanden dan 35 km worden overbrugd. Maar dit
laatste wist ik toen natuurlijk allemaal niet.
Mijn gedachte dat ik snel naar huis kon, kwam niet uit. Na enige tijd
kreeg ik een soort papieren overall en moest ik als mijn kleding alsmede
schoenen inleveren. Het gesprek was een eindeloos gesteggel. Ik kon niets
anders zeggen dan dat ik zeker wist dat ik op het tijdstip van mijn bellen
niet in Deventer was geweest. De mededeling dat ik moest blijven werd
gedaan door een vrouw die opeens binnenkwam. Ik kon haar niet goed zien
omdat zij bij de deur bleef staan. Het viel mij op dat ik haar gedrag wat
vreemd vond; zij stond op een wat zenuwachtige wijze met haar rug tegen de
deur geleund. Zij sprak ook niet rechtstreeks tot mij, maar meer tot de
rechercheurs. Direct na haar mededeling verliet zij de kamer. Naderhand
heb ik haar leren kennen als mevrouw Duyts, de dienstdoende officier van
justitie in deze zaak.
Ik kan de lezer verzekeren dat het nogal wat is om van een moord te worden
beschuldigd en toen ik ook nog te horen kreeg dat ik niet naar huis mocht,
overviel mij een soort paniekgevoel. Ik was ’s nachts nog nooit van huis
geweest. Ik vroeg mij constant af hoe het met mijn vrouw en kinderen zou
gaan. Ik had al gehoord dat er direct na mijn aanhouding thuis een
huiszoeking had plaatsgevonden. Mijn kinderen waren toen 11 en 13 jaar.
Het paniekgevoel was een soort combinatie van afwisselend woede en
verdriet. Ik werd die avond naar een cel gebracht, een hok waar alles van
beton is, behalve een plastic matras en dito kussen. Verder papieren
lakens en een vieze deken met de nodige brandgaten. Als je vragen hebt,
moet je op een knop drukken. In zo’n cel komt geen daglicht. Recht boven
het matras bevonden zich twee nogal felle lampen. Mijn horloge was ook
afgenomen. Ik weet dan ook niet hoe lang ik zo heb gezeten toen ik op de
knop drukte en vroeg of het licht uit kon. Dat mocht echter niet.
Slapen kon ik uiteraard niet. Toch word je moe. Uiteindelijk ben ik af en
toe ingedut, maar als je dan wakker wordt, heb je geen idee hoe laat het
is.
6) VERHOORMETHODES; DE BANKREKENING; HET MALTA-VERHAAL
Verhoormethode
Ik geloof dat ik daar acht tot tien dagen in dezelfde omstandigheden heb
doorgebracht. Mede vanwege het constante licht en de moeite om te slapen,
heb ik moeten ervaren dat een mens, althans in ieder geval mijn persoon,
binnen twee à drie dagen psychisch kan aftakelen op een wijze zoals ik dat
mij nooit had kunnen voorstellen. Veel later was ik pas in staat om te
beredeneren wat de oorzaak was dat ik zo snel in een soort labiele
toestand kwam. Het moet een combinatie zijn geweest van onzekerheid over
de thuissituatie, te weinig slaap, constant fel licht, geen gevoel van
tijd, absurde beschuldigingen en langdurige verhoren. Het probleem in zo’n
situatie is dat je op dat moment niet in staat bent om zoiets te
beredeneren. Het is net alsof je steeds verder wegzakt. Op den duur slaap
je wel wat, maar je hebt onvoldoende rust. Als het verhoor ’s morgens
begint, voel je je nog wel helder, maar dat verdwijnt al snel en steeds
sneller naarmate de dagen verstrijken. Als er tijdens een verhoor een wat
langere stilte viel, ben ik meermaals gewoon in slaap gevallen, terwijl
die mannen tegenover mij zaten. Het heeft, denk ik, weinig zin om hier
meer over te vertellen want ik weet wel zeker dat een ander zich een
dergelijke situatie toch niet kan voorstellen.
Ik heb het mijzelf jarenlang kwalijk genomen dat ik het heb laten gebeuren
dat ik in zo’n labiele toestand ben beland. Ik heb daar echter wat afstand
van kunnen nemen toen ik in 2003 in contact kwam met de heer Knoops. Hij
vertelde mij van zijn ervaring bij het korps mariniers, waar zelfs
aankomend officieren bij verhorentrainingen – dus in situaties waarin zij
weten dat het een spel is – af en toe door huilbuien worden overmand.
Maar er komt nog iets bij. Zoals al geschreven zijn de verhoren vaak een
herhaling van de voorgaande dagen. Echter, het gaat heel vaak niet om de
zaak waarvan je wordt beschuldigd. Als je je een moment wat beter voelt,
beginnen ze over je gezin te praten. Nu kon ik natuurlijk ook wel
begrijpen hoe beroerd ze het thuis moesten hebben. Maar er werden mij
dingen verteld waarvan ik pas weken later (toen ik bezoek mocht ontvangen)
zou vernemen dat deze helemaal niet waar waren geweest en mij uitsluitend
werden verteld om mij nog dieper in de put te krijgen. En het punt daarbij
is, dat je in zo’n situatie niet in staat bent om te onderkennen dat er
leugens worden verteld. Nog sterker, er is zelfs een soort gevoel van
dankbaarheid dat ze in ieder geval iets over de omstandigheden van je
gezin meedelen. Een ander kan dit uiteraard niet begrijpen, maar iets over
je gezin vernemen is beter dan niets. Achteraf is het spel mij duidelijk
geworden. Er wordt ingespeeld op je wankele gestel en vermoeidheid; aan
het eind van de dag voel je je nog slechter dan aan het begin. Heel vaak
was het zo dat nadat ’s avonds het verhoor was beëindigd er iemand
binnenkwam die dan vertelde dat hij je vrouw en kinderen had gesproken.
Hij vertelde dan over hun slechte situatie. Zo werd mij een keer verteld
dat mijn kinderen maar thuisbleven omdat ze niet meer dan naar school
durfden. Weken later hoorde ik dat hier niets van waar was geweest; gewoon
één van de vele leugens. Maar ik geloofde het allemaal. Dit soort zaken
zorgen er mede voor dat je psychisch bijna volledig kapot gaat. Degenen
die je verhoren spelen daar dan op in door te zeggen dat je gezin heel
nodig hulp nodig heeft, maar dat hulp bij instanties alleen maar mogelijk
is als je eerst zegt wat zij willen horen. Het werd gebracht alsof zij er
op uit waren om mijn gezin te willen helpen en het alleen maar aan mij lag
of die hulp er zou kunnen komen. Ondanks dat zij erin zijn geslaagd om mij
behoorlijk in de maling te nemen, begreep ik nog wel dat hun woorden ‘hulp
door instanties zou alleen mogelijk zijn als ik ondertekende hetgeen zij
wilden’ niet juist waren.
In een land dat het tot een zekere beschaving heeft gebracht, vind ik het
zeer onbehoorlijk dat de overheid iemand via zijn gezin onder druk zet met
het doel hem iets te doen verklaren dat niet overeenkomstig de waarheid
is. Het is een vorm van psychische marteling. Als de keus had bestaan, had
ik gekozen voor lichamelijke marteling omdat ik veronderstel dat je
lichaam het dan eerder begeeft dan bij de psychische variant en je aldus
mogelijk eerder uit je lijden verlost bent. Onlangs vernam ik van mijn
advocaat dat de politie bij de verhoren gebruik had gemaakt van de
adviezen van een psycholoog. Wat een zieke geest moet deze psycholoog
hebben gehad!
Beschuldiging bankrekening
Ik werd beschuldigd van het hebben van een financieel motief omdat ik de
hiervoor reeds beschreven bankrekening op mijn eigen naam zou hebben
geopend. Inderdaad stond mijn naam op die rekening, maar er stond ook bij
dat het een beheerrekening betrof. Bovendien vertelde ik hoe het openen
van de rekening was verlopen. Daarbij deden zij het voorkomen alsof zij
hadden ‘ontdekt’ dat ik een geldbedrag uit de boedel op die rekening had
gestort. Ik kon dan wel antwoorden dat de politie zelf mij op dat bedrag
in de kluis had gewezen en dat de zij mij de kluissleutels hadden
overhandigd (voor welke ontvangst ik had getekend), maar het leek steeds
alsof hetgeen ik verklaarde voor hen van geen enkel belang was. Bovendien
was het een beschuldiging die in feite kant nog wal raakte, want zelfs in
het geval het woord ‘beheerrekening’ zou hebben ontbroken, dan was het nog
geen reden geweest om mij hiermee te beschuldigen. Ik heb mijn verklaring
toen zelfs nog met een extreem voorbeeld verduidelijkt door het voorbeeld
te noemen van het geval dat indien ik alle waarden van de nalatenschap
contant zou hebben gemaakt en ik met alle contanten (dus zo’n 3 miljoen)
uitpuilend uit mijn zakken over straat zou hebben gelopen, dat er dan nog
niets aan de hand zou geweest, want op grond van de ‘verklaring van
executele’ was ik gerechtigd om alles aangaande de nalatenschap onder mij
te nemen. Zelfs in het geval van dit laatste extreme voorbeeld was er
zelfs geen reden geweest om mij te beschuldigen. Want pas op het moment
dat ik mijn handelingen aan het eind van de afhandeling moest
verantwoorden, zou er reden kunnen zijn voor enige aantijging in het geval
er op dat moment enige waarde zou ontbreken. Het zou echter überhaupt niet
mogelijk zijn geweest om iets aan de boedel te onttrekken, want dat zou
natuurlijk heel snel bij anderen zijn opgevallen. Het was echter net alsof
ik het voorgaande maar niet aan die mannen duidelijk kon maken, alsof zij
mij niet begrepen of niet wilden begrijpen. Het ‘niet kunnen duidelijk
maken van hetgeen ik bedoelde’ was om wanhopig van te worden. Achteraf
weet ik eigenlijk niet of die mannen het echt niet begrepen of het niet
wilden begrijpen. Ik sluit niet uit dat zij in het geheel niet wisten hoe
een boedelafwikkeling in z’n werk ging. Tot voor kort wist ik dat
natuurlijk ook niet. Maar als zij er geen verstand van hadden, dan ben ik
toch van mening dat zij zich erin hadden behoren te verdiepen en in ieder
geval de documenten hadden moeten lezen waarnaar ik verwees. Bovendien heb
ik vele malen gezegd dat zij contact op moesten nemen met een notaris om
zich te laten voorlichten en aldus te vernemen dat ik geheel volgens de
regels had gehandeld. Volgens mij hebben zij dat nooit gedaan, want anders
hadden zij hun beschuldigingen niet zo lang volgehouden.
In mijn boosheid heb ik hen ook wel eens van domheid beschuldigd. Achteraf
had ik dat waarschijnlijk niet moeten doen, want dergelijke politiemensen
jaag je daarmee tegen je in het harnas. Maar ja, in dat soort situaties
welt nu eenmaal woede in je op en zeg je dingen die je misschien beter
voor je kunt houden.
Het Malta-verhaal
Op een dag kwamen zij opeens met de beschuldiging dat ik een woning op
Malta wilde kopen en dat dit mijn financiële motief zou zijn. Toen zij dit
zo vertelden, begreep ik er echt helemaal niets van. Ik was nog nooit op
Malta geweest. Ik zou toen niet eens in staat zijn geweest om het eiland
op de kaart aan te wijzen. Ik was op vakantie nooit verder geweest dan Noord-Italië en Noord-Spanje. Ik had zelfs nog nooit in een vliegtuig
gezeten. Het kwam op mij over als onvoorstelbare waanzin, maar het werd
mij wel op een serieuze manier voorgehouden. Pas toen zij mij vertelden
waar dit verhaal vandaan kwam, ging mij een lichtje op.
Ik had met ons kantoorhoofd besproken of hij voor de toekomstige stichting
als penningmeester wilde fungeren. Hij was daarmee akkoord. De
secretaresse van kantoor was bereid om de secretariaatswerkzaamheden voor
de stichting te verzorgen. Na mijn aanhouding had de politie ook het
kantoor onderzocht en alle medewerkers gehoord. Mijn ondervragers
vertelden mij dat het kantoorhoofd had verteld dat ik op kantoor over een
woning op Malta had gesproken. Ik had echter niet over ‘een woning op
Malta’ gesproken, maar over ‘het wonen op Malta’. Wat was het geval? In de
periode augustus/september van dat jaar was op de TV een serie uitgezonden
onder de naam ‘Belastingparadijzen’. Dit waren een achttal wekelijkse
afleveringen (ik geloof op zondagavond) en herhalingen van een jaar
daarvoor. Als belastingadviseur kijk je nu eenmaal naar dat soort
programma’s. Medici (dus ook die uit mijn klantenkring) hebben nogal eens
de neiging om na hun persionering elders te gaan wonen en het is zinvol om
daar wat kennis over te hebben. De dag na zo’n uitzending wordt er onder
de collega’s ook over gesproken. Ik kan mij o.a. uitzendingen herinneren
over inderdaad Malta, maar ook over de Antillen, Gibraltar, België en
Andorra. Malta was een van de oorden welke eruit sprong vanwege de eenvoud
van het fiscale systeem voor buitenlanders.
Ik vertelde de rechercheurs hoe ‘Malta’ in de wereld moest zijn gekomen en
vroeg hen om het kantoorhoofd wederom te bezoeken en hem eraan te
herinneren dat ik weliswaar best iets over Malta zou hebben gezegd, maar
dan wel naar aanleiding van de TV-serie waar hijzelf ook naar keek. Zowaar
hebben die mannen dit gedaan en het kantoorhoofd heeft bevestigd dat er in
die zin over Malta was gesproken. Overigens in een (veel) later stadium is
deze collega nog gehoord door het hof in Arnhem en daar voegde hij er nog
aan toe dat hij kon herinneren dat hij zelf wel eens naar aanleiding van
die serie had gesproken over de Antillen. Ik kom hier later nog op terug,
maar ondanks dat bij dit hof Arnhem nogmaals werd bevestigd dat over Malta
was gesproken n.a.v. de serie, schreef dit hof brutaalweg in haar arrest
dat ik een financieel motief zou hebben gehad en wel de voorgenomen
aankoop van een woning op Malta. Het hof heeft het woord Malta zelfs nog
met vette letters in haar arrest gezet!
De tweede dag werd ik bezocht door een advocaat. Ik heb haar verteld wat
ik wist en zij beloofde mij te helpen. Zij zou contact opnemen met mijn
vrouw en mijn werkgever.
Na drie dagen moet een inverzekeringgestelde voor een rechter-commissaris
(r-c) worden geleid die moet bepalen of langere gevangenhouding is
toegestaan. Kort daarvoor had ik nog een gesprek met mijn advocaat waarbij
zij mij vertelde dat zij bij een kennis navraag had gedaan over het bereik
van gsm-masten. Zij wist mij toen al te vertellen dat het mogelijke bereik
van zo’n mast 35 km was, welke informatie zelfs op het internet te vinden
bleek te zijn. De r-c was een vrouw. Toen ik binnenkwam zat zij over een
papier gebogen waardoor haar gezicht achter haar haren schuilging. Haar
naam was mevrouw Bins-van Waegeningh, een deftige naam maar van normale
omgangsmanieren bleek zij geen weet te hebben. Ik vind het bijvoorbeeld
normaal dat je iemand een hand geeft bij een ontmoeting. Nou, ik werd haar
kantoor binnengebracht en wilde haar een hand geven, maar zij bleef gewoon
zo zitten (met dat haar voor het gezicht), keek niet op of om en reageerde
niet toen ik ter begroeting iets zei, zodat ik mij nogal ongemakkelijk
begon te voelen. Ik keek naar mijn advocaat en die duidde naar een stoel
om te gaan zitten. Nog steeds vanachter haar haardos begon de r-c toen
iets te dicteren aan een griffier die naast haar zat. Op enig moment zei
ze dat ik in Deventer was geweest maar dat ik dit ontkende, hetgeen ik
bevestigde. Zij begon toen over de brief van de KPN, waarop ik vertelde
over de discussie welke ik met de rechercheur had gehad over de inhoud van
die brief en dat daar helemaal niet instond dat ik volgens de KPN
onomstotelijk in Deventer zou zijn geweest. Mijn advocate merkte daarbij
op hetgeen zij in het weekend had gehoord over het bereik van zo’n mast.
De afstand vanaf de snelweg tot aan de mast was al bekend (22 km) zodat
zij erbij kon vertellen dat de afstand ruim onder het bereik bleef.
Echter, hetgeen mijn advocate vertelde, leek haar in het geheel niet te
interesseren. De brief van de KPN was het enige dat zij van belang vond.
Omdat ik nog steeds tegen die haardos zat aan te kijken, raakte ik wat
geïrriteerd en vroeg of zij niet even op het internet kon kijken omtrent
het mastbereik; de griffier naast haar zat namelijk achter een computer.
Die opmerking viel echter niet in goede aarde want het werd duidelijk dat
zij een langere gevangenhouding gedurende tien dagen (dit noemt men
‘bewaring’) zou toestaan. Ik heb toen nog gevraagd of zij soms te stom was
om iets op het internet op te zoeken. Toen ik de kamer verliet, had ik
haar gezicht nog steeds niet gezien.
Misschien dat het vanwege mijn opmerking was geweest, maar in ieder geval
zou zij kort daarna nog ‘wraak’ nemen, althans ik heb geen andere
verklaring voor haar gedrag. Zij is r-c, en de bedoeling van de wetgever
is dat zij onafhankelijk is.
Op diverse papieren welke volgden kon ik het handschrift van mevrouw Bins
zien, vanwege de opvallende rondingen. Zoals ik al eerder heb geschreven,
heb ik zo’n 4 tot 5 weken ‘op beperkingen’ gezeten, hetgeen inhield dat ik
geen contact met de buitenwereld had. Omdat het ontbreken van contact met
elkaar voor zowel mijn gezin als mijzelf steeds problematischer werd,
heeft mijn advocaat erop aangedrongen dat wij elkaar konden schrijven. De
tekst zou echter niet over de zaak mogen gaan.
Zowel mijn vrouw en kinderen als ik moesten deze brieven dan eerst naar
r-c Bins zenden en deze zou na lezing en akkoordbevinding de brieven
doorsturen. Bij de eerste wederzijdse brief ging dat goed; de
begrijpelijke vertraging was 1 of 2 dagen. Maar daarna liet de post zeer
lang op zich wachten. Achteraf vernam ik pas dat zij dit thuis ook hadden
gesignaleerd. Toen ik dit met mijn advocaat besprak, wist zij mij te
vertellen dat zowel vrouw en kinderen meerdere brieven en kaarten voor mij
hadden geschreven, zoals ook ik dagelijks schreef. Na tussenkomst van mijn
advocaat kreeg ik op enig moment meerdere poststukken. Zonder dat dit de
bedoeling zal zijn geweest, zat er echter een briefje tussen dat mijn
vrouw aan deze r-c Bins had geschreven met de tekst: ‘geachte mevrouw Bins,
wilt u deze brief na lezing aan Ernest Louwes sturen.....’.
Tot mijn grote verontwaardiging herkende ik op de achterkant van dit
briefje het handschrift van mevrouw Bins. Zij had hierop geschreven: “mag
door, maar maak er absoluut geen haast mee.”
Natuurlijk stelde ik mij daarna steeds de vraag: is zoiets nu passend
gedrag voor een onafhankelijke rechterlijke instantie (hetgeen de wetgever
heeft bedoeld) of werd er wraak op mij genomen?
7) 29 en 30 november 1999: Verlengen of niet – weer het telefoongesprek
Op 30 november zou de door r-c Bins bevolen bewaringstermijn van 10 dagen
verlopen. Vervolgens moet dan de zgn. Raadkamer van de rechtbank beslissen
of je in vrijheid wordt gesteld of dat deze raadkamer tot gevangenhouding
van maximaal 30 dagen besluit. Nu verwachtte ik dat de raadkamer mij in
vrijheid zou stellen. Ik had namelijk de indruk dat de politie inmiddels
moest hebben begrepen dat ik mij geen gelden uit de boedel had toegeëigend
of überhaupt ook maar de mogelijkheid zou hebben gehad om hiertoe in staat
te zijn geweest. Vreemd bleef nog wel het telefoonverhaal, maar aangezien
het bereik van zo’n cell aanmerkelijk groter was dan de politie
aanvankelijk had verondersteld, nam ik aan dat hier de oorzaak in zou
zitten.
Nutteloze telefoon-naspeuringen
Het moet 28 november 1999 zijn geweest toen de politie mij verslag deed
van een – naar hun mening – uitgebreid en belangwekkend onderzoek. Wat
hadden zij gedaan? Zij hadden over een aantal maanden de afspraken in mijn
agenda nagelopen en tevens aan de hand van mijn gereden routes (die ze
niet konden weten) gekeken op welke cell mijn mobiele gesprekken op een
bepaalde dag waren binnengekomen. Zij vertelden dat zij hier vele dagen
mee bezig waren geweest en dat het onderzoek had uitgewezen dat mijn
gesprekken steeds door de dichtsbijgelegen cell waren ontvangen. Ondanks
dat ik in de dagen niet tot de meest helder denkenden behoorde, kon ik hen
direct antwoorden dat het een zinloos onderzoek was geweest. Behalve het
begintijdstip van een afspraak was aan de hand van mijn agenda namelijk
nooit te zien hoe laat ik ergens in Nederland op een bepaalde plek was
geweest zodat nooit controleerbaar was op welke afstand ik mij al rijdend
van een bepaalde cell bevond. Bovendien was niet controleerbaar welke
route ik op een bepaalde dag had gereden. Om een voorbeeld te noemen: als
ik na een afspraak bij een cliënt in Enschede naar mijn kantoor in Zwolle
rijd, zal ik op een druk tijdstip de snelweg nemen (en dus omrijden) en
als het niet druk is, zal ik de kortste weg binnendoor via Nijverdal
nemen. Als dan op die dag een gesprek is binnengekomen op de cell bij
Holten is het onmogelijk te bepalen waar ik op dat moment reed. Dat zou
inderdaad dicht bij Holten kunnen zijn als ik voor de snelweg had gekozen,
maar misschien was ik nog ver van Holten verwijderd of er al voorbij.
Misschien had ik wel de weg via Nijverdal gekozen.
Het was simpelweg een totaal nietszeggend onderzoek en ik kon aan de
ondervragers zien dat zij dit ook al snel begrepen.
Cell 14801
Het onderzoek was dus verspilde tijd en zinloos, maar het bevatte een
element dat nog jaren nadien een rol zou gaan spelen en – althans naar
mijn mening de aanleiding is geweest voor een toenemend aantal vervalste
politieverslagen en processen-verbaal.
Op die lijst stonden namelijk allerlei cell-nummers. Misschien herinnert u
zich nog dat de cell in Deventer het nummer 14501 had. Op de lijst stonden
verder geen of bijna geen nummers die met 14... begonnen.
Vanwege dit laatste viel mij opeens het cell-nummer 14801 op. Omdat het
nummer zo op het nummer uit Deventer leek, vroeg ik waar deze cell stond.
Het bleek dat deze cell 14801 nabij ’t Harde stond. Voor mij was hiermee
de kwestie verklaard. Ik ben geen techneut, maar ik begreep dat hier op
één of andere manier een verwisseling van de cijfers 5 en 8 moest hebben
plaatsgevonden. Ik heb dit met mijn advocaat besproken en kort daarna had
zij een brief van de KPN waarin stond vermeld dat cell 14801 (dus die cell
nabij ’t Harde) op – u raadt het al – donderdagmiddag 23 september 1999
was gerepareerd. Bovendien bleek uit het dossier dat ik die 23e om 20.36
uur had gebeld, maar op het huistoestel van mevrouw Wittenberg was dit
gesprek om 20.25 uur binnengekomen. Dus een
tijdsverschil van 11 minuten
en nog wel een tijdsverschil terug in de tijd en aldus een onmogelijkheid.
Resumerend:
- -politie/KPN beweert dat mijn gesprek op de 23e september is binnengekomen
op cell 14501 te Deventer;
- -cell 14801 staat nabij ’t Harde (waar ik dus al dagen daarvoor had
verklaard dat ik mij daar ongeveer
had bevonden tijdens het bellen);
- -cell 14801 blijkt nu net precies op die 23e september te zijn
gerepareerd;
- -er is een (onmogelijk) tijdsverschil van 11 minuten terug in de tijd.
Zoals voormeld was de kwestie voor mij hiermee opgelost en verwachtte ik
dat de raadkamer mij eindelijk naar huis zou sturen.
Maar het zou allemaal anders lopen. Terwijl ik op de 29e november weer in
de verhoorkamer zit, komt er opeens iemand binnen die mij vraagt of ik mee
wil doen aan een geurtest. Ik denk: prima, alles wat mijn onschuld kan
aantonen doe ik aan mee. Het viel mij wel op dat de man wat zenuwachtig
was, maar ik had hem nog nooit eerder gezien, dus kon het goed zij dat die
man gewoon zenuwachtig van aard was.
Later zou ik de naam van deze man leren kennen: het was
Paul Martijn (Martijn
is zijn achternaam); hij bleek de hulp van een
hondengeleider te zijn.
Deze Martijn had een kistje bij zich met glazen potten. Hij gaf mij twee
metalen buisjes, één in iedere hand, en vertelde dat ik deze vijf minuten
moest vasthouden. Naar mijn gevoel had ik ze nog geen minuut vast toen hij
de buisjes al weer terugvroeg. Dit was dus op de 29e november.
Op dinsdag 30 november zit ik weer de hele dag in de verhoorruimte. De
volgende dag 1 december zou ik voor de Raadkamer moeten komen en ik was er
zeker van deze mij naar huis zouden sturen. Ik zou er om 09.00 uur moeten
zijn.
Het moet die 30e november laat in de avond zij geweest (dus stel minder
dan twaalf uren vóór de Raadkamer) toen mij zonder enige aanleiding opeens
het volgende door één van mijn ondervragers werd meegedeeld: “wij hebben
kort na de moord het moordwapen gevonden, een mes, en een hond heeft jouw
geur daarop aangetroffen waarmee
bewezen is dat jij de dader bent, voor
ons is de zaak nu rond”.
Om voor een ander te beschrijven hoe ik mij na deze mededeling voelde is
nagenoeg onmogelijk. Het was net of ik even zweefde. Ik was op dat moment
niet meer in staat om helder te denken.
Ik had nog nooit gehoord dat er ooit een mes was gevonden; dat hoorde ik
nu voor het eerst. Ik wist niet waar die geurtest op gericht was geweest.
Mijn gedachte was uitsluitend toen nog ‘ik doe overal aan mee want alles
wat ze doen, kan alleen maar duidelijk maken dat ik onschuldig ben’.
Achteraf, maar op dat moment was ik niet in staat om dit te beseffen, was
het heel vreemd dat ik nagenoeg direct na deze mededeling werd weggebracht
naar de cel. Nou kende ik van de TV wel het beeld dat mensen van ellende
niet meer op hun benen kunnen staan, maar eenmaal in de lift kon ik dat
ook niet meer en moest op de vloer gaan zitten. Pas later in de cel, lukte
het mij weer op alles zo goed als mogelijk op een rijtje te krijgen. Het
bizarre spel dat werd gespeeld had ik echter niet door; het zou nog lang
duren voordat ik daarover een goed beeld kreeg. Voor sommige aspecten zou
dat zelfs nog jaren duren. En dat ik er uiteindelijk achter ben gekomen,
is in feite uitsluitend te danken aan anderen die zich voor mij zijn gaan
inzetten.
Al schrijvend herinner ik mij nu nog een voorval waarbij er opeens een
politieman tijdens het verhoor nogal opgewonden de kamer binnenkwam en
vertelde dat men een op bloed lijkende vlek op mijn broek had ontdekt en
mij daarom vroeg of ik wilde meewerken aan een
dna-onderzoek. Ik had daar
geen bezwaar tegen, heb daarvoor getekend en eraan meegewerkt. Ik had het
vermoeden dat het een chocoladevlek zou zijn, want zoetwaar als chocolade
en ijs (Magnums) at ik al rijdend bijna dagelijks. Ik had weliswaar een
behoorlijke bekwaamheid om zonder knoeien Magnum-ijsjes weg te werken
(naar rechts gebogen boven de middenconsole), maar af en toe ging het nog
wel eens fout. Vlekken van mijn kleding verwijderde ik dan met een vochtig
doekje uit een plastic bus. En dat allemaal onder het rijden zonder ooit
een aanrijding te hebben gehad! Ik kon mij voorstellen dat zo’n vlek op
bloed kon lijken.
Achteraf bleek het te gaan om een bloedvlekje in mijn broekzak en het
bleek (uiteraard) om mijn eigen bloed te gaan. Op zich was dit vlekje niet
vreemd want ik heb altijd de vervelende eigenschap gehad om velletjes aan
de zijkant van mijn nagels weg te trekken of af te bijten. Wat hiervan
later nog van belang zou zijn, is het feit dat hierdoor in 1999 door het
NFI reeds mijn dna-structuur is vastgesteld en dat er toentertijd dus zeer
intensief naar sporen op mijn kleding blijkt te zijn gezocht.
8) Het mes
De volgende ochtend 1 december 1999 werd ik naar Zwolle gebracht om voor
de raadkamer te verschijnen. Kort voor de zitting kwam mijn advocaat naar
mij toe. Zij had zojuist twee A-4-tjes gekregen. Eén ervan toonde een
bebloed kledingstuk met daarop in bloed de afdruk van een lemmet. De
tweede foto toonde een foto van het ‘gevonden’ mes waaraan dus mijn geur
zou zitten. ‘Gevonden’ tussen aanhalingstekens omdat ik er in 2003/2004
aan ben gaan twijfelen of er wel ooit een mes is gevonden. Er zijn
namelijk vergaande aanwijzingen dat het mes op de foto een mes is dat de
politie uit hun archief heeft gehaald en wel een mes dat zij al anderhalf
jaar voor de moord in beslag hadden genomen en dat voorwerp was geweest in
een steekpartij. Dit zou blijken uit een brief van de politie aan de
advocaat-genaraal (A-G) welke wij - onbedoeld - eind 2003 in handen
kregen. Hierover uitgebreid later. Alhoewel de lemmetafdruk op de kleding
uiteraard een foto was, leek deze toch een andere vorm te hebben dan het
lemmet van de getoonde foto van het (gevonden) mes. Het mes zou verder
worden aangeduid als ‘mes P1’. Mijn advocaat was al opgevallen dat de
vormen niet overeenkwamen. De bloedafdruk toonde een lemmet met een wat
oplopende punt (zoiets als een hanekam), terwijl mes P1 een rechte
bovenkant had. Nergens stond iets beschreven waaruit bleek of het mes al
was onderzocht. Op dat moment wisten wij zelfs nog niet dat het mes reeds
enkele dagen na de moord zou zijn gevonden, terwijl de moord inmiddels al
meer dan twee maanden geleden was. Achteraf bleek dat wij dat ook niet
konden weten want de beschrijving van het ‘vinden’ van het mes zou pas
plaatsvinden in op 23 december 1999 en 13 januari 2000 opgemaakte
politierapporten. Let op: dit is dus meer dan drie maanden na de moord!
De raadkamer bestaat uit drie rechters en een griffier. Eerst krijgt de
officier het woord. Deze liet in slechts enkele zinnen blijken dat het een
klare zaak was en verwees daarbij naar het gevonden mes waar mijn geur aan
zat. Als gevolg van het gebeuren de avond daarvoor was ik zelf nauwelijks
in staat om iets te zeggen; waarschijnlijk heb ik alleen maar gezegd dat
ik onschuldig was. Mijn advocaat vertelde dat naar haar mening het mes nog
niet was onderzocht als zijnde al dan niet het daadwapen alsmede dat een
positieve geurtest nog geen bewijs was dat ik het mes zou hebben
vastgehouden, want de hond kon uiteraard ook fout hebben geroken. Omdat er
verder op dat moment geen andere aanwijzing tegen mij bestond, verzocht
zij om onmiddellijke vrijlating. De officier van justitie erkende dat het
mes nog niet was onderzocht als zijnde al dan niet het daadwapen, maar dat
dit onderzoek binnenkort zou plaatsvinden. Het kwam helaas totaal niet in
mij op om de vraag op te werpen waarom dit onderzoek niet direct na het
‘aantreffen’ was uitgevoerd; daar had de politie inmiddels al ruim de tijd
voor gehad. Dit soort vragen zouden pas later bij mij opkomen, evenals
vragen over andere onlogische punten.
De positieve geurtest was voor de rechters voldoende om mijn
gevangenhouding voor 30 dagen te gelasten. Ik denk dat de zitting nog geen
5 minuten had geduurd.
Vervolgens begint het lange wachten. Je denkt dat de uitslag van het
onderzoek binnen enkele dagen gereed zal zijn. Maar je hoort niets en de
30 dagen verstrijken. Vervolgens moet je voor de tweede keer voor een
raadkamer verschijnen. Er zitten dan drie andere rechters, die maar ten
dele weten waar het over gaat. Het OM liet weten dat de uitslag van het
onderzoek naar mes P1 nog niet gereed was, hetgeen voor de rechters
voldoende was om mij nogmaals 30 dagen vast te houden. Wel werd daarbij
door de voorzitter bepaald dat het onderzoek binnen die 30 dagen gereed
moest zijn. Vervolgens verstrijken er weer 30 dagen waarin geen uitslag
van het onderzoek wordt ontvangen. Ik moest toen dus voor de 3e keer naar
de raadkamer en omdat de officier niet had voldaan aan de opdracht van de
vorige raadkamer om het onderzoek naar het mes af te ronden, verwachtte ik
nu eindelijk in vrijheid te worden gesteld.
Uiteraard weer drie andere rechters, de officier bevestigde dat de uitslag
van het onderzoek er nog steeds niet was, mijn advocaat die vertelde dat
de vorige raadkamer had bevolen dat de uitslag uiterlijk vandaag gereed
had moeten zijn en aangezien dit niet het geval was, ik nu door de
raadkamer in vrijheid diende te worden gesteld.
Het feit dat de vorige raadkamer iets had bevolen, interesseerde deze
raadkamer echter totaal niet en binnen enkele minuten werd ik wederom
afgevoerd met wederom een bevel tot 30 dagen
gevangenhouding. Mijn advocaat is toen direct in beroep gegaan tegen deze
beslissing met het gevolg dat ik met een dikke week voor het gerechtshof
in Arnhem moest verschijnen. De functie van officier van justitie bij een
rechtbank wordt bij een gerechtshof waargenomen door iemand die als
advocaat-generaal (A-G) wordt aangeduid. Deze A-G bij het gerechtshof te
Arnhem begon een heel verhaal af te steken inzake het belang van het
afwachten van het onderzoek naar het mes. Nu was ik dat wel met hem eens,
maar mij ging het erom dat de uitslag inmiddels zo lang duurde dat het
niet redelijk was om mij dan maar gevangen te houden. In mijn visie kon de
overheid mij niet verwijten dat zijzelf zo traag was. Het mocht echter
niet baten; het hof wees het beroep af.
Inmiddels was het al februari 2000 en had ik een zittingsdatum ontvangen
waarop de rechtbank in Zwolle de zaak zou gaan behandelen. Als ik mij goed
herinner was de zittingsdatum 24 februari 2000.
Na het verblijf in de politiecel te Deventer, was ik overgebracht naar het
huis van bewaring te Hoogeveen. Een week of drie nadat ik daar was
geplaatst, mocht ik voor het eerst bezoek ontvangen. Naar aanleiding van
hetgeen ik van mijn vrouw, kinderen en familie vernam, kreeg ik pas een
eerste beeld op welke wijze de politie mij had voorgelogen over diverse
omstandigheden.
Nu ging ik er vanuit dat de uitslag van het onderzoek uiteraard nog vóór
de zitting bekend zou worden. Nu had ik weliswaar niets met de moord te
maken, maar toch was ik nerveus. Want stel dat uit het onderzoek zou
blijken dat het mes P1 inderdaad het daadwapen was, zou de rechtbank dan
wel willen aannemen dat die hond (met de naam Spike) fout moest hebben
geroken?
Omdat ik via bezoek en telefoon contact had met familie en vrienden,
kwamen er steeds meer vragen op over de vreemdsoortigheden in de zaak.
Zelf had ik al een sterk vermoeden dat er met het mes iets niet in orde
was. Uit papieren die ik inmiddels via mijn advocaat had ontvangen, bleek
dat de politie beweerde dat het mes op zondag 26 september 1999 tezamen
met een paraplu was gevonden op een woonhofje ergens in het centrum van
Deventer. Een bewoner zou de beide voorwerpen hebben aangetroffen en
vervolgens de politie hebben gebeld. Echter, de rapporten waarin dit was
beschreven dateerden van 23 december 1999 en 13 januari 2000. Waarom wordt
een zo’n belangrijk aspect meer dan drie maanden later pas beschreven? Bij
dit rapport bevond zich ook een plattegrond en foto’s van het bewuste
woonhofje. Ik geloof dat er 15 omliggende woningen waren, waarvan de
meeste bewoners een perfect zicht hadden op de plek waar het mes en
paraplu zouden zijn aangetroffen. Maar nergens was te lezen dat de politie
navraag had gedaan bij de bewoners of iemand van hen iets was opgevallen.
Sommige tuinen grensden zelfs aan de vindplek. Een onderzoek onder de
(weinige) bewoners zou toch een eerste actie moeten zijn geweest na het
aantreffen van beide voorwerpen? Aan de politie kon ik het niet meer
vragen, want nadat zij mij hadden verteld dat mijn geur op een mes was
aangetroffen door hond Spike, had ik hen niet meer gesproken. Blijkbaar
was hun belangstelling daarna verdwenen. Achteraf bezien was dat eigenlijk
ook al vreemd.
9) Manipulaties met de huisagenda
Tijdens de verhoordagen op het politiebureau was nog een andere kwestie
aan de orde geweest, Alhoewel nogal lastig duidelijk te maken, zal ik toch
een poging doen aangezien dit tijdens de rechtszitting in Zwolle ook aan
de orde is geweest. Zoals hiervoor al geschreven zou ik de donderdag 23
september oorspronkelijk thuis eten en daarna naar Utrecht gaan voor de
lezing in het Jaarbeurscomplex. Mijn vrouw had dan ook in eerste instantie
in de huisagenda geschreven: ‘wel eten, daarna ernest weg’. Omdat de
afspraak in Amersfoort ertussen was gekomen, had ik haar naderhand gezegd
dat ik niet thuis zou eten, waarna zij over het woord ‘wel’ het woord
‘niet’ had geschreven. Zoals al eerder geschreven, was ik ’s middags even
thuis geweest en had toen voor mijzelf brood klaar gemaakt. Toen was daar
ook de vriendin van mijn vrouw aanwezig geweest, die zich later nog kon
herinneren dat ik hagelslag op mijn brood had gedaan.
Nu had de politie bij mijn cliënten gecontroleerd dat ik daar op de
bewuste tijdstippen was geweest, zodat hen duidelijk was dat ik inderdaad
geen tijd had gehad om tijdens het avondeten thuis te zijn geweest.
Echter, tijdens de huiszoeking waren veel spullen meegenomen, zoals al
mijn kleding, computer, papieren en ook de huisagenda. Naderhand, terwijl
de politie dus al wist dat ik niet samen met mijn gezin had gegeten, zijn
zij met een zwart/wit kopie van de week in het agendablad waarop 23
september stond naar mijn vrouw gegaan. Op 21 november hebben zij haar
eerst gevraagd waar ik twee maanden daarvoor (!!!) op de avond van 23
september was geweest. Nog buiten het feit dat ook mijn vrouw behoorlijk
van slag was, was dit natuurlijk een zinloze vraag, want wie weet nou
zoiets. Gewoonlijk was ik wekelijks 2 à 3 avonden voor mijn werk op pad
vanwege cliëntenbezoek.
Alvorens verder te gaan moet ik hier nog iets verduidelijken. Stel dat ik
een afspraak heb om 19.00 uur, dan ga ik niet eerst naar huis om te eten,
maar ben ik op redelijke tijd weer thuis. Maar stel dat ik een afspraak
heb om 20.00 uur, dan probeerde ik het meestal zo te doen om eerst thuis
gezamenlijk te eten en vervolgens te vertrekken, maar dit laatste hield
dan meestal wel in dat ik vaak pas weer tussen 22.00 uur en 23.00 uur
terugkwam, afhankelijk van de woonplaats van een cliënt.
Omdat mijn vrouw zich eerst niet kon herinneren waar ik die avond was
geweest, toonde de politie haar toen een door hen gemaakt kopie van het
betreffende blad uit de huisagenda. Omdat mijn vrouw het woord ‘niet’ over
het woord ‘wel’ had geschreven, kon zij niet duidelijk zien wat er nu
stond, maar zij veronderstelde dat er stond ‘wel eten, daarna ernest weg’.
Omdat het op dat moment voor haar een logische veronderstelling was dat de
woorden ‘daarna ernest weg’ te associëren waren met ‘ernest is naar een
cliënt’, leek haar dit waarschijnlijk. Toen de politie vervolgens vroeg
hoe laat ik die avond thuis was gekomen, heeft zij gedacht: ‘als hij thuis
heeft gegeten, zal hij wat later zijn weggegaan en dus ook later weer
thuis gekomen en aangezien dit ‘later thuis’ dan gewoonlijk ergens tussen
22.00 uur en 23.00 uur was, heeft zij dan ook gezegd dat ik ergens rond
die tijd zou zijn thuisgekomen.
Hetgeen zij echter op dat moment helemaal niet wist, is dat ik die avond
niet naar een cliënt was maar naar de lezing in Utrecht. Omdat zij wist
dat ik meermaals in Utrecht was geweest om alleen maar af te tekenen, wist
zij ook dat ik op dergelijke avonden rond 20.30 uur thuiskwam.
Men wist dat het niet waar was
Echter, de politieman die haar ondervroeg wist op dat moment al:
- dat ik niet thuis had gegeten (zij waren al bij mijn cliënten van die
dag geweest) en
- dat ik in Utrecht was geweest en dus ook dat mijn vrouw van de verkeerde
gedachte uitging dat ik op een laat cliëntenbezoek was geweest.
Dus, ondanks dat men wist dat de verklaring van mijn vrouw onjuist was,
heeft men haar deze onjuiste verklaring laten ondertekenen.
Ik werd op het politiebureau indertijd met deze verklaring geconfronteerd
en zei toen direct dat zij weer naar mijn vrouw moesten gaan om haar
opnieuw te ondervragen, maar dan wel eerst te laten weten dat ik niet
thuis had gegeten en dat ik naar Utrecht was geweest om ‘5 studiepunten te
scoren’. Mijn gedachte was dat zij aan de hand van deze twee feiten
mogelijk zou weten dat ik niet laat thuis kon zijn geweest. Ik heb dit
meerdere keren gevraagd, maar de politie heeft hier nooit aan willen
voldoen. Maar wel werd ik talloze keren geconfronteerd met de mededeling
van mijn vrouw dat ik pas na 22.00 uur thuis was gekomen en dat ik dus
loog omtrent het feit dat ik rond 21.00 uur was thuisgekomen.
Nu ik dit schrijf, komt wederom de sindsdien regelmatig levende gedachte
op dat ik gewenst zou hebben dat ik indertijd wat assertiever was geweest
en die ondervragers over tafel zou hebben getrokken om dat tuig een pak op
hun falie te geven. Maar ja, de vraag is natuurlijk of mij dat zou zijn
gelukt, maar als ik had geweten hetgeen ik nu weet, had ik zeker een
poging gedaan!
N.B.: In oktober 2003 heb ik die huisagenda teruggekregen en wat bleek:
het woord ‘niet’ had mijn vrouw met een duidelijk
andere kleur blauw over
het woord ‘wel’ geschreven. Had de politie haar dus in 1999 de originele
agenda laten zien en niet het kopie, dan had zij direct gezien dat het
woord ‘niet’ er naderhand overheen was geschreven en had zij dus direct
geweten dat ik ‘s avonds niet thuis had gegeten. Overigens bleek naderhand
dat de politie zelf in hun rapport had vermeld dat zij wisten dat de
verklaring van mijn vrouw onjuist was geweest, maar ondanks dat hebben zij
haar toch laten tekenen en zijn zij mij tot op heden hiermee blijven
confronteren. Ik heb dit zelfs tijdens de zitting van januari 2004 tegen
de voorzitster van het hof Den Bosch gezegd (ik had de agenda meegenomen),
maar het hof heeft dit slechts aangehoord en niets mee gedaan. Misschien
had het meer resultaat gehad als ik dit tegen de portier in de hal van het
gerechtsgebouw had verteld!
Dit aspect van het verhaal is hiermee echter nog niet over, want terwijl
ik ‘op beperkingen’ zat en dus hierover niet met mijn vrouw kon spreken,
is zij er met hulp van haar vriendin achtergekomen dat haar verklaring
over die avond niet juist was geweest en dat ik niet thuis was geweest
tijdens het avondeten.
Haar vriendin hield namelijk ook een agenda bij zodat zij wist dat zij die
middag bij mijn vrouw was geweest en zij kon zich aldus nog herinneren dat
ik die dag was thuisgekomen en het feit dat ik hagelslag op mijn brood had
gedaan was bij haar blijven hangen. Via de agenda van haar vriendin
herinnerden zij zich ook nog dat mijn vrouw oorspronkelijk ’s avonds nog
met haar naar het centrum zou gaan, maar dat was niet doorgegaan omdat
mijn vrouw had gezegd dat ik vroeg thuis zou zijn. Zodoende waren beiden
erachter gekomen dat ik niet thuis had gegeten en dat ik niet laat thuis
was geweest, MAAR omdat ik ‘op beperkingen’ zat en dus geen contact met
iemand mocht hebben, wisten mijn vrouw en haar vriendin niet dat hun
gevolgtrekkingen van belang waren.
Toen ik dit weken later vernam, heb ik het aan mijn advocaat verteld en
die heeft ervoor gezorgd dat zowel mijn vrouw als haar vriendin als
getuigen op de rechtszitting in Zwolle werden opgeroepen.
10) Rechtbank Zwolle: vrijspraak – OvJ had helemaal geen opdracht gegeven
Op de zitting werden mijn vrouw en haar vriendin gehoord. Hun verklaringen
waren duidelijk. Officier van justitie mevrouw Duyts begon mijn vrouw
weliswaar direct van meineed te beschuldigen, maar de rechters wuifden
deze beschuldiging weg. Op aanraden van mijn advocaat had ik door een
register-accountant een onderzoek laten doen waaruit bleek dat ik geen
gelden en/of goederen uit de boedel had ontvreemd en tevens bleek uit dit
rapport dat – indien ik dit van plan zou zijn geweest – dat dit dan direct
bij de andere bestuursleden zou zijn opgevallen, zodat er in feite geen
mogelijkheid bestond om op onterechte wijze zaken te ontvreemden.
Het meest spraakmakende feit van deze zitting was de kwestie met het mes.
Eén dag voor de zitting kwam het lang verwachte onderzoeksrapport van het
NFI (het Nederlands Forensisch Instituut, een onderdeel van het ministerie
van justitie, dus minder onafhankelijk dan men zelf wil doen voorkomen).
En wat was de inhoud van dit rapport? Het bevatte een soort sectieverslag
alsmede een verslag naar aanleiding van het door mij toegestane
dna-onderzoek; mijn dna-structuur stond er ook in met de mededeling dat
deze was opgenomen in een databank. Er stond echter in het geheel niets in
over een onderzoek |